Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2023:203
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Rechtsverwerking. Vaststelling vordering in kader van ouderlijke boedelverdeling. Vader overleden in 1983, moeder overleden in 1993. Geschil betreft waardering aandelen in de onderneming van vader die door vader in 1970 zijn verkocht aan zus en broer van eiseres. Eiseres stelt dat waardering tegen een te laag bedrag heeft plaatsgevonden, dat haar legitieme is geschonden en dat zij een inkortingsvordering heeft. Op verzoek van eiseres is in 1995 een voorlopig deskundigenrapport uitgebracht over de waarde van de aandelen. Verjaring is in 2000 en 2002 gestuit namens eiseres. De dagvaarding is op 8 juni 2021 uitgebracht. In het incident vorderen de zus en de broer vorderen de zus en de broer van eiseres een verklaring voor recht dat de vorderingen van eiseres door tijdsverloop zijn verjaard dan wel dat het recht is verwerkt om de vorderingen in te stellen. In het incident wordt geoordeeld dat eiseres haar recht heeft verwerkt om de vorderingen in te stellen en in verband daarmee worden in de hoofdzaak de vorderingen afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (34.831 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/372677 / HA ZA 21-467
Vonnis in incident van 11 januari 2023
in de zaak van
[eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. R.L.G.J. Eikelboom te Maastricht,
tegen
1 [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2],
wonende te [woonplaats] , [land] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. G.C. Vergouwen te Eindhoven.
Partijen zullen hierna [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] , [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] genoemd worden.
1Inleiding en korte samenvatting
1.1.
De hoofdzaak is een erfrechtzaak. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] wil dat de omvang wordt vastgesteld van de vordering ingevolge de ouderlijke boedelverdeling op moeder (overleden in 1993) die als gevolg van het overlijden van vader (in 1983) is ontstaan.
In 1970 zijn aandelen in de onderneming van vader overgedragen aan broer [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en zus [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] . Volgens [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] zijn de aandelen toen te laag gewaardeerd. Zij vordert onder meer een verklaring voor recht dat haar legitieme is geschonden, vaststelling van de inkortingsvordering op [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] en betaling daarvan.
1.2.
In het incident vorderen [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] een verklaring voor recht dat de vorderingen van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] door tijdsverloop zijn verjaard, althans dat het recht is verwerkt om die vorderingen in te stellen.
1.3.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op rechtsverwerking slaagt.
De vorderingen van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] in de hoofdzaak worden daarom afgewezen.
2Hoe de procedure is verlopen
2.1.
Dit blijkt uit:
de dagvaarding van 8 juni 2021 met producties (1 tot en met 15)
de incidentele conclusie met daarin het beroep op verjaring en rechtsverwerking van 20 oktober 2021 met producties (1 tot en met 16)
de antwoordakte in het incident van 15 december 2021 met producties (16 tot en met 25)
de akte uitlating producties in het incident van 2 februari 2022
de brief van mr. Vergouwen van 1 november 2022 met daarbij producties (17 tot en met 23) voor de mondelinge behandeling.
2.2.
Op 14 november 2022 heeft de mondelinge behandeling (hierna: zitting) van het incident plaatsgevonden. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Mr. Eikelboom, [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] , en mr. Vergouwen hebben spreekaantekeningen overgelegd.
2.3.
Aan het einde van de zitting is bepaald dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan in het incident.
3De feiten
3.1.
Partijen zijn samen met hun zus [zus] (hierna: [zus] ) de kinderen van [vader] (vader) en [moeder] (moeder).
3.2.
Vader was eigenaar/directeur van [bedrijfsnaam] te [plaats] (hierna : [bedrijfsnaam] ).
3.3.
In 1970 wilde vader terugtreden uit het bedrijf. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] was toen werkzaam in het bedrijf, net als de echtgenoot van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] . Op 23 december 1970 zijn de aandelen [bedrijfsnaam] voor een totale waarde van f 942.000,- overgedragen aan [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] .
Aan [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] en [zus] is ander vermogen toebedeeld (onder andere vastgoed).
3.4.
Vader is in 1983 overleden. In zijn testament staat een ouderlijke boedelverdeling in de zin van artikel 1167 BW (oud) ten gunste van moeder.
3.5.
Moeder is op [datum] 1993 overleden. Haar testament bevat geen afwijking van de wettelijke erfopvolging.
3.6.
