Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2018:6766
2018-09-10
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
18/887
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Jeugdwet. Niet-tijdig beslissen. Beroep gegrond. Het college moet binnen zes weken een besluit op de aanvraag om pgb nemen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2014:2325 Centrale Raad van Beroep 08-07-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.925 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 18/887
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 10 september 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser (hierna: [eiser] ),
wettelijk vertegenwoordigd door [naam] (moeder),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder
(gemachtigde: [naam] ).
Procesverloop
De ouders van [eiser] hebben op 13 april 2018 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om een persoonsgebonden budget (pgb) voor jeugdhulp.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd en de stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2018. [eiser] is niet verschenen, maar vertegenwoordigd door zijn wettelijk vertegenwoordiger. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook is verschenen [naam] .
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet nemen van een besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van deze uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag om pgb;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,00 aan eiser te vergoeden.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. [eiser] , geboren op [geboortedatum] 2004, is bekend met een hechtingstoornis, ASS en ODD. Na een melding bij Veilig Thuis Brabant Noordoost en een hierop volgend huisbezoek door Veilig Thuis, heeft op 19 september 2017 een gesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van het sociaal wijkteam [plaats] en [eiser] ’s ouders. Tijdens dit gesprek hebben de ouders aangegeven dat zij met een persoonsgebonden budget (pgb) verschillende hulpvormen willen inkopen. De medewerker van het wijkteam heeft aangegeven dat hij alleen zorg kan toekennen als hij de situatie in beeld mag brengen. Daar is tijd voor nodig. Op 28 september 2017 heeft de medewerker van het wijkteam per email aan de ouders gevraagd of zij een vervolg wensen op het gesprek van 19 september 2017. De ouders hebben hierop aangegeven dat zij het gesprek als onprettig hebben ervaren. De ouders hebben aangegeven dat zij graag van het wijkteam horen welke hulp [eiser] op korte termijn mag verwachten van de gemeente. De medewerker van het wijkteam heeft hierop verzocht een nieuwe afspraak te maken. Op 22 februari 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de medewerker van het wijkteam, twee ambulante gezinsondersteuners van de [naam] , een GGD-arts en de ouders. Omdat [eiser] al enige tijd niet naar school was geweest waren bij dit gesprek ook een leerplichtambtenaar en een medewerker van het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs De Meierij aanwezig. Tijdens het gesprek hebben de ouders aangegeven dat de medewerker van het wijkteam contact op mag nemen met iedereen die van belang is voor hulp aan [eiser] . De ouders hebben aangegeven dat zij een pgb willen en/of behandeling door psychotherapeut drs. W.L. Frumeau-van Pinxten. Mevrouw Frumeau heeft in een brief van 10 september 2017 aan de ouders aangegeven dat zij meermalen met de gemeente overleg heeft gehad. Daarbij is de gehele melding met alle zaken die ermee te maken hebben met het team besproken. Frumeau heeft [eiser] doorverwezen naar de Viersprong. Frumeau heeft aangegeven dat zij [eiser] niet de best passende zorg kan verlenen. De Viersprong heeft aan Frumeau aangegeven de passende zorg wel te kunnen bieden. Frumeau wil in overleg met de huisarts een verwijzing schrijven voor [eiser] .
3. Op 9 april 2018 heeft moeder beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. Zij heeft in het beroepschrift aangegeven dat verweerder nalatig is in de behandeling en hulpverlening. De ouders krijgen geen antwoord op hun (aan)vragen. Het indienen van een klacht naar aanleiding van het nalatig handelen van verweerder is niet aan de orde, omdat het niet gaat om de handelswijze van een enkele medewerker maar over het door verweerder structureel overtreden van de Jeugdwet en het handelen in strijd met het eigen beleidsplan. Moeder vraagt de rechtbank om verweerder in deze kwestie schuldig te verklaren en verweerder te verplichten de kosten te vergoeden die al door de familie zijn gemaakt rondom de zorg voor [eiser] . Verder vraagt moeder de rechtbank verweerder te verplichten om per direct een pgb te regelen.
4. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven niet bekend te zijn met een aanvraag voor een individuele voorziening in de vorm van een pgb. Er is wel een melding in het kader van de Jeugdwet van op, of omstreeks 14 juni 2017, maar deze melding is niet gevolgd door een schriftelijke aanvraag. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een aanvraag alleen in behandeling kan worden genomen wanneer een aanvraagformulier of gespreksverslag in de vorm van een Plan van Aanpak, voorzien van naam, BSN, geboortedatum en ondertekening door belanghebbende (of gemachtigde) bij de gemeente is ingediend (paragraaf 2.4 Beleidsregels Jeugdhulp gemeente ’s-Hertogenbosch 2015; hierna: Beleidsregels). Verweerder heeft in het dossier geen aanvraagformulier of getekend plan van aanpak/gespreksverslag aangetroffen. Nu verweerder niet bekend is met de bedoelde aanvraag, is ook geen beslistermijn gestart of verstreken. Ook heeft het college geen ingebrekestelling met betrekking tot bedoelde aanvraag ontvangen. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is.
5. De rechtbank heeft als volgt overwogen.
6. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.
7. Artikel 4:1 van de Awb bepaalt dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.
8. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, kan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.
9. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
10. In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening.
11. In artikel 8 van de Verordening Jeugdhulp Gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: de Verordening) is het volgende bepaald:
Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld formulier.
Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de jeugdige of zijn ouders dat op het verslag hebben aangegeven.
12. Vast staat dat de ouders van [eiser] zich rond 14 juni 2017 hebben gemeld bij verweerder. Vervolgens heeft eerst een gesprek plaatsgevonden met een medewerker van het wijkteam en vervolgens met nog een aantal direct betrokken personen. De medewerker van het wijkteam is steeds betrokken geweest. Artikel 7 van de Verordening schrijft voor dat het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. Dat is in deze zaak nooit gebeurd. Het door verweerder overgelegde dossier bestaat alleen uit mailwisselingen over en weer. Uit de mailwisselingen is niet op te maken of ooit gesproken is over het indienen van een ‘formele’ aanvraag. Wel hebben de ouders herhaaldelijk aangegeven dat zij een pgb willen (bijvoorbeeld tijdens de gesprekken op 19 september 2017 en 22 februari 2018). Verweerder heeft daar niet op gereageerd door het overhandigen van een aanvraagformulier.
12. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van een gespreksverslag dat als aanvraag in de zin van artikel 8 van de Verordening zou kunnen worden aangemerkt niet voor rekening van [eiser] kan worden gelaten. Artikel 7 van de Verordening legt de verplichting tot het opmaken van een verslag immers eenduidig bij verweerder. Voor zover verweerder heeft beoogd te stellen dat geen aanvraag is gedaan omdat een gespreksverslag ontbreekt kan deze stelling dus niet slagen.
14. Het voorgaande wordt niet anders door de stelling van verweerder dat een aanvraag moet voldoen aan een aantal vormvereisten, zoals omschreven in de Beleidsregels. De rechtbank is onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2325) van oordeel dat verweerder in hetgeen de ouders in de mailwisseling naar voren hebben gebracht tenminste aanleiding had moeten zien de ouders een aanvraagformulier als bedoeld in artikel 8 van de Verordening toe te sturen.
15. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat er geen reden is om te twijfelen aan de opmerking van de ouders dat er wel degelijk een plan van aanpak is. Weliswaar bevindt zich geen plan van aanpak onder de door verweerder overgelegde gedingstukken, maar ter zitting is gebleken dat verweerders dossier niet compleet is, of althans niet volledig aan de rechtbank is overgelegd. De onvolledigheid van het dossier is een omstandigheid die voor rekening van verweerder moet worden gelaten.
16. Tenslotte ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de moeder verweerder niet voldoende duidelijk overeenkomstig artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht in gebreke heeft gesteld. De rechtbank wijst op de mailberichten van de moeder van 21 maart 2018 en 26 maart 2018, die moeilijk anders kunnen worden opgevat dan als een aansporing om thans op korte termijn een beslissing te nemen over toekenning van het volgens de ouders aangevraagde pgb.
17. Het verzoek om vergoeding van de kosten die zijn gemaakt rondom de zorg voor [eiser] is niet voor toewijzing vatbaar. Voor zover moeder heeft bedoeld dat [eiser] aanspraak heeft op een pgb overweegt de rechtbank dat hierover moet worden beslist in het nog te nemen besluit. Daarop kan de rechtbank in een procedure als deze niet vooruit lopen. Voor zover moeder heeft bedoeld schadevergoeding te vragen geldt hetzelfde. Zolang er nog geen besluit op de pgb-aanvraag is genomen kan ook niet worden vastgesteld of [eiser] door het uitblijven daarvan schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking zou komen. Moeder heeft ook niet concreet gemaakt waaruit een eventuele schade zou bestaan.
18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan moeder het betaalde griffierecht vergoedt.
19. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter, en mr. M. van ‘t Klooster en mr. S. van Bergen, leden, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier, op 10 september 2018.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 18/887
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 10 september 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser (hierna: [eiser] ),
wettelijk vertegenwoordigd door [naam] (moeder),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder
(gemachtigde: [naam] ).
Procesverloop
De ouders van [eiser] hebben op 13 april 2018 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om een persoonsgebonden budget (pgb) voor jeugdhulp.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd en de stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2018. [eiser] is niet verschenen, maar vertegenwoordigd door zijn wettelijk vertegenwoordiger. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook is verschenen [naam] .
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet nemen van een besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van deze uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag om pgb;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,00 aan eiser te vergoeden.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. [eiser] , geboren op [geboortedatum] 2004, is bekend met een hechtingstoornis, ASS en ODD. Na een melding bij Veilig Thuis Brabant Noordoost en een hierop volgend huisbezoek door Veilig Thuis, heeft op 19 september 2017 een gesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van het sociaal wijkteam [plaats] en [eiser] ’s ouders. Tijdens dit gesprek hebben de ouders aangegeven dat zij met een persoonsgebonden budget (pgb) verschillende hulpvormen willen inkopen. De medewerker van het wijkteam heeft aangegeven dat hij alleen zorg kan toekennen als hij de situatie in beeld mag brengen. Daar is tijd voor nodig. Op 28 september 2017 heeft de medewerker van het wijkteam per email aan de ouders gevraagd of zij een vervolg wensen op het gesprek van 19 september 2017. De ouders hebben hierop aangegeven dat zij het gesprek als onprettig hebben ervaren. De ouders hebben aangegeven dat zij graag van het wijkteam horen welke hulp [eiser] op korte termijn mag verwachten van de gemeente. De medewerker van het wijkteam heeft hierop verzocht een nieuwe afspraak te maken. Op 22 februari 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de medewerker van het wijkteam, twee ambulante gezinsondersteuners van de [naam] , een GGD-arts en de ouders. Omdat [eiser] al enige tijd niet naar school was geweest waren bij dit gesprek ook een leerplichtambtenaar en een medewerker van het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs De Meierij aanwezig. Tijdens het gesprek hebben de ouders aangegeven dat de medewerker van het wijkteam contact op mag nemen met iedereen die van belang is voor hulp aan [eiser] . De ouders hebben aangegeven dat zij een pgb willen en/of behandeling door psychotherapeut drs. W.L. Frumeau-van Pinxten. Mevrouw Frumeau heeft in een brief van 10 september 2017 aan de ouders aangegeven dat zij meermalen met de gemeente overleg heeft gehad. Daarbij is de gehele melding met alle zaken die ermee te maken hebben met het team besproken. Frumeau heeft [eiser] doorverwezen naar de Viersprong. Frumeau heeft aangegeven dat zij [eiser] niet de best passende zorg kan verlenen. De Viersprong heeft aan Frumeau aangegeven de passende zorg wel te kunnen bieden. Frumeau wil in overleg met de huisarts een verwijzing schrijven voor [eiser] .
3. Op 9 april 2018 heeft moeder beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. Zij heeft in het beroepschrift aangegeven dat verweerder nalatig is in de behandeling en hulpverlening. De ouders krijgen geen antwoord op hun (aan)vragen. Het indienen van een klacht naar aanleiding van het nalatig handelen van verweerder is niet aan de orde, omdat het niet gaat om de handelswijze van een enkele medewerker maar over het door verweerder structureel overtreden van de Jeugdwet en het handelen in strijd met het eigen beleidsplan. Moeder vraagt de rechtbank om verweerder in deze kwestie schuldig te verklaren en verweerder te verplichten de kosten te vergoeden die al door de familie zijn gemaakt rondom de zorg voor [eiser] . Verder vraagt moeder de rechtbank verweerder te verplichten om per direct een pgb te regelen.
4. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven niet bekend te zijn met een aanvraag voor een individuele voorziening in de vorm van een pgb. Er is wel een melding in het kader van de Jeugdwet van op, of omstreeks 14 juni 2017, maar deze melding is niet gevolgd door een schriftelijke aanvraag. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een aanvraag alleen in behandeling kan worden genomen wanneer een aanvraagformulier of gespreksverslag in de vorm van een Plan van Aanpak, voorzien van naam, BSN, geboortedatum en ondertekening door belanghebbende (of gemachtigde) bij de gemeente is ingediend (paragraaf 2.4 Beleidsregels Jeugdhulp gemeente ’s-Hertogenbosch 2015; hierna: Beleidsregels). Verweerder heeft in het dossier geen aanvraagformulier of getekend plan van aanpak/gespreksverslag aangetroffen. Nu verweerder niet bekend is met de bedoelde aanvraag, is ook geen beslistermijn gestart of verstreken. Ook heeft het college geen ingebrekestelling met betrekking tot bedoelde aanvraag ontvangen. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is.
