Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2025:3180

2025-06-05 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht 25/575 en 25/571
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2025-06-05
Publicatiedatum
2025-06-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
25/575 en 25/571
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom; zonder omgevingsvergunning realiseren van bouwwerken; vernietiging rechtsgevolgen blijven in stand.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (27.654 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT


Zittingsplaats 's-Hertogenbosch


Bestuursrecht


zaaknummers: SHE 25/575 OWHAND H
SHE 25/517


uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen





[eiser]
, uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. C.J. Driessen),


en



Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk

(gemachtigden: mr. S. Streppel en mr. A.H.G. Knops).



Samenvatting


1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser tegen de aan hem opgelegde last onder dwangsom vanwege het zonder omgevingsvergunning realiseren van bouwwerken. Eiser is het hier niet eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college in deze zaak handhavend heeft mogen optreden.

1.1 De voorzieningenrechter beslist ook op het beroep van eiser en komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiser heeft mogen gelasten de zonder omgevingsvergunning gerealiseerde bouwwerken te verwijderen. Het college heeft ten onrechte de Omgevingswet van toepassing geacht en heeft in de last onder dwangsom voor de locatie van de garage een onjuiste bestemmingsplanaanduiding gegeven. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Omdat het college wel bevoegd was om handhavend op te treden en van deze bevoegdheid gebruik heeft mogen maken, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.



Procesverloop


2. Op 12 november 2021 heeft het college na diverse controles op het perceel [adres] in [plaats 1] aangekondigd handhavend op te treden indien eiser niet tijdig een vooroverlegplan (conceptaanvraag) indient op basis waarvan kan worden beoordeeld of de aangetroffen illegale bouwwerken kunnen worden gelegaliseerd. Op 14 oktober 2023 heeft het college het voornemen bekend gemaakt om handhavend op te treden tegen de illegale bouwwerken. Daartegen heeft eiser op 3 november 2023 zijn zienswijze bekend gemaakt bij het college. Het college heeft met het besluit van 12 maart 2024 aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 30 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de last onder dwangsom gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.


2.2. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.



Totstandkoming van het besluit


3. Op 10 december 2020 en 24 december 2020 heeft een toezichthouder van de gemeente een controle uitgevoerd op de locatie [adres] in [plaats 1]. In het rapport dat van deze controle is opgemaakt heeft de toezichthouder de volgende constateringen genoteerd:

“De woning aan de [adres] in [plaats 1], kadastraal bekend [plaats 2], sectie [nummer], nummer [nummer], is gebouwd in 1996 samen met een bijbehorend bouwwerk. In het verleden zijn een aantal bijbehorende bouwwerken gebouwd en/of bestaande bijbehorende bouwwerken uitgebreid. Er is één vergunning verleend voor de bouw van de woning en de garage. Verder zijn geen vergunningen verleend. Recentelijk is een betonvloer van ongeveer 200 m2 gestort en het dak van een overkapping vernieuwd en/of uitgebreid.
(…)”.


3.1. Op 25 oktober 2021 heeft opnieuw een controle plaatsgevonden. Op 12 november 2021 heeft het college aan eiser een waarschuwing gestuurd. Het college heeft op 17 oktober 2023 een voornemen last onder dwangsom, gedateerd 14 oktober 2023, aan eiser verzonden. Eiser heeft daarop gereageerd met een zienswijze op 3 november 2023.


3.2. Op 12 maart 2024 heeft het college besloten een last onder dwangsom op te leggen voor de volgende bouwwerken:



Uitbreiding van de garage aan de noordzijde (bouwwerk 1);


Oprichten van het gebouw in de zuidwestelijke hoek van het perceel (bouwwerk 2);


Plaatsen van een overkapping aan de garage (bouwwerk 3);


Plaatsen van een overkapping aan de schuur (bouwwerk 4).


Het college heeft eiser daarbij gelast om binnen twee maanden na dagtekening de bouwwerken te verwijderen en verwijderd te houden en daarbij een dwangsom opgelegd per bouwwerk van € 15.000,- ineens als het bouwwerk niet binnen de begunstigingstermijn is verwijderd.

3.3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze last onder dwangsom. Met het bestreden besluit is het college bij het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom gebleven en heeft het de begunstigingstermijn gesteld op zes weken na de beslissing op bezwaar. Eiser is daartegen in beroep gegaan en heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Op 4 maart 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op de voorlopige voorziening en/of het beroep.



