Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2019:7805
2019-01-18
Civiel recht
WR 19/004
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wraking. Verzoek is niet onderbouwd en te laat gedaan
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.989 tekens)
beslissing
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Wrakingskamer
Zaaknummer: WR 19/004
Beslissing van de wrakingskamer van 18 januari 2019
op het verzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van
[verzoekster]
, verzoekster tot wraking,
dat strekt tot wraking van mr. A.H.L. Roosmale Nepveu, in zijn hoedanigheid van voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant bij de behandeling van het kort geding met zaak-/rolnummer C/01/340374 / KG ZA 18-669.
Partijen zullen hierna [naam] en de rechter worden genoemd.
1Procesverloop
In het kort geding is [naam] één van de gedaagde partijen. Het kort geding is op
17 december 2018 ter zitting behandeld. [naam] is daarbij niet verschenen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechter partijen meegedeeld dat hij
14 januari 2019 vonnis zal wijzen.
Bij faxbericht van 12 januari 2019 heeft [naam] de rechter gewraakt. Het wrakingsverzoek is gedateerd 13 januari 2019. Op grond van de hiernavolgende overwegingen is afgezien van een behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting.
2De beoordeling van het wrakingsverzoek
In het wrakingsverzoek heeft [naam] aangegeven dat haar broer tijdens de zitting niet het woord heeft mogen voeren als haar gemachtigde en gesteld dat de rechter zeer partijdig is gebleken. Concrete omstandigheden waarop deze stelling is gebaseerd zijn niet vermeld.
De wet schrijft voor dat het wrakingsverzoek wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aanleiding gaven tot het wrakingsverzoek bekend zijn geworden en dat deze tegelijk moeten worden voorgedragen (artikel 37 Rv). Het eerst op 12 januari 2019 ingediende wrakingsverzoek, dat is gericht tegen het optreden van de rechter tijdens de zitting van 17 december 2018, voldoet niet aan deze voorschriften. Om die reden kan
[naam] niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen en zal het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling (artikel 39 Rv) is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het wrakingsverzoek. Aan dat debat wordt echter, gelet op de voorgaande overwegingen, niet toegekomen.
3De beslissing
De wrakingskamer verklaart het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019 in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.
griffier voorzitter
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Wrakingskamer
Zaaknummer: WR 19/004
Beslissing van de wrakingskamer van 18 januari 2019
op het verzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van
[verzoekster]
, verzoekster tot wraking,
dat strekt tot wraking van mr. A.H.L. Roosmale Nepveu, in zijn hoedanigheid van voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant bij de behandeling van het kort geding met zaak-/rolnummer C/01/340374 / KG ZA 18-669.
Partijen zullen hierna [naam] en de rechter worden genoemd.
1Procesverloop
In het kort geding is [naam] één van de gedaagde partijen. Het kort geding is op
17 december 2018 ter zitting behandeld. [naam] is daarbij niet verschenen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechter partijen meegedeeld dat hij
14 januari 2019 vonnis zal wijzen.
Bij faxbericht van 12 januari 2019 heeft [naam] de rechter gewraakt. Het wrakingsverzoek is gedateerd 13 januari 2019. Op grond van de hiernavolgende overwegingen is afgezien van een behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting.
2De beoordeling van het wrakingsverzoek
In het wrakingsverzoek heeft [naam] aangegeven dat haar broer tijdens de zitting niet het woord heeft mogen voeren als haar gemachtigde en gesteld dat de rechter zeer partijdig is gebleken. Concrete omstandigheden waarop deze stelling is gebaseerd zijn niet vermeld.
De wet schrijft voor dat het wrakingsverzoek wordt gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aanleiding gaven tot het wrakingsverzoek bekend zijn geworden en dat deze tegelijk moeten worden voorgedragen (artikel 37 Rv). Het eerst op 12 januari 2019 ingediende wrakingsverzoek, dat is gericht tegen het optreden van de rechter tijdens de zitting van 17 december 2018, voldoet niet aan deze voorschriften. Om die reden kan
[naam] niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen en zal het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling (artikel 39 Rv) is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het wrakingsverzoek. Aan dat debat wordt echter, gelet op de voorgaande overwegingen, niet toegekomen.
3De beslissing
De wrakingskamer verklaart het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019 in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.
griffier voorzitter