Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2019:7828
2019-12-12
Civiel recht
WR 19/042
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wraking. Niet-ontvankelijk omdat het verzoek is gedaan na de einduitspraak
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.647 tekens)
beslissing
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Wrakingskamer
Zaaknummer: WR 19/042
Beslissing van 12 december 2019
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster]
, wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. J.W. Brunt,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1Procesverloop
De Stichting Jeugdbescherming Brabant heeft verzoekster op 4 september 2019 een schriftelijke aanwijzing gegeven over de verzorging en opvoeding van haar zoon [naam] . Verzoekster heeft de rechtbank verzocht die aanwijzing vervallen te verklaren. Dit verzoek, dat bij de rechtbank is binnengekomen op 26 september 2019, is geregistreerd onder zaaknummer C/01/351291 / JE RK 19-1531.
De rechter heeft op 15 november 2019 beschikt op het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 4 september 2019 en die aanwijzing bekrachtigd. Hierna, bij brief van 25 november 2019, die bij de rechtbank op 2 december 2019 is binnengekomen, heeft verzoekster, die partij is bij voormelde zaak, de rechter gewraakt.
2De beoordeling van het wrakingsverzoek
Het wrakingsverzoek is gedaan nadat de rechter op het verzoek (met zaaknummer C/01/351291 / JE RK 19-1531) heeft beschikt. De wet voorziet echter niet in de mogelijkheid van wraking nadat is beschikt op een verzoek. Om die reden kan verzoekster niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen. Voor een behandeling van het verzoek ter zitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling (artikel 39 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het wrakingsverzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
3De beslissing
De wrakingskamer verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, mr. G.J. Roeterdink en mr. V.R. de Meyere, leden, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen voorziening open (artikel 39 lid 5 Rv)
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Wrakingskamer
Zaaknummer: WR 19/042
Beslissing van 12 december 2019
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster]
, wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. J.W. Brunt,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1Procesverloop
De Stichting Jeugdbescherming Brabant heeft verzoekster op 4 september 2019 een schriftelijke aanwijzing gegeven over de verzorging en opvoeding van haar zoon [naam] . Verzoekster heeft de rechtbank verzocht die aanwijzing vervallen te verklaren. Dit verzoek, dat bij de rechtbank is binnengekomen op 26 september 2019, is geregistreerd onder zaaknummer C/01/351291 / JE RK 19-1531.
De rechter heeft op 15 november 2019 beschikt op het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 4 september 2019 en die aanwijzing bekrachtigd. Hierna, bij brief van 25 november 2019, die bij de rechtbank op 2 december 2019 is binnengekomen, heeft verzoekster, die partij is bij voormelde zaak, de rechter gewraakt.
2De beoordeling van het wrakingsverzoek
Het wrakingsverzoek is gedaan nadat de rechter op het verzoek (met zaaknummer C/01/351291 / JE RK 19-1531) heeft beschikt. De wet voorziet echter niet in de mogelijkheid van wraking nadat is beschikt op een verzoek. Om die reden kan verzoekster niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen. Voor een behandeling van het verzoek ter zitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling (artikel 39 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het wrakingsverzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
3De beslissing
De wrakingskamer verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, mr. G.J. Roeterdink en mr. V.R. de Meyere, leden, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen voorziening open (artikel 39 lid 5 Rv)