Beoordeling door de voorzieningenrechter


4. De voorzieningenrechter beoordeelt of het college de last onder dwangsom heeft kunnen opleggen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wegens motiveringsgebreken moet worden vernietigd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen in stand blijven. De last onder dwangsom blijft daarom in stand en de begunstigingstermijn eindigt zes weken na deze uitspraak.

5.1. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.



Toepasselijk recht


6. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het bestreden besluit de Omgevingswet van toepassing heeft geacht. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar overzichtsuitspraak van 3 juli 2024 over het overgangsrecht van de Omgevingswet in handhavingszaken overwogen dat als een bestuursorgaan ter voorbereiding van een bestuurlijk sanctiebesluit vóór 1 januari 2024 toepassing heeft gegeven aan artikel 4:8 van de Awb, op het bestuurlijk sanctiebesluit oud recht van toepassing is, ook als het sanctiebesluit na 1 januari 2024 is genomen. Dat volgt uit artikel 4.5, gelezen in samenhang met artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Op 14 oktober 2023 heeft het college het voornemen bekend gemaakt om handhavend op te treden tegen de illegale bouwwerken. Daartegen heeft eiser op 3 november 2023 zijn zienswijze bekend gemaakt bij het college. Dat betekent dat op de last onder dwangsom en het bestreden besluit oud recht van toepassing is, omdat hiermee toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Awb. Het college heeft daarom ten onrechte op het primaire besluit en het bestreden besluit nieuw recht van toepassing geacht. Reeds om deze reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dat licht zij hieronder toe.


Is sprake van een overtreding?


7. Eiser betoogt dat geen sprake is van een overtreding, omdat de bouwwerken zijn gelegen in het achtererfgebied en zonder omgevingsvergunning mogen worden gerealiseerd. Volgens eiser is de voorgevel gelegen aan de oostzijde van de woning. Eiser wijst voor zijn standpunt op de situatie zoals deze gold in het verleden. Destijds was de voordeur aan de oostzijde van de woning gesitueerd en werd het perceel ook aan noordzijde ontsloten met een onverharde weg.

Tussen partijen is niet in geschil dat de bouwwerken zijn gerealiseerd zonder omgevingsvergunning. Uit artikel 2.1, eerste lid, onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) volgt dat het verboden is om respectievelijk zonder vergunning te bouwen en gronden te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan. Artikel 2.1, derde lid, van de Wabo in samenhang met de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaalt onder welke omstandigheden voor het bouwen geen vergunning nodig is. In geschil is of de bouwwerken op grond van artikel 2 of 3 van bijlage II van het Bor vergunningvrij konden worden opgericht. Voor de toepassing van beide artikelen moet er sprake zijn van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied.


7.2. Op het oostelijke gedeelte van het kadastrale perceel [adres] te [plaats 1] rust op grond van de regels van het bestemmingsplan ‘[naam]’, de enkelbestemming ‘Wonen’. Op het westelijke gedeelte rust de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ met de functieaanduidingen: ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – aardkundig waardevol gebied’ en ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – dassen’. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het achtererfgebied kan worden bepaald door vast te stellen wat de voorgevel van het hoofdgebouw is. Het hoofdgebouw is volgens de definitie in het Bor het gebouw dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel. Voor het gedeelte van het perceel met bestemming ‘Wonen’ geldt dat de woning het hoofdgebouw is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de noordzijde van de woning de voorgevel is. Daarbij heeft het college kunnen betrekken dat de voordeur zich bevindt aan de noordzijde van het gebouw en dat het perceel ook aan deze zijde wordt ontsloten naar de openbare weg. Verder heeft het college de tekeningen behorende bij de bouwvergunning uit 1996 kunnen betrekken. Daaruit blijkt dat de voordeur zich op dat moment nog aan de oostzijde bevond, maar ten noorden daarvan bevond zich een “voorplaats” en de noordelijke ontsluiting is op de tekening aangeduid met “entreeweg”. Daaruit mocht het college afleiden dat de belangrijkste ontsluiting naar de openbare weg de noordelijke ontsluitingsweg was. Dat is de ontsluiting die nog steeds als ontsluitingsweg wordt gebruikt. Het college heeft de noordzijde van de woning daarom terecht aangemerkt als voorgevel. Het achtererfgebied is op grond van de definitie in het Bor het erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.


