Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2019:7831

2019-07-19 Strafrecht 01-845650-18
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2019-07-19
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
01-845650-18
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk. Man maakte zich schuldig aan een poging tot doodslag door een ander met een hakbijl onder meer tegen het hoofd te slaan.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (35.869 tekens)
vonnis







RECHTBANK OOST-BRABANT


Strafrecht



Parketnummer: 01/845650-18 Parketnummer vordering: 01/845695-17 Datum uitspraak: 19 juli 2019



Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1982],
thans gedetineerd te: [verblijf plaats].



Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 maart 2019, 3 juni 2019 en 5 juli 2019.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.




De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 februari 2019.


Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 5 juli 2019 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:



1.

hij op of omstreeks 9 december 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om



[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,


meermaals met kracht met een (hak)bijl tegen het hoofd en/of richting het hoofd en/of de arm en/of de schouder, althans het lichaam van die voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;





Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:





hij op of omstreeks 9 december 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo,


aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een bloeduitstorting


op het hoofd en/of snijwond in de arm en/of een gescheurde pees (in de arm) en/of een gebroken arm, heeft toegebracht door meermaals met kracht met een (hak)bijl tegen het hoofd en/of richting het hoofd en/of de arm en/of de schouder, althans het lichaam van die voornoemde [slachtoffer] te slaan;




Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.



Parketnummer: 0 l/845650-18 2
Parketnummer vordering: 0 l/845695-17 [verdachte]











De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer O1/845695-17 is aangebracht bij vordering van 18 februari 2019. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te Oost-Brabant
d.d. 5 maart 2018. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.




De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.



Bewijs


Inleiding.

Op 9 december 2018 ontvangt de politie een melding van verdachte dat er op het adres [adres 1] te Geldrop een ruzie zou zijn geweest. [slachtoffer] zou daar aan de deur zijn gekomen, een mes getrokken hebben en iemand zou daarbij licht verwond zijn.
Even later komt er een melding van de spoedeisende hulp van het ziekenhuis te Geldrop dat [slachtoffer] daar gewond binnengebracht was door twee getuigen. [slachtoffer] verklaart tegenover de verbalisanten dat hij bij [plaats 1] te Geldrop met een hakbijl mishandeld is door [verdachte] (verdachte) en een andere persoon, waarbij hij na de eerste slag met de bijl direct merkte dat zijn onderarm gebroken was. Hierop wordt verdachte door de politie aangehouden. Aan verdachte is ten laste gelegde dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag (primair) dan wel aan een zware mishandeling (subsidiair).




Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op grond van de bewijsmiddelen zoals aangehaald in zijn schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde poging doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de getuigen als betrouwbaar aangemerkt moeten worden.




Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsvrouwe is vrijspraak voor de primair ten laste gelegde poging doodslag bepleit op de in de schriftelijke pleitnota aangevoerde gronden. Kort gezegd heeft zij zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen vanwege het ontbreken van een aanmerkelijke kans op de dood. Ook kan niet worden bewezen dat verdachte opzet daarop heeft gehad nu de verklaringen [benadeelde 1], [getuige] en [benadeelde 2] niet als betrouwbaar kunnen worden beoordeeld.




Het oordeel van de rechtbank. 1
De rechtbank baseert haar oordeel op de navolgende bewijsmiddelen.








1 Wanneer hierna\\ ordi verwezen naar een proces-, erbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-
\ erbaal, opgemaakt in de \\ettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant. districtsrecherche Helmond. nummer [nummer]. onderzoeksnaam
·[naam 1]'. aantal pagina·s: 282. Waar \\Ordi vernezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.







Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 12 december 2018 (p. 21-24), voor zover inhoudende:

Ik doe aangifte van poging doodslag/zware mishandeling op 9 december 2018 te Geldrop. Op zondagmiddag ben ik samen met [benadeelde 1] (de rechtbank begrijpt: [benadeelde 1]) naar Geldrop gereden. Op een bepaald moment begon het te regenen en zijn we onder een afdakje gaan staan bij [plaats 1]. Op een bepaald moment zag ik [verdachte] aankomen.
Toen ik in zijn richting liep, hoorde ik dat [verdachte] van alles tegen mij begon te roepen. Ik zag dat hij vervolgens wegreed met een scootertje.
Kort daarop kwamen er twee personen aangelopen. Ik zag dat dit [verdachte] was samen met een mij onbekend persoon. Ik zag dat [verdachte] naar mij toe kwam gelopen en ik zag dat hij een soort van hakbijl in zijn handen had. Ik zag dat [verdachte] mij nog meer naderde en mij vrijwel meteen vol met die hakbijl op mij insloeg. Hij probeerde mij met die bijl op mijn hoofd te slaan. Maar die slag weerde ik af met mijn arm. Ik voelde eigenlijk meteen dat mijn arm, waarmee ik afweerde gebroken was. Ik voelde en zag dat [verdachte] nog een aantal keren uithaalde met die bijl. Ik heb getracht om die slagen af te weren maar dat lukte mij niet. Hij heeft mij geraakt op mijn rechteronderarm, diverse keren op het hoofd en zoals gezegd op mijn linkerarm waarvan u ziet dat die nu in een mitella hangt.



Tengevolge van de klappen heb ik veel pijn ondervonden. Heel mijn kleding zat onder het bloed. Heel mijn hoofd zat onder het bloed wat ook in mijn ogen liep. Op een gegeven moment hield [verdachte] op met op mij inslaan en ik zag dat [verdachte] samen met die andere persoon weg rende een gangetje in. Ik zag twee oudere mensen in een auto aan komen rijden. Die heb ik aangesproken en die mensen hebben mij vervolgens naar het ziekenhuis gebracht.




Een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer], geboren 23 november 1973 (p. 27), voor zover inhoudende:

Op 9 december 2018 uitwendig waargenomen letsel:
Mishandeling: met bijl op linker onderarm geslagen. Tevens verwondingen hoofd en linker bovenarm.
Bloeduitstorting links op hoofd. Wond 2 cm onderarm recht. Botbreuk onderarm rechts en peesletsel onderarm.
Uitwendig bloedverlies? : ja Gering? :ja
Overige van belang zijnde informatie:
Operatie 14/12 plaat. .. (on!eesbaar) onderarm rechts+ peeshechting Geschatte duur van de genezing: +/- -3 mnden




Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 9 december 2018 (p. 115-116), voor zover inhoudende:

Op zondag 9 december omstreeks 15:00 uur reden mijn vrouw en ik vanaf de Gamma in Geldrop. In de scherpe bocht ter hoogte van [plaats 1] zagen wij drie personen staan. Wij zagen dat twee personen ruzie hadden met een andere man. Ik zag dat een man met een grijze helm op een bijltje in zijn hand had.
Ik vermoed dat dit hakbijltje ongeveer 30-40 centimeter lang was. Ik zag de man met het bijltje de andere man aan het slaan was met de scherpe kant van de bijl. Ik zag dat het slachtoffer zich verweerde met zijn armen. Het slachtoffer wilde het bijltje afpakken van de dader, echter lukte dit niet. Ik zag dat de persoon meerdere malen en met kracht op het slachtoffer sloeg met de bijl. Ik zag dat de man verwonding had op zijn armen en hoofd. Ik






zag dat het bloed uit het hoofd van de man kwam gelopen. De kleding van het slachtoffer was kapot gegaan door het slaan met de bijl. Ik was bang dat de man met de bijl de andere man dood zou slaan. Ik stopte mijn auto en zag dat de drie mannen richting de parkeerplaats van [plaats 1] liepen. Ik zag dat de derde man met kracht op het slachtoffer insloeg en zag dat hij met kracht op het slachtoffer schopte. Ik zag dat hij meerdere malen sloeg en schopte. Kort daarna liep de man met de helm richting een brandgang tegenover de parkeerplaats van [plaats 1]. De andere man weet ik niet meer waar die gebleven was. Alle betrokkenen waren hard tegen elkaar aan het schreeuwen. Ik weet niet wat ze precies riepen omdat ik in de auto zat.
Toen het slachtoffer niet meer werd aangevallen heb ik hem in laten stappen en zijn
wij naar het ziekenhuis gereden.




Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 maart 20192 (los, 4 pag.), voor zover inhoudende:

Op 9 december 2018 om 13.59 uur was er een (telefoon)gesprek tussen [slachtoffer] en [naam 2].

