Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2021:6607
2021-12-07
Civiel recht
WR 21/034
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wraking. Toepassing artikel 5, tweede lid, aanhef en onder g, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant. De wrakingskamer heeft eerder beslist (WR 21/010) dat een nieuw wrakingsverzoek wegens misbruik van het instrument van wraking niet in behandeling wordt genomen. Daarom heeft de wrakingskamer verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in dit wrakingsverzoek.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.611 tekens)
beslissing
RECHTBANK OOST-BRABANT
Wrakingskamer
zaaknummer: WR 21/034
Beslissing van 7 december 2021
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek ex artikel 36 van het van Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van
[verzoeker] ,
hierna: verzoeker,
tegen
mr. A.G.M.H. Bennenbroek,
in diens hoedanigheid van kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant bij de behandeling van het verzoek met nummer 9575685 EJ VERZ 21-691,
hierna: de rechter.
1De procedure
De mondelinge behandeling van het verzoek met nummer 9575685 EJ VERZ 21-691 staat gepland op 8 december 2021 om 10:00 uur.
Bij e-mail van 6 december 2021 22:11 uur heeft verzoeker de rechter gewraakt. Hierop heeft de rechter op 7 december 2021 10:30 uur gereageerd.
2De beoordeling
2.1
De rechtbank kan het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting aanstonds niet-ontvankelijk verklaren indien ten aanzien van verzoeker in een eerdere beslissing op een wrakingsverzoek is bepaald dat wegens misbruik een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Dit volgt uit artikel 5, tweede lid, aanhef en onder g, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant, zoals dat per 1 april 2021 luidt.
2.2
Bij beslissing van 11 juni 2020 (met zaaknummer WR 20/010) heeft de rechtbank het door verzoeker op 11 april 2020 ingediende verzoek tot wraking van de rechter afgewezen en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen. Die beslissing is genomen op het wrakingsverzoek dat werd ingediend in het kader van een verzoek met kenmerk 7866011 EJ VERZ 19-321. Het onderhavige wrakingsverzoek houdt verband met de behandeling van een verzoek met kenmerk 9575685 EJ VERZ 21-691. Hoewel deze verzoeken een eigen kenmerk hebben, hebben ze betrekking op dezelfde procedure die aan de beoordeling van de rechter is voorgelegd, namelijk de afwikkeling van de nalatenschap van de ouders van verzoeker.
De rechtbank concludeert daarom dat het op 6 december 2021 ingediende wrakingsverzoek moet worden aangemerkt als een volgend wrakingsverzoek in de zin van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder g, van het wrakingsprotocol. Dit betekent dat het wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen. Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek.
2.3
Ter voorlichting wijst de rechtbank op artikel 5, derde lid, van het wrakingsprotocol. Op grond van die bepaling kan de rechter beslissen het wrakingsverzoek niet aan de wrakingskamer voor te leggen als zich de onder artikel 5, tweede lid, aanhef en onder g, van het wrakingsprotocol genoemde omstandigheid zich voordoet.
3De beslissing
De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven op 7 december 2021 door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter,
mr. I.L.A. Boer en mr. J.J. Jansen, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier.
voorzitter
De griffier is verhinderd de beslissing te ondertekenen.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39 lid 5 Rv).
RECHTBANK OOST-BRABANT
Wrakingskamer
zaaknummer: WR 21/034
Beslissing van 7 december 2021
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek ex artikel 36 van het van Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van
[verzoeker] ,
hierna: verzoeker,
tegen
mr. A.G.M.H. Bennenbroek,
in diens hoedanigheid van kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant bij de behandeling van het verzoek met nummer 9575685 EJ VERZ 21-691,
hierna: de rechter.
1De procedure
De mondelinge behandeling van het verzoek met nummer 9575685 EJ VERZ 21-691 staat gepland op 8 december 2021 om 10:00 uur.
Bij e-mail van 6 december 2021 22:11 uur heeft verzoeker de rechter gewraakt. Hierop heeft de rechter op 7 december 2021 10:30 uur gereageerd.
2De beoordeling
2.1
De rechtbank kan het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting aanstonds niet-ontvankelijk verklaren indien ten aanzien van verzoeker in een eerdere beslissing op een wrakingsverzoek is bepaald dat wegens misbruik een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Dit volgt uit artikel 5, tweede lid, aanhef en onder g, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant, zoals dat per 1 april 2021 luidt.
2.2
Bij beslissing van 11 juni 2020 (met zaaknummer WR 20/010) heeft de rechtbank het door verzoeker op 11 april 2020 ingediende verzoek tot wraking van de rechter afgewezen en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen. Die beslissing is genomen op het wrakingsverzoek dat werd ingediend in het kader van een verzoek met kenmerk 7866011 EJ VERZ 19-321. Het onderhavige wrakingsverzoek houdt verband met de behandeling van een verzoek met kenmerk 9575685 EJ VERZ 21-691. Hoewel deze verzoeken een eigen kenmerk hebben, hebben ze betrekking op dezelfde procedure die aan de beoordeling van de rechter is voorgelegd, namelijk de afwikkeling van de nalatenschap van de ouders van verzoeker.
De rechtbank concludeert daarom dat het op 6 december 2021 ingediende wrakingsverzoek moet worden aangemerkt als een volgend wrakingsverzoek in de zin van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder g, van het wrakingsprotocol. Dit betekent dat het wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen. Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek.
2.3
Ter voorlichting wijst de rechtbank op artikel 5, derde lid, van het wrakingsprotocol. Op grond van die bepaling kan de rechter beslissen het wrakingsverzoek niet aan de wrakingskamer voor te leggen als zich de onder artikel 5, tweede lid, aanhef en onder g, van het wrakingsprotocol genoemde omstandigheid zich voordoet.
3De beslissing
De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven op 7 december 2021 door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter,
mr. I.L.A. Boer en mr. J.J. Jansen, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier.
voorzitter
De griffier is verhinderd de beslissing te ondertekenen.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39 lid 5 Rv).