5. De rechtbank heeft als volgt overwogen.
6. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.
7. Artikel 4:1 van de Awb bepaalt dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.
8. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, kan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is.
9. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
10. In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening.
11. In artikel 8 van de Verordening Jeugdhulp Gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: de Verordening) is het volgende bepaald:
Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld formulier.
Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de jeugdige of zijn ouders dat op het verslag hebben aangegeven.
12. Vast staat dat de ouders van [eiser] zich rond 14 juni 2017 hebben gemeld bij verweerder. Vervolgens heeft eerst een gesprek plaatsgevonden met een medewerker van het wijkteam en vervolgens met nog een aantal direct betrokken personen. De medewerker van het wijkteam is steeds betrokken geweest. Artikel 7 van de Verordening schrijft voor dat het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. Dat is in deze zaak nooit gebeurd. Het door verweerder overgelegde dossier bestaat alleen uit mailwisselingen over en weer. Uit de mailwisselingen is niet op te maken of ooit gesproken is over het indienen van een ‘formele’ aanvraag. Wel hebben de ouders herhaaldelijk aangegeven dat zij een pgb willen (bijvoorbeeld tijdens de gesprekken op 19 september 2017 en 22 februari 2018). Verweerder heeft daar niet op gereageerd door het overhandigen van een aanvraagformulier.
12. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van een gespreksverslag dat als aanvraag in de zin van artikel 8 van de Verordening zou kunnen worden aangemerkt niet voor rekening van [eiser] kan worden gelaten. Artikel 7 van de Verordening legt de verplichting tot het opmaken van een verslag immers eenduidig bij verweerder. Voor zover verweerder heeft beoogd te stellen dat geen aanvraag is gedaan omdat een gespreksverslag ontbreekt kan deze stelling dus niet slagen.
14. Het voorgaande wordt niet anders door de stelling van verweerder dat een aanvraag moet voldoen aan een aantal vormvereisten, zoals omschreven in de Beleidsregels. De rechtbank is onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2325) van oordeel dat verweerder in hetgeen de ouders in de mailwisseling naar voren hebben gebracht tenminste aanleiding had moeten zien de ouders een aanvraagformulier als bedoeld in artikel 8 van de Verordening toe te sturen.
15. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat er geen reden is om te twijfelen aan de opmerking van de ouders dat er wel degelijk een plan van aanpak is. Weliswaar bevindt zich geen plan van aanpak onder de door verweerder overgelegde gedingstukken, maar ter zitting is gebleken dat verweerders dossier niet compleet is, of althans niet volledig aan de rechtbank is overgelegd. De onvolledigheid van het dossier is een omstandigheid die voor rekening van verweerder moet worden gelaten.
16. Tenslotte ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de moeder verweerder niet voldoende duidelijk overeenkomstig artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht in gebreke heeft gesteld. De rechtbank wijst op de mailberichten van de moeder van 21 maart 2018 en 26 maart 2018, die moeilijk anders kunnen worden opgevat dan als een aansporing om thans op korte termijn een beslissing te nemen over toekenning van het volgens de ouders aangevraagde pgb.
17. Het verzoek om vergoeding van de kosten die zijn gemaakt rondom de zorg voor [eiser] is niet voor toewijzing vatbaar. Voor zover moeder heeft bedoeld dat [eiser] aanspraak heeft op een pgb overweegt de rechtbank dat hierover moet worden beslist in het nog te nemen besluit. Daarop kan de rechtbank in een procedure als deze niet vooruit lopen. Voor zover moeder heeft bedoeld schadevergoeding te vragen geldt hetzelfde. Zolang er nog geen besluit op de pgb-aanvraag is genomen kan ook niet worden vastgesteld of [eiser] door het uitblijven daarvan schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking zou komen. Moeder heeft ook niet concreet gemaakt waaruit een eventuele schade zou bestaan.
18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan moeder het betaalde griffierecht vergoedt.
19. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter, en mr. M. van ‘t Klooster en mr. S. van Bergen, leden, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier, op 10 september 2018.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.