Na het overlijden van moeder heeft [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] voor zichzelf ervaren dat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] zijn bevoordeeld door de overdracht van de aandelen. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] vond daarvoor bevestiging in een in haar opdracht door registeraccountant M. Openneer uitgevoerde waardering van de aandelen [bedrijfsnaam] per ultimo 1970 zoals neergelegd in een brief van 1 december 1993.
3.7.
In juni 1994 heeft op verzoek van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] een voorlopig deskundigenonderzoek plaatsgevonden, bevolen door de rechtbank Breda.
3.8.
Op 28 november 1995 is het definitieve rapport van de deskundigen uitgebracht. Daarin wordt geconcludeerd dat de aandelen in 1970 een waarde hadden van f 2.400.000,-.
3.9.
De kosten van het deskundigenonderzoek bedroegen f 146.750,-. Deze kosten zijn voor rekening gekomen van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] .
3.10.
Op 4 mei 2000 heeft mr. Keijser namens [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] een brief gestuurd aan de toenmalige advocaat van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] :
“Hoewel de aanspraken van mijn cliënte jegens uw cliënten (…) niet kunnen verjaren, lijkt het mij toch zinvol dat ik, als is het maar om de schijn van rechtsverwerking te vermijden, nog eens duidelijk aanzeg dat cliënte haar aanspraken op afwikkeling van de nalatenschap als in grote lijnen uiteengezet in het destijds ingediende verzoekschrift bij de Arrondissementsrechtbank te Breda en de verdere correspondentie volledig en ondubbelzinnig handhaaft. Cliënte behoudt zich uitdrukkelijk alle rechten voor.”
3.11.
Ook op 30 juli 2002 heeft mr. Keijser een brief gestuurd aan de toenmalige advocaat van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] :
“Dit schrijven strekt slechts ter stuiting van verjaring, voorzover daarvan op enigerlei wijze sprake zou kunnen zijn. Dit in vervolg op eerdere brieven dit hetzelfde doel en dezelfde strekking hebben gehad.”
3.12.
Uit de brief van mr. Keijser van 18 maart 2004 aan de toenmalige advocaat van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] blijkt dat hij al geruime tijd niet meer optreedt als advocaat voor [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] .
3.13.
Bij brief van 14 februari 2016 heeft [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] aan [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] en haar echtgenoot onder meer het volgende geschreven:
“Jullie felicitatie bij de bruiloft van [A] en [B] hebben mij aan het denken gezet over de verwijdering tussen ons, die al zovele jaren bestaat en een mogelijke opening daarin. Natuurlijk weten we allemaal de reden daarvoor. Maar ik wil geen oude koeien uit de sloot halen en ik wil niet, om met [C] te spraken dat “het gesodemieter weer begint”, maar toch … wat ik wel wil is mijn verhaal kwijt. (…) [D] en ik hebben al eerder geprobeerd om contact met jullie te krijgen. Enkele jaren geleden hadden wij (…) gehoord dat jij, [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] , in een rolstoel zat en ik wilde heel graag weten hoe het met je ging. Maar wij hadden geen adres en telefoonnummer (meer)of twijfelden aan het juiste. Dus hebben wij geïnformeerd daarnaar. Dat werd ons echter door jullie niet in dank afgenomen want jullie antwoord was een boze brief met verwijten van een advocaat. Ik heb toen maar een boze brief teruggeschreven. Ik wilde en wil de zaak ook niet voor de rechter brengen, al konden we niet zonder rechter toen we een accountantsrapport wilden hebben.(…)
En als ik dan besef dat [E] en [F] en wij dus eigenlijk mede gezorgd hebben dat [bedrijfsnaam] verder is kunnen uitgroeien tot een miljoenenbedrijf dan zijn onze druiven wel heel erg zuur (…) En ik denk dat ik beter verdien. Ik vind dat mij onrecht is aangedaan. En ik denk dat jullie de enigen zijn die daar iets aan kunnen doen. (…)
De familieverhoudingen zijn tot nu toe niet goed gekomen. Maar ik zou het graag anders zien. Ik hoop dat jullie daar ook zo over denken. Geef me deze keer in elk geval wél antwoord.
[eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] ”
3.14.
Op 5 september 2019 heeft mr. P.J.A. van de Laar een brief gestuurd aan de advocaat van [naam] , de echtgenoot van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] :
“In opgemelde zaak wendde zich tot mij de heer [echtgenoot van eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] (…).
Cliënt betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen door is gesteld in de brief van 12 maart 2019.