De garage (bouwwerk 1 en bouwwerk 3)


7.3. De garage is gelegen binnen de bestemming “Wonen” ten noorden van de voorgevel en dus in het voorerfgebied. Dat betekent dat de uitbreiding van de garage (bouwwerk 1) en de overkapping aan de garage (bouwwerk 3) niet zijn gelegen in het achtererfgebied. Daarom wordt niet voldaan aan de voorwaarde voor vergunningvrij bouwen als bedoeld in artikel 2 en 3 van bijlage II van het Bor. Dat betekent dat sprake is van een overtreding, nu deze bouwwerken zonder vergunning zijn gebouwd. Dat het college in de besluitvorming ten onrechte heeft overwogen dat de overkapping aan de garage (bouwwerk 3) volledig gebouwd is binnen de enkelbestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” terwijl het gelegen is binnen de bestemming “Wonen’, betekent niet dat het oordeel of sprake is van een overtreding anders is. Wel is er sprake van een motiveringsgebrek.


De oprichting van een bouwwerk in de zuidwestelijke hoek van het perceel (bouwwerk 2) en de uitbouw van de schuur (bouwwerk 4)


8.5. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat bouwwerken 2 en 4 zijn gebouwd zonder vergunning en niet vergunningvrij gebouwd kunnen worden. Uit het bestemmingsplan volgt in dit geval dat het westelijk gedeelte van het perceel de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” met als functieaanduidingen ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – aardkundig waardevol gebied’ en ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – dassen’ heeft. Beide bouwwerken bevinden zich binnen die bestemming. Weliswaar is dit gedeelte van het perceel feitelijk ingericht ten dienste van het gebruik van de woning, maar er rust een andere bestemming op. Het perceelgedeelte waarop bouwwerken 2 en 4 zijn gebouwd, kan daarom in dit geval niet worden aangemerkt als "erf" als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor, vanwege de aardkundige waarden en de waarden voor het behoud van dassen die daaraan zijn toegekend en het verbod in het bestemmingsplan om op deze gronden bouwwerken te realiseren als er geen bouwvlak aanwezig is. Daarom is er evenmin sprake van "achtererfgebied" als bedoeld in die bepaling. Ook is de woning niet aan te merken als hoofdgebouw voor dat gedeelte van het perceel. Immers is een hoofdgebouw noodzakelijk voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en een woning is niet noodzakelijk voor de verwezenlijking van een agrarische bestemming. Er is geen enkel gebouw noodzakelijk voor de verwezenlijking van de agrarische bestemming. Het college heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat op dat gedeelte van het perceel geen hoofdgebouw staat. Er is ook daarom geen sprake van een achtererfgebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor. Omdat bouwwerken 2 en 4 niet in het achtererfgebied staan, kunnen deze ook niet op grond van artikel 2 of 3 van bijlage II van het Bor vergunningvrij worden opgericht. Nu deze bouwwerken zonder vergunning zijn gebouwd, is sprake van een overtreding.



Mocht het college handhavend optreden?


9. Eiser betoogt dat het college had moeten afzien van handhavend optreden, omdat het onredelijk is om geen gebruik te maken van de bevoegdheid om alsnog een omgevingsvergunning te verlenen. Eiser stelt daartoe dat het geldende bestemmingsplan is verouderd (strijd evenredigheidsbeginsel) en dat er vergelijkbare bebouwing in de omgeving is gerealiseerd (strijd gelijkheidsbeginsel). Eiser verwijst verder naar de beleidsnotitie ‘Bebouwingsconcentraties voor kwaliteitsverbetering in het buitengebied’ (nota) die volgens eiser deze bebouwing in de omgeving mogelijk heeft gemaakt.

9.1. Deze grond slaagt niet. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.


9.2. In dit geval is geen sprake van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dan handhavend optreden onevenredig zou zijn. Er is een vergunning aangevraagd, maar daarmee ontstaat nog geen concreet zicht op legalisering. De uitbreiding van de garage en de overkapping daaraan bevinden zich op gronden met de bestemming “Wonen”. Het betreft een vrijstaand bouwwerk dat behoort bij de woning. Op grond van artikel 23.2.3, aanhef en onder d, van de regels van het bestemmingsplan '[naam]', dienen vrijstaande bijbehorende bouwwerken op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd. Omdat niet aan deze planregel wordt voldaan is het niet mogelijk ter legalisering alsnog een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de garage en de overkapping daaraan te verlenen.
De overige bebouwing (bouwwerken 2 en 4) is gelegen op gronden met de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden”. Op grond van artikel 4.2.1 van de planregels zijn bouwwerken uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan, met uitzondering van veldschuren, kazematten en bouwwerken geen gebouw zijnde. Omdat dit perceelgedeelte geen bouwvlak heeft en de genoemde uitzonderingen niet aan de orde zijn, kan op grond van het bestemmingsplan ook voor deze bouwwerken geen omgevingsvergunning verleend worden. Er bestaat een mogelijkheid om vergunning te verlenen op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, sub a en onder 3 van de Wabo alsnog in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, maar dat is een bevoegdheid en het college wil geen medewerking verlenen. Daarmee is geen sprake van een concreet zicht op legalisering.


