Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2023:2147

2023-03-31 Civiel recht C-01-391400 - KG ZA 23-130
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2023-03-31
Publicatiedatum
2023-05-10
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C-01-391400 - KG ZA 23-130
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwikkeling einde samenleving.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.475 tekens)
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT


Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch




zaaknummer / rolnummer: C/01/391400 / KG ZA 23-130




Vonnis in kort geding van 31 maart 2023




in de zaak van





[eiseres]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat mr. L.M. Bakker te Rosmalen,



tegen





[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
verder te noemen: de man,
advocaat mr. F.P.J. Schraa te Oss.






1De procedure

1.1.
Het verloop blijkt uit:


de dagvaarding van 27 maart 2023 met producties


de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie in kort geding met producties


de mondelinge behandeling die op 28 maart 2023 heeft plaatsgevonden.





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Partijen zijn op 16 juli 2021 gaan samenwonen. Zij hebben op diezelfde dag een samenlevingsovereenkomst gesloten en deze doen vastleggen in een notariële akte.



2.2.

Deze overeenkomst luidt – voor zover hier van belang – als volgt
“(…) HOOFDSTUK 2. TIJDENS HET SAMENWONEN

(…)



b.
Betaling


De kosten van de gemeenschappelijk gevoerde huishouding moeten door beide partners worden betaald naar evenredigheid van hun inkomen (…)


c.
Invulling begrip 'kosten van de huishouding'


Onder de kosten van de huishouding worden in elk geval verstaan:




de kosten van gezamenlijke huisvesting, zoals huur en rentelasten, de onroerendezaak-belasting en andere heffingen voor het gebruik en de kosten voor dagelijks onderhoud en verzekering van de woning;




de kosten van gas, elektriciteit en water van de gezamenlijke huisvesting;




(…)


5. Gemeenschappelijke woning


Ten aanzien van een woning waarvan beide partners eigenaar zijn, geldt het volgende:


a. Alle investeringen, kosten en lasten met betrekking tot de gemeenschappelijke woning, die niet onder de kosten van de huishouding vallen (zoals de hoofdsom van een hypothecaire lening, de aflossing daarvan, de premies voor het spaargedeelte van de levensverzekering en de inleg op de bankspaarrekening eigen woning en de beleggingsrechten eigen woning), komen voor rekening van beide partners naar evenredigheid van hun aandeel in die woning. Zij delen ook naar evenredigheid van hun aandeel in de waardevermeerdering of waardevermindering van die woning.


b. (…)



De woning


De woning aan de [adres] te [plaats] behoort aan beide partners toe, ieder voor de onverdeelde helft.


Inbreng eigen middelen/Vordering


Door de partner sub 2. genoemd (opmerking voorzieningenrechter: bedoeld wordt de vrouw) is een bedrag van vijf en twintig duizend euro(€ 25.000,00) uit eigen middelen bijgedragen aan deze woning. De partner sub 1. genoemd (opmerking voorzieningenrechter: bedoeld wordt de man) heeft geen bedrag uit eigen middelen bijgedragen. Op grond hiervan heeft de partner sub 2. genoemd een vordering van twaalf duizend vijf honderd euro(€ 12.500,00) op de partner sub 1. genoemd.

(…)



c. De vordering hiervoor onder b vermeld is opeisbaar bij:


- levering van (een onverdeeld aandeel in) de (gemeenschappelijke) woning (waaronder begrepen economische eigendomsoverdracht);


- het einde van het samenwonen;



(…)


HOOFDSTUK 3. EINDE SAMENWONEN



1. Ontbinding van het samenlevingscontract


Dit contract is ontbonden:


a. als de partners dit schriftelijk overeenkomen;


b. als de overeenkomst is opgezegd bij aangetekende brief op het tijdstip waartegen is opgezegd;


c. als uit feitelijke omstandigheden blijkt dat het samenwonen is beëindigd;


(…)


2. Bij ontbinding van het contract door 'scheiding'



Als het contract tussen de partners is ontbonden op grond van dat wat hiervoor onder a tot en met d is vermeld, geldt het volgende.