Cliënt heeft zich derhalve niet aan onrechtmatige daad of handelen in strijd met de strafwetgeving schuldig gemaakt. (…) Cliënt wenst verder niet meer vals beschuldigd te worden en als zulks toch nog geschiedt zal hij passende maatregelen nemen.
Sans préjudice en onder reserve van alle rechten.”
3.15.
[echtgenoot van eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] is de echtgenoot van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] .
3.16.
Bij brief van 18 september 2019 schrijft E.I. Donskaia, die haar brief ondertekend als ‘Praktijkondersteuner huisarts GGZ’, over [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] onder meer:
“Mevrouw [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] komt bij mij in behandeling vanaf 15 mei 2018. Ze is langdurig depressief, angstig en voelt zich emotioneel niet goed. (…)De oorzaken ervan zijn: De door van haar vader in het verleden en de wijze waarop haar zwager de afwikkeling van een nalatenschap heeft bewerkstelligd. Het gedrag van de zwager van mevrouw [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] heeft de relatie binnen haar gezin onder de druk gezet. Haar echtgenoot wilde een rechtszaak aanspannen tegen de boengenoemde zwager maar mijn patiente heeft haar man steeds tegengehouden wegens loyaliteit aan haar zus”
3.17.
Op 17 mei 2021 heeft mr. C.F.N.M. De Boer RA RV in opdracht van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] een deskundigenrapport uitgebracht. Daarin zijn de aandelen per december 1970 op
f 22.225.000,- gewaardeerd.
3.18.
Op 21 oktober 2021 heeft notaris mr. P.A. van Onzenoort een verklaring van erfrecht afgegeven met betrekking tot de nalatenschap van moeder. Daaruit blijkt dat alle kinderen de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] , [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] en [zus] hebben verklaard in de uiterste wilsbeschikkingen van moeder te berusten.
4De vordering in de hoofdzaak
4.1.
[eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] vordert -samengevat-, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. De omvang vast te stellen van haar vorderingen ten tijde van het overlijden van moeder op [datum] 1993, meer specifiek de vordering ingevolgde de ouderlijke boedelverdeling op moeder, die op [datum] 1983 als gevolg van het overlijden van vader is ontstaan
II. Ter zake de vordering op moeder ingevolge de ouderlijke boedelverdeling, die als gevolg van het overlijden van haar vader is ontstaan, voor recht te verklaren dat haar legitieme is geschonden
III. De omvang van de inkortingsvordering op de bevoordeelden, [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] , overeenkomstig het rapport van deskundige De Boer van 17 mei 2021 vast te stellen op € 1.448.671, te vermeerderen met rente, dan wel vast te stellen op een nader te bepalen bedrag
en verder [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] , ieder hoofdelijk, des de een betalend de ander wordt geacht te zijn gekweten, te veroordelen tot betaling van:
IV. het onder III genoemde bedrag, te vermeerderen met rente, dan wel een nader te bepalen bedrag
V. een bedrag van € 33.191, - (zijnde 50% van het door [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] in 1995 betaalde bedrag aan deskundigenkosten van f 146.287,50), te vermeerderen met de wettelijke rente
VI. de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de nakosten.
4.2.
[gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] hebben in de hoofdzaak nog niet voor antwoord geconcludeerd.
5Het geschil in het incident
5.1.
[gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
( i) voor recht te verklaren, althans te constateren dat de door [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] ingestelde vorderingen, zijnde:
a. de vordering ingevolge de boedelverdeling (de onderbedelingsvordering)
b. het beroep op de legitieme, althans de daaruit voortvloeiende inkortingsvordering
c. de rentevordering
d. de vordering tot vergoeding van 50% van de kosten van het deskundigenbericht uit 1995
door tijdsverloop zijn verjaard, althans dat het recht is verwerkt om die vorderingen in te stellen
ii) Iedere met dat oordeel corresponderende beslissing te nemen ten aanzien van (afloop of voortgang van) de zaak ten gronde
iii) [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] te veroordelen in de (na)kosten, zowel in het incident als in de hoofdzaak.
5.2.
Aan deze vorderingen leggen [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] het volgende ten grondslag.
De dagvaarding is beoordeeld door prof. L.C.A. Verstappen. Zijn conclusie is dat de vorderingen zijn verjaard en dat daarnaast het recht is verwerkt om deze vorderingen aan de rechtbank voor te leggen. Uiterlijk op 31 december 2003 had een beroep moeten worden gedaan op de legitieme. Dit beroep kan worden ingelezen in het verzoekschrift van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] van juni 1994. Daarmee is (van rechtswege) een inkortingsvordering ontstaan.