9.3. Ook in de omstandigheden die eiser schetst ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat handhavend optreden onevenredig is. Het bestemmingsplan is het toetsingskader. Anders dan eiser stelt, volgt uit de nota niet dat het beleid van de gemeente erop is gericht om bouwwerken rondom een bestaande woning mogelijk te maken. Deze nota is opgesteld vanwege de veranderingen in het landelijk gebied in Noord-Brabant. Het biedt blijkens deze nota naast verruimde mogelijkheden voor hergebruik van VAB’s (Vrijkomende Agrarische Bedrijfsgebouwen) ook ruimere mogelijkheden voor verbrede landbouw, nevenfuncties, recreatieve ontwikkelingen, de paardenhouderijen en hergebruiksmogelijkheden van cultuurhistorisch waardevolle en beeldbepalende gebouwen. Niet is gebleken dat er sprake is van gevallen die gelijk zijn aan de situatie van eiser waarbij niet handhavend wordt opgetreden. Het college hoefde dus niet af te zien van handhavend optreden.



Is de begunstigingstermijn onredelijk?


10. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat het college een onredelijk korte begunstigingstermijn heeft opgelegd. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de begunstigingstermijn is verlengd tot zes weken na deze uitspraak. Daarmee is aan eiser een redelijke begunstigingstermijn gesteld waarbinnen hij de illegale bebouwing dient te verwijderen. Dat er binnen die termijn mogelijk nog niet is beslist op een aanvraag om de bebouwing te legaliseren, maakt niet dat de termijn onredelijk kort is. Deze aanvraag heeft eiser immers pas 5 februari 2025 ingediend. De begunstigingstermijn heeft gelopen van de verzenddatum van het primaire besluit tot zes weken na deze uitspraak, dus meer dan een jaar. Daarmee heeft eiser voldoende gelegenheid gehad om de illegale situatie te beëindigen.


Conclusie en gevolgen


11. Het beroep is, gelet op wat de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 6 en 7.3 heeft overwogen, gegrond. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd. Omdat het college niettemin bevoegd was om handhavend op te treden en in redelijkheid van deze mogelijkheid gebruik heeft mogen maken, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.
12. Omdat het beroep gegrond is, zal de voorzieningenrechter het college veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op € 1.814,00, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 24 april 2025, waarde per punt € 907,00, wegingsfactor 1).
13. Ook zal de voorzieningenrechter bepalen dat het college eiser het door hem betaalde griffierecht voor het beroep moet vergoeden.


Beslissing



De voorzieningenrechter:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;


bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;


veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1814,00;


bepaalt dat verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht in beroep van


€ 194,00 moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2025.








griffier


voorzieningenrechter






Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.



BIJLAGE



Invoeringswet Omgevingswet



Artikel 4.5.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing:



ls tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,


als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.








Algemene wet bestuursrecht



Artikel 4:8


1. Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en
b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

2. Het eerste lid geldt niet indien de belanghebbende niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting gegevens te verstrekken.



Wet algemene bepalingen omgevingsrecht



Artikel 2.1


1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
c.het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
(…).




Besluit omgevingsrecht, Bijlage II



Artikel 1


1. In deze bijlage wordt verstaan onder:


achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;
(…)

erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;
(…)

hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
(…)




Artikel 2

Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:
(…);

3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
(…).



Artikel 3

Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:

1. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
(…).



Regels van het bestemmingsplan '[naam]'


23.2.3


Bijbehorende bouwwerken bij woningen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
a. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m.
b. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m.
c. De gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m².
d. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.
e. De afstand van vrijstaande bijbehorende bouwwerken tot de woning mag niet meer bedragen dan 15 m.




4.2

Bouwregels


4.2.1


Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken gelden in het algemeen de volgende regels:
a. Bouwwerken zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan, met uitzondering van het bepaalde in lid 4.2.10, 4.2.11 en 4.2.12.
(…).







Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


ECLI:NL:RVS:2024:2645.


Bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2017:3


Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2016:990.


ECLI:NL:RVS:2025:678


Uitspraak van 2 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2022:285.