(…)



b. leder van de partners heeft het recht nog gedurende drie maanden te wonen in de door hen samen bewoonde woning. Als beide partners in deze periode in de woning blijven wonen, worden de kosten en lasten van de woning betaald als hiervoor in hoofdstuk 2 is bepaald.

(…)”.



2.3.
Op 28 januari 2023 heeft de vrouw de gezamenlijke woning verlaten. Sedertdien verblijft zij elders. Bij haar vertrek heeft de vrouw de haar in eigendom toebehorende dieren (twee poezen, vier kippen en de vissen in zowel vijver als aquarium) bij de man achtergelaten.



2.4.
Bij brief van 16 februari 2023 heeft de man het samenlevingscontract opgezegd c.q. ontbonden met ingang van 1 februari 2023.



2.5.
Na de beëindiging van de relatie hebben partijen geprobeerd om in onderling overleg tot een afwikkeling van de samenleving te komen. Tot op de datum van de dagvaarding hebben partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken.





3Het geschil in conventie


3.1.
De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. primair, bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het
gebruik van de gezamenlijke woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] totdat de woning is geleverd aan een derde, en de man te bevelen binnen twee dagen na afgifte van het te dezen te wijzen vonnis de woning te verlaten en niet meer te betreden een en ander onder afgifte van de sleutels van de woning aan de vrouw en op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag dat de man in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen,
2. subsidiair, bepaalt dat de vrouw te allen tijde toegang tot de gezamenlijke woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] heeft om de dieren te verzorgen en een ander onder afgifte van de sleutels van de woning aan de vrouw en op straffe van een dwangsom van € 500,-- per keer dat de man in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;
3. de man veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van het vonnis te dezen de Opdracht tot Dienstverlening te tekenen en ondertekend retour te zenden aan [A]
BV en [A] BV de opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning gelegen te [postcode] [woonplaats] aan de [adres] , waarbij de door de makelaar geadviseerde vraag- en verkoopprijzen bindend zijn, alsmede de man te gebieden zijn volledige medewerking aan de verkoop van de woning, dus aan alle verkoopactiviteiten, waaronder begrepen het tijdig voldoen van de nota's van de makelaar, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat de man daarmee in gebreke mocht zijn;
4. bepaalt dat, indien de man niet binnen de onder sub 3 gestelde termijn zijn handtekening zet en zijn medewerking verleent, het vonnis in de plaats treedt van de medewerking
van de man aan de verkoopopdracht van de woning te [postcode] [woonplaats] aan de [adres] aan [A] BV onder de voorwaarde dat de door deze makelaar geadviseerde vraag- en verkoopprijs bindend zijn;
5. de man veroordeelt om medewerking te verlenen aan:


De genoemde makelaar en diens werknemers en ingezette derden toegang te verlenen tot de bovengenoemde woning, ter voorbereiding van de verkoopwerkzaamheden tot het maken van foto's in en om de woning;


de woning ten behoeve van een dergelijke fotosessie in ordentelijke staat te brengen;


een kopie van de voordeur- en achterdeursleutels af te geven aan de makelaar teneinde deze zelfstandig toegang te geven ter bezichtigingen van de woning op elk eerste verzoek van de makelaar, de woning in een ordentelijke staat te brengen en te houden teneinde een bezichtiging door potentiële kopers mogelijk te maken;


op elk eerste verzoek van de makelaar, deze toegang te verlenen tot de woning en elke ruimte daarin;


op elk eerste verzoek van de makelaar, op een tenminste 24 uur vooraf op te geven tijdstip, om de woning te verlaten en daarin niet terug te keren gedurende tenminste 60 minuten;


zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere keer dat de man daarmee in gebreke mocht zijn;
6. de man eveneens veroordeelt om medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van zijn deel in de eigendom van de woning te [postcode] [woonplaats] aan de [adres] tegen een door de makelaar te bepalen laatprijs;
7. bepaalt dat, in het geval dat de man niet zal meewerken aan de verkoop en levering van zijn aandeel in de eigendom van de woning te [postcode] [woonplaats] aan de [adres] , zoals genoemd in sub 6, dit vonnis in de plaats zal treden van de vereiste medewerking van de man aan verkoop en levering van de woning aan een derde;
8. de man veroordeelt om, indien de makelaarskosten niet geheel kunnen worden verrekend met de overwaarde van de woning, de helft van dit (restant) bedrag aan de makelaar te voldoen;
9. de man veroordeelt in de kosten van deze procedure.
10. de man veroordeelt in de kosten van deze procedure begroot op € 4.550,--.



