Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:606

2026-02-13 Civiel recht C/18/251870 KG RK 26-34
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-02-13
Publicatiedatum
2026-03-03
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Wraking
Zaaknummer
C/18/251870 KG RK 26-34
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | INS-Updates.nl 2026-0055 | NJFCZ 2026/159

Inhoudsindicatie

Verzoek is ontvankelijk. Ook tijdens het voeren van een bemiddelingsgesprek kan een rechter gewraakt worden. Het begrip “behandelen van een zaak” dient ruim te worden uitgelegd. Geen sprake van vooringenomenheid dan wel de (objectief) gerechtvaardigde vrees daarvoor. Wraking ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.952 tekens)
beslissing
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Assen



Wrakingskamer



zaaknummer: C/18/251870 KG RK 26-34




Beslissing van 13 februari 2026




van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van





[verzoeker] ,

bijgestaan door mr. H.C.M. Hendriks, advocaat te Utrecht
hierna te noemen: verzoeker,



strekkende tot de wraking van




mr. M.C. Groenewegen,

rechter-commissaris faillissementen in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.





1De procedure


Het verloop van de procedure blijkt uit:



de schriftelijke aantekeningen van een bemiddelingsgesprek dat op 19 januari 2026 op uitnodiging van de rechter heeft plaatsgevonden en waarbij naast de rechter en haar secretaris aanwezig waren verzoeker (bestuurder van de failliet), diens advocaat, de curator en een kantoorgenoot van de curator. In deze aantekeningen zijn het mondelinge wrakingsverzoek van de zijde van verzoeker en de grond daarvoor vermeld;


de schriftelijke reactie van de rechter van 22 januari 2026 op het verzoek tot wraking;


de nadere schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek van 6 februari 2026 van de zijde


van de advocaat van verzoeker.


Het verzoek tot wraking is op 10 februari 2026 ter zitting behandeld. Verzoeker is aldaar vertegenwoordigd door zijn advocaat, mr. Hendriks voornoemd. De rechter is -met voorafgaande kennisgeving- niet verschenen. Namens de curator is mr. J. Keekstra, die ook bij het bemiddelingsgesprek aanwezig was, verschenen.





2Het wrakingsverzoek


2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter die als rechter-commissaris voormeld bemiddelingsgesprek heeft geleid met verzoeker (bestuurder van de failliet) en de curator in het faillissement van Droginet B.V. (met kenmerk [nummer] ). Aanleiding voor dit gesprek was, kort gezegd, de aansprakelijkstelling door de curator van verzoeker voor het tekort in genoemd faillissement van € 12,8 miljoen euro.



2.2.
Verzoeker heeft - kort weergegeven- het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De rechter heeft bij gelegenheid van een voorstelrondje aangegeven dat het haar taak is “ervoor te zorgen dat er zoveel mogelijk geld in de boedel vloeit”. Verzoeker is van mening dat zulks niet de taak van de rechter-commissaris is en dat de rechter door haar taak zo te formuleren en daarvan desgevraagd geen afstand te nemen, zij op voorhand achter de curator is gaan staan voor wat betreft het streven van de curator om geld in de boedel te krijgen door verzoeker aansprakelijk te stellen voor het tekort. Gelet daarop heeft verzoeker niet het vertrouwen dat de rechter nog onbevangen de rol van rechter-commissaris in dit faillissement kan vervullen en heeft de rechter in ieder geval de schijn van vooringenomenheid gewekt. De rechter-commissaris behoort immers op onafhankelijke wijze toezicht te houden op het beheer en de vereffening van de failliete boedel door de curator en tot die toezichthoudende taak behoort niet dat de rechter ervoor zorg heeft te dragen dat er zoveel mogelijk geld in de boedel vloeit, want dat is aan de curator.



2.2.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten.
De rechter heeft aangegeven dat het bemiddelingsgesprek, door haar ook aangeduid als een “hoor- en wederhoorgesprek”, sinds kort wordt gevoerd in gevallen waarbij door een curator om een machtiging om te mogen procederen wordt verzocht en de bestuurder (van een failliet) heeft aangegeven voorafgaand gehoord te willen worden. Een dergelijk gesprek heeft geen wettelijke basis en is volgens de rechter een onverplicht en enigszins informeel gesprek tussen curator, bestuurder en rechter-commissaris om standpunten uit te wisselen en om als rechter-commissaris beter te kunnen beoordelen of een procedure past in het streven om de boedel doelmatig, doelgericht en rechtmatig af te wikkelen, waarbij ook kan worden onderzocht of een schikking mogelijk is. De rechter heeft verder aangegeven dat zij het gesprek is gestart met een toelichting op haar rol als rechter-commissaris en het doel van het gesprek, een en ander omdat de rechter-commissaris een andere rol heeft dan een “rechtbankrechter” die ter zitting een inhoudelijk geschil beoordeelt, terwijl de rechter-commissaris naar aanleiding van een hoor- en wederhoorgesprek geen oordeel geeft over een inhoudelijk geschil. Volgens de rechter heeft zij bij die toelichting niet elk woord op een goudschaaltje gewogen en is zij na enkele zinnen al onderbroken door de advocaat van verzoeker, waardoor zij geen gelegenheid heeft gehad om haar rol en het doel van het gesprek volledig toe te lichten. De advocaat van verzoeker viel over de opmerking van de rechter dat de rechter-commissaris (ook) wil dat er geld in de boedel komt voor de schuldeisers, een opmerking die zij graag nader had toegelicht bij het gesprek maar daarvan is het niet gekomen omdat zij vrijwel meteen daarna gewraakt werd. In de visie van de rechter past haar opmerking over de taak als rechter-commissaris binnen de rol zoals die volgt uit de wet en maakt deze opmerking niet dat zij partijdig of vooringenomen was, althans dat zij die schijn gewekt zou hebben.






