Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2022:3245

2022-08-03 Civiel recht C/01/381690 / HA ZA 22-250
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2022-08-03
Publicatiedatum
2022-08-03
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/01/381690 / HA ZA 22-250
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | TVA 2022/101

Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot onbevoegdheid. Vordering tot schadevergoeding in verband met niet deugdelijke nakomen van arbitraal vonnis. Anders dan eiseres stelt is dit geen executiegeschil en vindt 438 Rv geen toepassing. Arbitragebeding is op het geschil van toepassing.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.565 tekens)
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT


Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch




zaaknummer / rolnummer: C/01/381690 / HA ZA 22-250




Vonnis in incident van 3 augustus 2022




in de zaak van



de vereniging

DE VERENIGING VAN EIGENAARS POLDERZICHT KOOIKERSTRAAT 73-119,
gevestigd te Alphen aan de Rijn,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. A.G.E. Verbart te Tilburg,



tegen



de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid


[gedaagde]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. P. Koeslag te Schijndel.




Partijen worden hierna Polderzicht en [gedaagde] (beiden vrouwelijk, enkelvoud) genoemd.





1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding,


de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring,


de incidentele conclusie van antwoord.





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.





2De beoordeling in het incident

2.1.
Polderzicht vordert in de hoofdzaak, zakelijk weergegeven, een verklaring voor recht dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan hetgeen waartoe zij bij eerdere gewezen arbitraal vonnis (van 12 juni 2015) is veroordeeld en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding.



2.2.

[gedaagde] vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Polderzicht voert verweer in het incident. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



2.3.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen.



2.4.
Uit de stellingen van [gedaagde] volgt dat partijen een arbitraal beding (artikel 15 van de koop-/ aannemingsovereenkomst) zijn overeengekomen waaruit volgt dat alle geschillen tussen partijen worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage voor de Bouw (met uitzondering van enkele nader omschreven geschillen, in casu niet van toepassing). Polderzicht heeft niet betwist dat partijen artikel 15 van de koop-/ aannemingsovereenkomst zijn overeengekomen, noch de door [gedaagde] gestelde uitleg van dat beding.



2.5.
Anders dan Polderzicht meent is de rechtbank van oordeel dat artikel 438 Rv niet van toepassing is. Van een executiegeschil in de zin van dat artikel is namelijk geen sprake. Een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 lid 1 Rv is een geschil dat verband houdt met een (al dan niet dreigende) executie, dat wil zeggen de tenuitvoerlegging van een vonnis. Het onderhavige geschil gaat echter niet over de tenuitvoerlegging van een vonnis. Dat Polderzicht het eerder gewezen arbitrale vonnis aan haar vorderingen (de verklaring voor recht dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan het arbitraal vonnis en de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van schadevergoeding) ten grondslag legt is geen executie (/ tenuitvoerlegging) van dat vonnis. Omdat artikel 438 Rv niet van toepassing is verhindert dat artikel niet de toepasselijkheid van het overeengekomen arbitraal beding.



2.6.
Polderzicht betoogt verder in haar conclusie van antwoord in het incident dat en waarom zij rechten aan het eerder gewezen arbitraal vonnis kan ontlenen. De vraag of Polderzicht (en zo ja welke) rechten aan het eerder gewezen arbitraal vonnis kan ontlenen is een vraag die voorligt in de hoofdzaak. Dit betoog van Polderzicht staat toepassing van het arbitraal beding niet in de weg.



2.7.
Omdat partijen een arbitraal beding zijn overeengekomen dat ziet op het geschil in de hoofdzaak, verklaart de rechtbank zich op grond van artikel 1022 Rv onbevoegd.



2.8.
Polderzicht zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De rechtbank begroot de kosten van [gedaagde] tot op heden op € 563,00 voor salaris advocaat.



2.9.
Polderzicht zal in de proceskosten van de hoofdzaak worden veroordeeld, nu zij nodeloos kosten heeft veroorzaakt door die hoofdzaak bij de verkeerde rechter aanhangig te maken. De kosten aan de zijde van [gedaagde] in de hoofdzaak worden begroot op € 2.837,- voor betaald griffierecht.





3De beslissing
De rechtbank



in het incident



3.1.
wijst de vordering tot onbevoegdverklaring toe,



3.2.
veroordeelt Polderzicht in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 563,-,



3.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,



in de hoofdzaak




3.4.
verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,



3.5.
veroordeelt Polderzicht in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.837,00.


Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2022.