3.2.
De man voert verweer.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4Het geschil in reconventie


4.1.
De man vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. bepaalt dat de man, bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het voortgezet gebruik van de gezamenlijke woning aan de [adres] te [woonplaats] totdat de woning aan hem is toegedeeld en overgedragen of indien de man niet in staat is om het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen, tot aan de dag dat de woning na verkoop aan een derde notarieel is overgedragen aan die derde, een en ander met machtiging aan de man de beschikking te deze zonodig ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie;
Subsidiair: een (andere) in goede justitie te bepalen passende voorziening treft;
2. de vrouw veroordeelt tot het ophalen van de dieren uit de gezamenlijke woning binnen twee weken na het in dezen te geven vonnis en de vrouw veroordeelt tot betaling aan de man van de kosten van verzorging en onderhoud van de dieren, althans een (andere) passende voorziening te treffen, door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;
3. Voorwaardelijk: namelijk in geval het door de vrouw gevorderde uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning aan haar wordt toegewezen, de vrouw veroordeelt tot betaling aan de man van een gebruiksvergoeding gelijk aan de helft van de door partijen aan de bank verschuldigde hypotheekrente en aflossing en de vrouw veroordeelt aan de man te betalen een bedrag van € 949,28 per maand te vermeerderen met de helft van de door partijen verschuldigde BSOB-nota en opstalverzekeringspremie.
Subsidiair: een (andere) in goede justitie te bepalen passende voorziening treft, door de voorzieningenrechter;
4. de vrouw veroordeelt in de kosten van het geding.



4.2.
De vrouw voert verweer.



4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





5De beoordeling
in conventie en in reconventie


5.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie worden vanwege hun nauwe samenhang gezamenlijk behandeld.



5.2.
De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang zowel in conventie als in reconventie, gelet op de aard van de vorderingen, gegeven.



5.3.
In dit kort geding dient, mede op basis van wat partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vorderingen van partijen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening. Daarbij dient de voorzieningenrechter uit te gaan van de feiten met de beperkte toetsing daarvan, omdat een kortgedingprocedure zich niet leent voor nader feitenonderzoek en/of nadere bewijslevering. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.



5.4.
Partijen hebben ter zitting overeenstemming hebben bereikt over een deel van hun geschil. Partijen zijn de navolgende regeling overeengekomen:
1. de vrouw wordt in de gelegenheid gesteld om de waarde van de gezamenlijke woning gelegen te [woonplaats] aan de [adres] (hierna: de woning) te laten taxeren door een door haar aan te wijzen makelaar/taxateur. De man zal hieraan alle medewerking zal verlenen die nodig is. Het in dat verband gemaakte taxatierapport zal de vrouw uiterlijk op 15 april 2023 aan (de gemachtigde van) de man verstrekken.
2. Indien partijen naar aanleiding van de door hen ingeschakelde taxateurs het niet eens kunnen worden over de (getaxeerde) waarde van de hiervoor genoemde woning, zullen zij de door hen ingeschakelde taxateurs gezamenlijk een derde makelaar/taxateur laten aanwijzen voor taxatie van de woning. Dit advies (van de derde makelaar/taxateur) heeft in dat geval te gelden als een bindend advies in de zin van artikel 7:900 lid 1 BW. Partijen dragen er zorg voor dat het bindend advies uiterlijk op 15 mei 2023 is uitgebracht.
3. De woning wordt toebedeeld aan de man, mits hij uiterlijk op 1 juni 2023 aan (de gemachtigde van) de vrouw – onder overlegging van ter zake doende bewijsstukken – aantoont financieel in staat te zijn om de vrouw (onder verrekening van het extra aandeel wat zij in de woning heeft ingebracht) uit te kopen en haar te ontslaan uit haar hypothecaire verplichtingen;
4. Uiterlijk op 1 juli 2023 zal de woning worden geleverd aan de man. De vrouw zal alle medewerking verlenen die daarvoor nodig is. Voor zover mocht blijken dat de woning op een eerder tijdstip dan op 1 juli 2023 aan de man kan worden geleverd, heeft de vrouw eveneens toegezegd daaraan alle medewerking te verlenen die in dat verband nodig is, waaronder het gebruik van de woning als dit gebruiksrecht aan haar wordt toegekend.