De inkortingsvordering heeft op grond van overgangsrecht dat van toepassing is op artikel 4:1101 (oud) BW een verjaringstermijn van 20 jaar. Dit betekent dat de vordering in juni 2014 is verjaard, tenzij er schriftelijk zou zijn gestuit en dit iedere vijf jaar zou zijn herhaald. Er zijn twee stuitingsbrieven uit het jaar 2000 overgelegd, maar latere brieven ontbreken.
[eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] had sinds juni 1994 (indiening verzoekschrift) dan wel november 1995 (ontvangst deskundigenrapport) of [datum] 1993 (overlijden moeder) kennis van de schending van de legitieme, zodat van haar kon worden gevergd dat zij een vordering in zou stellen, althans het recht om dat te doen zou bewaken/verlengen. Die vordering is niet ingesteld, zodat sprake is van rechtsverwerking. Als gevolg van de vertraging is de bewijspositie van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] aanmerkelijk verslechterd. Veel uit de jaren 1970 en verder is verloren gegaan en herinneringen zijn door tijdsverloop vervaagd. De vorderingen van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] stuiten af op hetzij verjaring, hetzij rechtsverwerking. Dat is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.
5.3.
[eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] concludeert in het incident tot het niet ontvankelijk verklaren dan wel afwijzen van de (incidentele) vorderingen van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] , met veroordeling van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] in de kosten van het incident.
[eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] stelt dat zij legitimaris onder het oude erfrecht is zodat haar vorderingen niet kunnen verjaren. Mocht er wel sprake kunnen zijn van verjaring dan geldt een termijn van 30 jaar zoals opgenomen in artikel 4:1101 (oud) BW. Deze termijn kan niet worden verkort door de overgangswet Nieuw BW (1992) of de overgangswet Boek 4 Nieuw BW.
[eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] verwijst hiervoor naar de opinie van prof. M.J.A. van Mourik.
De verjaringstermijn is nog niet verstreken. Na de invoering van Boek 4 nieuw BW in 2003 hoefde de stuitingshandeling niet meer te worden herhaald.
Overigens is [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] blijven corresponderen met haar broer en zussen (en de notaris) zodat altijd duidelijk is geweest dat zij zich niet zou neerleggen bij de niet afgewikkelde nalatenschap en zich alle rechten voorbehield.
Het beroep op verjaring is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
[eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] is bijna onderdoor gegaan aan jarenlange familiestrijd. Er zijn kosten gemaakt voor deskundigen, advocaten en andere adviseurs. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] moest deze kosten zelf dragen en de gevolgen daarvan zijn groot geweest. Pas recent is het gelukt om een advocaat en een deskundige te vinden zodat de hoofdzaak kon worden gestart.
Ten slotte valt niet in te zien waarom er aan de zijde van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] sprake zou kunnen zijn van rechtsverwerking.
6De beoordeling in het incident
6.1.
[gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] stellen onder meer dat de vorderingen van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] niet meer kunnen worden ingesteld omdat sprake is van rechtsverwerking.
6.2.
Zij onderbouwen het beroep op rechtsverwerking als volgt. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] is door het deskundigenrapport van 1995 op de hoogte geraakt van haar inkortingsvordering. Zij heeft jaren gewacht met het instellen van een eis. Ook is het jaren geleden dat daarover voor het laatst werd gecorrespondeerd. Ook wijzen [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] op de hoge leeftijd van partijen ( [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] is geboren op [datum] 1941, [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] is geboren op [datum] 1939 en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] is geboren op [datum] 1943) en hun verslechterde bewijspositie.
6.3.
Volgens [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] is voor alle betrokkenen steeds duidelijk geweest dat zij zich nooit bij de situatie zou neerleggen. In haar ogen was de conclusie van de deskundigen in 1995 onjuist. In 1998 en 1999 heeft [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] andere deskundigen ingeschakeld, maar de kosten die daarmee gepaard gingen waren zo hoog dat deze uiteindelijk niet meer konden worden betaald. Ook valt niet in te zien waarom de executeur-testamentair en/of de boedelnotaris nooit is gekomen tot het vaststellen van de omvang van de legitimaire massa.