3De beoordeling


3.1.
Voor de beoordeling van wrakingsverzoeken is de toepasselijke norm gegeven in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en liet Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.



3.2.
Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld.



3.3.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1770) overwogen dat onder het “behandelen van een zaak” moet worden verstaan: elke rechterlijke bemoeienis met een zaak, van welke aard en omvang dan ook. De wrakingskamer is van oordeel dat voormeld begrip derhalve ruim uitgelegd moet worden en dat het voeren van een bemiddelingsgesprek als waarvan hier sprake is ook als rechterlijke bemoeienis dient te worden aangemerkt. De rechter heeft immers als rechter-commissaris dit gesprek gevoerd met de curator en verzoeker als bestuurder van de failliet en de rechter heeft aangegeven dat hierbij standpunten worden uitgewisseld en mogelijk ook een schikking kan worden bereikt. Dat een dergelijk gesprek geen wettelijke basis en een wat informeel karakter heeft doet aan het voorgaande, te weten dat er sprake is van een rechterlijke bemoeienis met een zaak, niet af.
Dit betekent dat verzoeker kan worden ontvangen in zijn verzoek tot wraking.




3.4.

De wrakingskamer acht het verzoek tot wraking echter ongegrond.
Uit de schriftelijke aantekeningen van het bemiddelingsgesprek blijkt dat de rechter de bijeenkomst heeft geopend en uitleg heeft gegeven over het doel van het hoor- en wederhoorgesprek. De rechter heeft daarbij volgens de aantekeningen ook aangegeven dat “doel RC is dat er zvm inkomen voor de boedel voor de schuldeisers binnenkomt” en direct daaropvolgend: “RC is toezichthouder. RC geeft geen inhoudelijk oordeel of al dan niet aansprakelijkheid bestuurder. Een procedure is voorbehouden aan andere rechter”. Daarop heeft (de advocaat van) verzoeker) opgemerkt: “U zegt dat het uw taak is om zvm geld voor de boedel binnen te halen. Vindt u dat uw taak?” en even later: “Ik betwijfel of dat uw taak is. Ik zie uw rol anders. U heeft bevoegdheden die in de wet staan. Dat wat u zegt is meer de rol van de curator. Ik stel voor dat we even gaan schorsen. Ik wil dat we ons hierover even over beraden”. Na de schorsing heeft verzoeker opgemerkt: “uw taak is niet zvm geld voor schuldeisers binnenhalen. U staat niet onbevangen in deze zaak. Daarom wraak ik u”.
Naar het oordeel van de wrakingskamer kan uit de door de rechter gebruikte bewoordingen tijdens een bemiddelingsgesprek, dat een wat meer informeel karakter heeft, in redelijkheid niet afgeleid worden dat de rechter vooringenomen is dan wel dat zij de (objectief) gerechtvaardigde vrees daarvoor heeft gewekt. De rechter heeft in het gesprek al vroeg en in het kort aangegeven dat het doel van de rechter-commissaris is om zoveel mogelijk gelden in de boedel te krijgen (ter verdeling onder schuldeisers), maar zij heeft die opmerking meteen laten volgen door de opmerking dat de rechter-commissaris toezichthouder is en het niet aan haar is om een inhoudelijk oordeel over de (eventuele) aansprakelijkheid van verzoeker te geven en dat die procedure beslist zal worden door een andere rechter. Aldus heeft zij in het kort haar positie geschetst en daaruit kan op geen enkele wijze afgeleid worden dat de rechter zich al op voorhand achter het standpunt (of de wens) van de curator had geschaard. Het doel van het bemiddelingsgesprek, dat verder geen doorgang heeft gevonden omdat verzoeker over de eerste woorden van de rechter viel en haar wraakte, was juist om het standpunt van de curator alsook het standpunt van verzoeker aan te horen en te bespreken. Uit de hiervoor vermelde woorden van de rechter kan niet afgeleid worden dat zij daarop al een voorschot had genomen en daaruit kan evenmin afgeleid worden dat zij haar rol niet helder heeft en die van de curator zou hebben ingenomen.
De wrakingskamer kan, anders dan verzoeker heeft gesteld, uit de spreekaantekeningen niet afleiden dat de rechter voor de schorsing tot twee keer toe gezegd of bevestigd zou hebben dat haar taak als rechter-commissaris zou zijn om zoveel mogelijk geld in de boedel te krijgen. Wèl blijkt uit de aantekeningen dat de rechter in de discussie die volgde na de schorsing aangeboden heeft haar rol nader toe te lichten, maar verzoeker heeft haar die gelegenheid niet meer willen geven terwijl dat het kennelijk bij verzoeker direct al ingetreden ongenoegen of onduidelijkheid had kunnen wegnemen.




3.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat het wrakingsverzoek ongegrond moet worden verklaard.





4De beslissing


De wrakingskamer:


- verklaart het verzoek ongegrond;
- bepaalt dat de hoofdzaak (met kenmerk: [nummer] ) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking, bevond;
- beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de rechter en de betrokken procespartij(en), zijnde de curator.


Aldus gegeven door mr. J. de Vroome, voorzitter, mr. J.S. Bartstra en mr. M. van den Steenhoven, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Wachtmeester-Koning op 13 februari 2026.



Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter.





























Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.