5.5.
De gemaakte afspraken gaan er van uit dat de woning aan de man kan worden toebedeeld en dat deze woning uiterlijk op 1 juli 2023 aan hem kan worden geleverd. Gelet hierop heeft de vrouw in deze fase geen (spoedeisend) belang meer bij een beoordeling van de door haar ingestelde vorderingen, zoals weergegeven in sub 3 tot en met 8 van het petitum. Deze vorderingen komen er – kort samengevat – immers op neer dat de man bij vonnis wordt veroordeeld tot het verlenen van zijn medewerking aan de verkoop en levering van de woning aan een derde (en alles wat daarbij komt kijken) en dat is nu nog niet aan de orde.



5.6.
Mocht blijken dat toebedeling van de woning aan de man niet binnen de gestelde termijnen kan worden gerealiseerd, en een van partijen geen medewerking verleent aan – kort samengevat – de verkoop en levering van de woning aan een derde, kan de meest gerede partij tot 1 augustus 2023 verzoeken om voortzetting van de behandeling van dit kort geding om een voorziening te treffen in de dan ontstane situatie.



5.7.
Het vorenstaande betekent dus dat enkel nog beslissing zal worden gegeven over het voorlopige gebruiksrecht van de woning en de daarmee gepaard gaande kosten.



5.8.
Nu voor de voorzieningenrechter voldoende duidelijk is dat partijen het gezamenlijk gebruik van de woning, gelet op de gespannen situatie tussen hen, niet kunnen hervatten, willen beide partijen met uitsluiting van de ander het gebruik van de woning. Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning en zijn in gelijke mate gerechtigd tot het gebruik van die woning. Bij de vraag welke partij het voortgezet gebruik van de woning toegewezen krijgt, gaat het om een belangenafweging waarbij alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.



5.9.
De vrouw heeft daartoe gesteld dat haar belang bij het voortgezet gebruik van de woning zwaarder weegt dan dat van de man. Volgens de vrouw heeft zij eind januari 2023 noodgedwongen de woning verlaten, omdat de escalaties tussen partijen hoog opliepen. Zij is tijdelijk bij een kennis in [plaats] ingetrokken en heeft haar dieren in de woning bij de man moeten achterlaten, omdat zij deze niet kon meenemen. Hoewel in de brief van 16 februari 2023 namens de man aan de vrouw is meegedeeld dat het de vrouw vrij staat om de dieren op te komen halen of te komen verzorgen op bepaalde door partijen nader overeen te komen tijdstippen per week, is de vrouw op 22 maart 2023 tot de ontdekking gekomen dat de man de sloten van de woning heeft vervangen waardoor de vrouw geen toegang meer heeft tot de woning. Vanaf die datum is zij dus niet langer in staat om zelf nog voor haar dieren te zorgen, terwijl ze anderzijds er ook geen vertrouwen in heeft dat de dieren goed worden verzorgd door de man. Op 24 maart 2023 heeft de vrouw vervolgens het bericht van de man gekregen dat zij de dieren vóór 30 maart 2023 moet ophalen, bij gebreke waarvan de man de dieren zal verwijderen. Aangezien de vrouw vreest dat de man haar dieren verwaarloost en zal wegdoen, heeft zij belang bij het voortgezet gebruik van de woning, omdat zij daar haar dieren de verzorging kan bieden die zij nodig hebben. Verder heeft de vrouw aangevoerd dat zij – anders dan de man – geen sociaal netwerk in of in de omgeving van [woonplaats] heeft. Zij woont nu tijdelijk bij haar vader in [plaats] . Als zij daar moet blijven zal dat bovendien problematisch worden voor het hulpverleningstraject dat zij thans in de regio [woonplaats] doorloopt in verband met haar psychische problemen.