Redelijkheid en billijkheid en maatschappelijke betamelijkheid leiden er toe dat [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] er op had mogen vertrouwen dat zij dit tot hun taak rekenden.
6.4.
Volgens vaste rechtspraak vereist rechtsverwerking dat de gerechtigde zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht. Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn recht niet meer uitoefent of zal uitoefenen en de positie van de wederpartij onredelijk wordt benadeeld als de gerechtigde zijn recht alsnog uitoefent.
6.5.
Het verzoek van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht uit juni 1994 (zie hiervoor onder 3.7) maakt melding van door [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] gepretendeerde aanspraken tegenover [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] in verband met een schenking en daarmee samenhangende inkortingsvordering. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] heeft twee brieven uit 2000 en 2002 (zie r.o. 3.10 en 3.11) in het geding gebracht waaruit blijkt dat [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] op die momenten haar aanspraken handhaaft. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] heeft ook nog gewezen op de brief van 5 september 2019 (zie r.o. 3.14) maar die brief heeft blijkens de inhoud daarvan geen betrekking op de aanspraken van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] die in deze procedure aan de orde zijn.
[eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] stelt dat zij ook nog bij brieven uit 2009, 2015 en 2016, heeft gevraagd: “Kunnen we er geen punt achter zetten?”. Volgens [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] konden [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] daaruit afleiden dat zij haar vorderingen niet prijs zou geven. Tijdens de zitting heeft de advocaat van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] aangeboden om deze, bij hem niet bekende, brieven alsnog in te brengen.
Volgens [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] zijn er in 2009, 2015 en 2016 geen brieven geweest met de door [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] bedoelde strekking. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] hebben onweersproken gesteld dat zij (latere) stuitingsbrieven bij [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] hebben opgevraagd, dat zij die brieven niet hebben gekregen en dat hen is gezegd dat deze er niet meer waren.
De rechtbank zal [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] niet in de gelegenheid stellen nadere brieven als door haar bedoeld in het geding te brengen. Zij heeft niet alleen voldoende gelegenheid gehad om brieven bij dagvaarding of daarna in het geding te brengen maar ook onweersproken gelaten dat zij tegen [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] heeft gezegd dat die brieven er niet meer waren. Bovendien is zonder nadere toelichting niet duidelijk op grond waarvan [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] uit de vraag “Kunnen we er geen punt achter zetten?” zouden moeten kunnen afleiden dat zij haar vordering niet prijs zou geven.
6.6.
Op grond van hetgeen onder 6.5 is overwogen gaat de rechtbank ervan uit dat [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] na haar verzoek voorlopig deskundigenbericht uit juni 1994 en het daaropvolgend rapport van 28 november 1995 pas voor het eerst in 2000 en vervolgens in 2002 aan [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] te kennen heeft gegeven dat zij haar aanspraken die in het verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht zijn opgenomen, handhaaft. Vanaf 1995 is voor [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] duidelijk geweest dat de uitkomst van het deskundigenonderzoek impliceerde dat zij een vordering had. Enige concrete vordering is door haar na het rapport niet aan [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] gepresenteerd en evenmin in rechte ingesteld. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] heeft, tot aan het uitbrengen van de dagvaarding in deze procedure, geen stappen gezet om daadwerkelijk enige betaling van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] te verkrijgen. Ook dit tijdsverloop heeft er aan bijgedragen dat bij [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] de verwachting is gewekt dat [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] tegenover hen geen aanspraken meer pretendeerde dan wel geldend zou maken. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] wijst er nog op dat niet valt in te zien waarom zij in actie diende te komen, omdat zij er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat de legitimaire massa zou worden bepaald, de omvang van haar inkortingsvordering zou worden vastgesteld en de nalatenschap (ook die van moeder) volledig zou worden afgewikkeld. Deze actie ligt volledig aan de zijde van notaris De Vin en later notaris Van Onzenoort, die tot in detail op de hoogte waren van de bevindingen van de deskundigencommissie en de discussie over de omvang van de inkortingsvordering, aldus [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] .
Niet in geschil is dat de boedelnotaris en de executeur testamentair niet aan voormelde verwachtingen van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] hebben voldaan maar dat doet er niet aan af dat [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] door eerst een voorlopig deskundigenonderzoek te laten uitvoeren en vervolgens met het resultaat daarvan in de richting van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] niets te doen, er aan heeft bijgedragen dat bij [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] de verwachting werd gewekt dat zij haar aanspraken niet geldend zou maken. Indien [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] dat had willen voorkomen had zij eenvoudig [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] ervan in kennis kunnen stellen dat zij in afwachting was van het handelen van derden en dat haar aanspraken onverminderd bleven gelden. Daarvoor was zij niet afhankelijk van anderen.