[slachtoffer] uitte bedreigingen dat hij langs wilde komen. [medeverdachte] had hem al voorbij zien rijden op de scooter. Ik heb toen de scooter uit de schuur gehaald en ben een rondje gaan rijden. Ik had toen de hakbijl bij mij toen ik dat rondje ging rijden. Ik reed naar de Bleekvelden en zag daar twee mensen. Ik spreek die ene jongen aan en vroeg hem waar [slachtoffer] was. Die jongen knikte met zijn gezicht naar de richting waar [slachtoffer] was. Ik keek toen om en zag [slachtoffer] staan. Ik ben toen terug naar huis gereden. Ik heb [medeverdachte] opgehaald en gezegd jaag jij dat kleine mannetje maar weg. Ik ben toen met [medeverdachte] door het pad gereden. Daar hebben we onze scooter weggezet en het laatste stukje hebben we gelopen. [slachtoffer] zei toen zoiets van met een hakbijl dan kom maar eens op. Ik had dat niet verwacht dat hij op mij af kwam omdat ik die hakbijl had. Ik heb hem de eerste keren ook niet geraakt. Ik gebruikte het meer om te dreigen zodat hij zou stoppen. Ik heb hem misschien twee keer geraakt met de achterzijde van de bijl.




Nadere bewijsovenveging

De rechtbank verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsvrouwe en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft met een hakbijl meerdere slaande bewegingen gemaakt tegen en in de richting van het hoofd van [slachtoffer]. Hij heeft daarbij, getuige de bij [slachtoffer]
geconstateerde bloeduitstorting op het hoofd, in ieder geval eenmaal het hoofd van [slachtoffer] geraakt. Ook heeft hij tenminste eenmaal de ann van [slachtoffer] geraakt die daardoor is gebroken. Deze breuk toont naar het oordeel van de rechtbank aan dat verdachte met behoorlijke kracht moet hebben geslagen.



Door meerdere malen met kracht met een hakbijl tegen en/ofrichting het hoofd van een ander te slaan bestaat, naar algemene ervaringsregels, een aanmerkelijke kans dat die persoon letsel oploopt waarvan de dood het gevolg kan zijn. Het hoofd is immers een kwetsbaar onderdeel van het lichaam dat vitale functies herbergt. Dat in dit geval het slachtoffer niet zwaarder gewond is geraakt aan zijn hoofd is niet aan het handelen van verdachte te danken geweest, maar aan het feit dat het slachtoffer zich met zijn armen heeft proberen afte weren. Hierbij maakt het naar het oordeel van de rechtbank geen verschil of verdachte al dan niet met de scherpe kant van de bijl heeft geslagen. In beide gevallen







2 Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 maart 2019, los, aantal pagina's 4.






bestond de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zou komen te overlijden ten gevolge van het handelen door verdachte. Ook is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte zich bewust is geweest van deze aanmerkelijke kans. Daaruit volgt dat bij verdachte in ieder geval sprake is geweest van voorwaardelijk opzet gericht op de dood van [slachtoffer].
Hetgeen door de raadsvrouwe omtrent de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen is aangevoerd, geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid daarvan. De aangifte van [slachtoffer] en de verklaring van [getuige] worden ondersteund door andere onderzoeksbevindingen zoals de medische verklaring en de camerabeelden.




De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte


1.

op 9 december 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, ter uitvoering van


het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermaals met kracht met een (hak)bijl tegen het hoofd en lof richting het hoofd en/of de arm van die voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;




Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.





De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.




De strafbaarheid van verdachte.


Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van oordeel dat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit en dat een beroep op noodweerexces niet kan slagen omdat er geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding plaatsvond en voor verdachte voldoende gelegenheid bestond zich aan een mogelijke geweldsescalatie te onttrekken.




Het standpunt van de verdediging.

Door de verdediging is een beroep gedaan op noodweerexces omdat verdachte zich heeft getracht te verdedigen tegen [slachtoffer]. [slachtoffer] had van tevoren al dreigementen geuit via de telefoon en verdachte was ermee bekend dat [slachtoffer] agressief gedrag kon vertonen en ook niet aarzelde om hierbij wapens in te zetten.




Het oordeel van de rechtbank.







De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweerexces in de eerste plaats vast moet komen te staan dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel van een onmiddellijke dreiging daartoe.



Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van het slachtoffer niet
worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van (eigen of eens anders) lijf, eerbaarheid of goed of een dreiging daartoe en slaagt reeds hierom het verweer van de verdediging niet. Immers blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte, met een hakbijl bij zich, rond is gaan rijden op zoek naar het slachtoffer. Toen hij het slachtoffer bij de [plaats 1] had gelokaliseerd, is hij een ander gaan ophalen en zijn zij samen op het slachtoffer afgestapt. Vervolgens is er een worsteling c.q. gevecht ontstaan waarbij het ongewapende slachtoffer heeft getracht de hakbijl van verdachte af te pakken.
Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dan ook dat verdachte willens en wetens en op agressieve wijze de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het verweer verwerpt.



Er zijn naar het oordeel van de rechtbank ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.







Oplegging van straf en/of maatregel.



De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar gevorderd waarvan l jaar voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel dienen de voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 12 maart 2019.



Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.




Het standpunt van de verdediging.

Op de in haar pleitnota aangevoerde gronden heeft de raadsvrouwe verzocht, indien vrijspraak voor het primair ten laste gelegde feit volgt, te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Dit gelet op de positieve ontwikkelingen die er bij verdachte te bespeuren zijn. Mocht de rechtbank komen tot een veroordeling voor het primaire feit dan zou, mede gelet op het eigen aandeel van het slachtoffer, kunnen worden volstaan met een gevangenisstraf van 12 maanden.




Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.



De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.



Verdachte heeft een ernstig feit gepleegd door meermalen met een hakbijl tegen en richting het hoofd van het slachtoffer te slaan. Het slachtoffer heeft daardoor letsel opgelopen en mag van geluk spreken dat hij niet dodelijk is verwond. De verdachte heeft met zijn daad een ernstig gebrek aan respect voor het menselijk leven getoond en een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het zeer gewelddadige karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om zwaar geweld tegen een ander te gebruiken. Het handelen van verdachte heeft bij het slachtoffer fors lichamelijk letsel opgeleverd waarvan het nog onduidelijk is of, en in hoeverre, het slachtoffer hiervan zal herstellen, zo blijkt onder andere uit de toelichting op de vordering benadeelde partij. Daarnaast heeft het incident zich voorgedaan op de openbare weg en zijn er willekeurige andere personen getuige van dit gewelddadige incident geweest. Deze getuigen hebben verklaard dat zij dachten dat het slachtoffer gedood zou worden. Dit draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.



Ook rekent de rechtbank verdachte zwaar aan dat hij zijn minderjarige stiefzoon heeft betrokken bij het conflict met slachtoffer [slachtoffer] door hem doelbewust mee te nemen naar de confrontatie met [slachtoffer].






Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte, zo blijkt uit het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, reeds meermalen werd veroordeeld voor geweldsdelicten. Daarnaast heeft
verdachte het onderhavige strafbare feit gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling.
Verder heeft de rechtbank gelet op het door de reclassering opgemaakte rapport betreffende verdachte van 12 maart 2019. De reclassering constateert dat er op diverse gebieden risico's zichtbaar zijn. Zo heeft betrokkene momenteel geen eigen huisvesting en buiten de contacten met de hulpverlenende instellingen geen structurele dagbesteding. Er is sprake van een laag inkomen en betrokkene heeft geen idee hoe hij zijn eigen financiën moet beheren. Daarnaast was er sprake van relatieproblemen en inmiddels zou de relatie verbroken zijn. Bij betrokkene werd door een Pro Justitia rapporteur in januari 2018 geconstateerd dat in zijn persoonlijkheid antisociale, narcistische, borderline en afhankelijke elementen te onderscheiden zijn, maar niet zodanig dat tot een specifieke persoonlijkheidsstoornis besloten kan worden. Gesteld werd dat het persoonlijkheidsaspect niet goed te onderscheiden valt van de alcoholproblematiek van betrokkene. In het verleden is het alcoholgebruik een belangrijke trigger geweest voor delictgedrag.
Beschermende factoren zijn naar het oordeel van de reclassering eveneens aanwezig.
Positief is dat betrokkene met hulp van de reclassering en behandelaren van [naam 3] bezig was zijn leven verder op de rit te krijgen. Hij is al maanden abstinent van alcohol en zeer gemotiveerd om dit vol te houden. Aan stabiliteit op andere leefgebieden werd eveneens gewerkt. Betrokkene verbleef bij een vriend en zou voorafgaand aan onderhavige verdenking zicht hebben gehad op huisvesting bij [plaats 2]. Betrokkene toonde inzet om aan zijn problemen te werken en delictgedrag achterwege te laten. Het feit dat er sprake is van een gemiddelde intelligentie, inzicht in zijn problemen en betrokkene openstaat voor hulp om deze problemen aan te pakken maakt dat het perspectief ten aanzien van het terugdringen van de kans op recidive positief is.
De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf omdat zij van mening is dat voor het terugdringen van recidive het voortzetten van de begeleiding van de reclassering, behandeling bij [naam 3] en een begeleid/beschermd wonen traject indien nodig aangevuld met ambulante woonbegeleiding noodzakelijk zijn om de kans op recidive in algemene zin te verminderen. Het is van belang dat betrokkene eigen huisvesting krijgt, zijn eigen financiën leert te beheren, abstinent blijft van middelen en daarnaast werkt aan zijn coping in geval van conflictsituaties.
In verband met een juiste normhandhaving kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar. De rechtbank zal deze gevangenisstraf straf voor een gedeelte van 1 jaar voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.