5.10.
De man is van mening dat hij de meest gerede partij is om het uitsluitend gebruik van de woning toegewezen te krijgen en voert daartoe onder meer aan dat hij een eigen onderneming heeft, die volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven staat op het adres van de gezamenlijke woning. Daar bevinden zich al zijn gereedschappen en de man moet op dit adres bovendien bereikbaar zijn voor klanten en zakelijke relaties. De vrouw heeft gedurende de afgelopen twee maanden elders onderdak gevonden en de man heeft die mogelijkheid niet. Daar komt bij dat de vrouw met haar inkomen niet in staat is om de lasten met betrekking tot de gezamenlijke woning te betalen. Van de man kan niet worden verlangd dat hij de lasten voor haar blijft doorbetalen wanneer hij zelf de woning niet meer mag gebruiken. De man vreest dat bij toewijzing van het uitsluitend gebruik aan de vrouw, de hypotheeklasten niet (tijdig) worden betaald en partijen een BKR inschrijving krijgen. Als gevolg hiervan zal de man geen nieuwe hypotheeklening kunnen sluiten. Ook lopen partijen in dat geval het risico op een executoriale verkoop, aldus de man.



5.11.
Zowel de vrouw als de man hebben argumenten aangevoerd waarom juist zij/hij in de woning zou moeten blijven wonen. Deze argumenten vormen over en weer vooralsnog geen doorslaggevend belang voor de vraag aan wie bij uitsluiting van de ander het voortgezet gebruik van de woning kan worden toegekend. Om die reden zal de voorzieningenrechter in het kader van de belangenafweging betrekken datgene wat partijen op dit punt in hun samenlevingscontract zijn overeengekomen. In hoofdstuk 3.2 staat onder sub b vermeld dat ieder van de partners het recht heeft om bij beëindiging van de relatie nog gedurende drie maanden te wonen in de gezamenlijke woning.



5.12.
Gelet op de situatie waarin partijen nu verkeren, staat vast dat voortzetting van de samenwoning van partijen niet (meer) wenselijk is. Partijen hebben hun affectieve relatie met ingang van 1 februari 2023 al beëindigd. Vast staat ook dat de man al vanaf 28 januari 2023 de woning alleen bewoont en op 22 maart 2023 zonder aankondiging en dus buiten medeweten van de vrouw de sloten van de woning heeft gewijzigd, waarmee hij het de vrouw feitelijk onmogelijk heeft gemaakt om nog langer toegang te krijgen tot de woning waarvan zij nog steeds mede-eigenaar is. Daarmee heeft de man zich schuldig gemaakt aan eigenrichting en verwijtbaar gehandeld jegens de vrouw.



5.13.
De voorzieningenrechter zal gelet op het vorenstaande bij wijze van ordemaatregel bepalen dat de vrouw met ingang van 10 april 2023 voorlopig en met uitsluiting van de man gerechtigd is om de woning te gebruiken. De voorzieningenrechter zal de duur van het voorlopig gebruiksrecht beperken tot en met 18 juni 2023, zodat beide partijen met uitsluiting van de ander het gebruik van de woning over min of meer dezelfde periode in tijd hebben gehad. De vrouw dient de periode waarin zij het gebruik van de woning krijgt toebedeeld te benutten voor het vinden van een passende oplossing voor haar dieren. Ook wordt ervan uitgegaan dat de vrouw binnen redelijke grenzen rekening houdt met eventuele belemmeringen die met deze ordemaatregel voor de man ontstaan in het kader van zijn bedrijfsvoering.




5.14.
De door de vrouw gevorderde dwangsommen worden beperkt en gemaximeerd als volgt.



5.15.
Voor zover aan de vrouw het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning wordt toegewezen, vordert de man dat de vrouw bij vonnis wordt veroordeeld om aan hem te betalen een gebruiksvergoeding gelijk aan de helft van de door partijen aan de bank verschuldigde hypotheekrente en aflossing (€ 949,28 per maand) te vermeerderen met de helft van de door partijen verschuldigde BSOB-nota en opstalverzekeringspremie.