6.7.
Bij brief van 9 april 2009 zijn [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] en haar echtgenoot door de advocaat van [naam] aangesproken op onjuiste en lasterlijke mededelingen die zij over [naam] zouden hebben gedaan. [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] en haar echtgenoot hebben bij brief van 16 april 2009 gereageerd. In die reactie wordt ook gerefereerd aan de aandelenoverdracht in 1970 en de nadelige financiële consequenties die dat voor hen heeft gehad. In die brief wordt op geen enkele wijze kenbaar gemaakt dat er in verband met die aandelenoverdracht en financiële consequenties nog aanspraken tegenover [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] geldend zullen worden gemaakt. De inhoud van de brief van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] van 14 februari 2016 (zie hiervoor onder 3.13) komt er juist op neer dat zij haar aanspraken niet meer geldend wenst te maken. Zij geeft aan alleen haar verhaal kwijt willen, geen oude koeien uit de sloot te willen halen, ‘het gesodemieter niet opnieuw te laten beginnen’ en de zaak niet voor de rechter te willen brengen. Uit deze mededelingen en het tijdsverloop als hiervoor onder 6.6 beschreven mochten [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] afleiden dat tegenover hen geen aanspraken meer geldend zou maken die samenhingen met de aandelenoverdracht uit 1970.
6.8.
Inmiddels is sprake van een tijdsverloop van ruim 27 jaar na het uitbrengen van het deskundigenrapport uit november 1995. Sinds de aandelenoverdracht zijn meer dan 52 jaren verstreken. In deze periode heeft [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] niet alleen onvoldoende kenbaar maakt dat zij haar aanspraken tegenover [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] wenste te handhaven maar bovendien aan hen te kennen gegeven dat niet meer te zullen doen. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] zijn hierdoor ernstig in hun belangen geschaad. Zoals [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] onweersproken hebben gesteld is immers door het tijdsverloop een eventuele nieuwe waardering van de aandelen en eventuele andere vermogensbestanddelen door deskundigen in het kader van deze procedure praktisch gezien vrijwel onmogelijk geworden.
[eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] heeft nog aangevoerd dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij niet voortvarender is opgetreden gelet op financiële en persoonlijke omstandigheden. Deze omstandigheden komen echter voor rekening en risico van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] . Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat die omstandigheden eraan in de weg hebben gestaan dat [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] aan [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] kenbaar heeft kunnen maken dat zij haar aanspraken handhaafde. Uit eerder genoemde brieven uit 2009 en 2016 blijkt immers dat [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] in staat was om met [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] te communiceren en niet valt in te zien waarom zij in die communicatie niet haar intenties tot het handhaven van haar aanspraken kenbaar had kunnen maken.
6.9.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden is er sprake van rechtsverwerking en acht de rechtbank een beroep van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] hierop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.
6.10.
Omdat het beroep op rechtsverwerking slaagt hoeft het beroep op verjaring niet te worden besproken.
6.11.
De vordering van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] in het incident wordt toegewezen zoals hierna gemeld.
6.12.
De rechtbank ziet in de familierelatie tussen partijen aanleiding de kosten van de procedure te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
7De beoordeling in de hoofdzaak
7.1.
De vorderingen van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] in de hoofdzaak worden afgewezen omdat het beroep van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 1] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in het incident 2] op rechtsverwerking slaagt.
7.2.
Ook in de hoofdzaak ziet de rechtbank aanleiding de kosten van de procedure te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
8De beslissing
De rechtbank
in het incident
8.1.
verklaart voor recht dat [eiseres in hoofdzaak, verweerster in het incident] het recht heeft verwerkt om de bij dagvaarding ingestelde vorderingen, zijnde
a. de vordering ingevolge de boedelverdeling (de onderbedelingsvordering)
b. het beroep op de legitieme, althans de daaruit voortvloeiende inkortingsvordering
c. de rentevordering
d. de vordering tot vergoeding van 50% van de kosten van het deskundigenbericht uit 1995
in te stellen,
8.2.
compenseert de kosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
8.3.
wijst het in het incident meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak
8.4.
wijst de vorderingen af,
8.5.
compenseert de kosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2023.