De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.







De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].


Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schadevergoeding gematigd dient te worden tot€ 160,00 en dat het voorschot voor de immateriële schade op€ 2.500,00 vastgesteld dient te worden. De officier van justitie vordert tevens oplegging van de wettelijke rente en schademaatregel. De gevorderde proceskosten zijn eveneens voor toewijzing vatbaar.




Het standpunt van de verdediging.

Primair heeft de raadsvrouwe niet-ontvankelijkheid van de vordering bepleit gelet op het gevoerde noodweerexcesverweer. Subsidiair heeft de raadsvrouwe bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van zowel de materiële als immateriële schade als de opgevoerde proceskosten.




Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding van € 1.500,00 en materiële schadevergoeding van € 85,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Gelet op de aard van het letsel wordt immateriële schade door de rechtbank thans geschat op€ 1.500,00. De materiële schade is door de rechtbank geschat op€ 25,00 voor de trui, € 10,00 voor de muts en € 50,00 voor de jas. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat de omvang van de schade door de strafrechter - in tegenstelling tot de burgerlijke rechter - nimmer voorlopig (en dus bij wijze van voorschot zoals gevorderd) kan worden begroot (HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8963).



De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van de meer gevorderde immateriële en materiële schadevergoeding. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit onder meer aangezien nadere bewijstukken thans ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.



De rechtbank zal verdachte veroordelen in de advocaatkosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op€ 653,40.



Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.




Schadevergoedingsmaatregel.






De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.



Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.




Motivering van de beslissing na voonvaardelijke veroordeling 01/845695-17.


Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht om toewijzing van de vordering.




Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het advies van de reclassering.




Het oordeel van de rechtbank.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.





Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.






DE UITSPRAAK



De rechtbank:


Verklaart hetten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.



Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.



Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:




primair


poging tot doodslag




Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. primair:


Gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.



Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en



Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;
- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd bij de reclassering van

[naam 3] te Eindhoven zal melden, zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zich laat behandelen door de forensische zorg van [naam 3] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde dient zich tijdens de behandeling te houden aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;
- zal verblijven bij [plaats 2] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duur de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde dient zich hierbij te houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- zich zal onthouden van het gebruik van alcohol en zal meewerken aan controle op dit alcoholverbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest);






- zal meewerken, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht, aan ambulante woonbegeleiding en/of andere interventies geïndiceerd door de reclassering ten behoeve van het aanleren van vaardigheden op het gebied van administratie en financiën.



waarbij de Reclassering Nederland, Regio Zuid, [adres 2] te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, waarbij heeft te gelden dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel I van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en hij zijn medewerking verleent aan
het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.




T.a.v. primair:


Maatregel van schadevergoeding van€ 1.585,00 subsidiair 25 dagen hechtenis



Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van€ 1.585,00 (zegge: eenduizendvijfhonderdvijfentachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal
te vervangen door 25 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.500,00 immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 85,00 materiële
schadevergoeding.
De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.



Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van€ 1.585,00, te weten€ 1.500,00 immateriële schadevergoeding en€ 85,00 materiële schadevergoeding.
Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.



Veroordeelt verdachte tevens in de advocaatkosten van de benadeelde partij tot heden begroot op€ 653,40.



Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.



Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.



Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting






vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.




Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant d.d. 5 maart 2018, gewezen onder parketnummer 01/845695-17, te weten:
Gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen








Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,
mr. J.H.L.M. Snijders en mr. J.O.Y. Elagab, leden, in tegenwoordigheid van S.A.Nuyens, griffier,
en is uitgesproken op 19 juli 2019.