5.16.
Ingevolge artikel 3:172 BW delen de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht, tenzij een regeling anders bepaalt. De deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt moet die andere deelgenoot, die aldus verstoken is gebleven van het gebruik en genot, schadeloos stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. Daarbij dienen de redelijkheid en de billijkheid die de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten beheersen (artikel 3:166 lid 3 BW) tot maatstaf.



5.18.
De voorzieningenrechter acht het, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.17 is overwogen, in dit geval redelijk om de door de vrouw aan de man in beginsel te vergoeden bijdrage (over de periode vanaf 10 april 2023 tot en met 18 juni 2023) weg te strepen tegen de door de man aan de vrouw (in beginsel) te betalen gebruiksvergoeding in de periode vanaf 28 januari 2023 tot en met 9 april 2023), zodat zij over en weer in dit kader niets van elkaar te vorderen hebben.



5.19.
Het vorenstaande laat onverlet dat beide partijen nu zij ieder voor de helft tot de woning gerechtigd zijn ieder voor de helft in de uitgaven van de woning (zoals bijvoorbeeld de hypothecaire schuld, BSOB-nota en opstalverzekeringspremie) dienen bij te dragen. In zoverre is de vordering van de man – voor zover deze betrekking heeft op de helft van de door partijen verschuldigde BSOB-nota en opstalverzekeringspremie – toewijsbaar.



5.20.
Wellicht ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat partijen de hypothecaire schuld tezamen zijn aangegaan ter financiering van de woning die aan ieder van hen voor de onverdeelde helft in eigendom toebehoort. Gelet hierop gaat deze schuld partijen ieder voor de helft aan en dienen zij ieder voor de helft bij te dragen in de schuld en in de kosten. Partijen zijn aldus over en weer gehouden voor de helft bij te dragen aan de rente van de hypothecaire lening en of andere financiële verplichtingen ten aanzien van de gemeenschappelijke woning.



5.21.
De voorzieningenrechter houdt gelet op wat onder 5.6 is overwogen iedere verdere beslissing aan. Als de voorzieningenrechter voor 1 augustus 2023 geen verzoek tot voortzetting van de behandeling heeft ontvangen wordt dit kort geding als ingetrokken beschouwd.





6De beslissing


De voorzieningenrechter:




In conventie en in reconventie




6.1
verstaat dat partijen (zowel in conventie als in reconventie) een regeling met elkaar hebben getroffen zoals die hiervoor integraal is opgenomen in rechtsoverweging 5.4 en veroordeelt partijen tot naleving van deze regeling;



6.2
veroordeelt de man na betekening van dit vonnis om uiterlijk 10 april 2023 aan vrouw de sleutels van de woning af te geven en haar de toegang tot de woning te verschaffen;



6.3
bepaalt dat de vrouw na betekening van dit vonnis vanaf 10 april 2023 tot en met 18 juni 2023 met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de zich daar bevindende inboedel, met bevel aan de man om de woning te verlaten en verder niet meer te betreden, behoudens met voorafgaande toestemming van de vrouw;



6.4
veroordeelt de vrouw na betekening van dit vonnis om uiterlijk 18 juni 2023 of zoveel eerder dat de woning aan de man is geleverd aan man de sleutels van de woning af te geven en hem de toegang tot de woning te verschaffen,



6.5
bepaalt dat de man na betekening van dit vonnis vanaf 18 juni 2023 of zoveel eerder dat de woning aan de man is geleverd met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de zich daar bevindende inboedel, met bevel aan de vrouw om de woning te verlaten en verder niet meer te betreden, behoudens met voorafgaande toestemming van de man;



6.6
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 6.2 en 6.3 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt;



6.7
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 6.4 en 6.5 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt;



6.8
veroordeelt de vrouw om aan de man te voldoen de helft van de door partijen verschuldigde BSOB-nota en opstalverzekeringspremie;



6.9
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



6.10
houdt iedere verdere beslissing aan tot 1 augustus 2023.


Dit vonnis is gewezen door mr. T. Zuidema en door mr. W. Schoorlemmer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2023.