Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:4127

2026-09-29 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht LEE 26/3030
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-29
Publicatiedatum
2026-09-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
LEE 26/3030
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Artikel 40 PW, vovo. Het college heeft de bijstandsuitkering beëindigd na de woningsluiting van verzoekster. Het hoofdverblijf van verzoekster was niet langer in de gemeente. Het verzoek wordt afgewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.325 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: LEE 26/3030


uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 september 2026 in de zaak tussen

[naam], uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. K.N. Altunzade),


en


het college van burgemeester en wethouders van Oldambt, het college
(gemachtigde: N.M. de Ruiter-Meijer).


Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beëindiging van verzoeksters uitkering op grond van de Participatiewet (PW) per 17 augustus 2026. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.

1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Bij de huidige stand van zaken lijkt niet aannemelijk dat het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.



Procesverloop
2. Met het besluit van 1 september 2026 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster per 17 augustus 2026 beëindigd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.


2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 september 2026 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, J. Groen en mr. A.A. Westers.




Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoekster staat met haar minderjarige kind ingeschreven in de basisregistratie personen op adres [adres] in [woonplaats] (gemeente Oldambt). De burgemeester heeft op grond van de Gemeentewet de woning van verzoekster per 3 augustus 2026 gesloten voor een periode zes maanden. Naar aanleiding van een intern signaal hebben een consulent en sociaal rechercheur van het college onderzocht waar verzoekster en haar kind werkelijk verblijven. Op 6 augustus 2026 heeft een consulent van het college verzoekster telefonisch gesproken. Op 14 augustus 2026 heeft het college schriftelijk om informatie verzocht. Bij brief van 24 augustus 2026 heeft het college een hersteltermijn geboden. Een sociaal rechercheur heeft inlichtingen gevorderd bij medewerkers van leerplicht bij welke basisschool het kind is aangemeld. Vervolgens heeft de sociaal rechercheur bij de basisschool het correspondentieadres van verzoekster en het kind verkregen. Namens verzoekster heeft haar gemachtigde op 11, 20 en 28 augustus 2026 gereageerd op de verzoeken van het college. Op 28 augustus 2026 hebben de consulent en de sociaal rechercheur verzoekster telefonisch gesproken. De bevindingen van de sociaal rechercheur zijn vastgelegd in een rapport van 31 augustus 2026. De bevindingen van de consulent in een rapportage van 1 september 2026. Het college heeft geconcludeerd dat verzoekster en haar kind hun hoofdverblijf buiten de gemeente Oldambt hebben, zodat geen recht meer op een uitkering van het college bestaat. Het college heeft voor 17 augustus 2026 gekozen om aan te sluiten bij de aanvang van het schooljaar.
Standpunten partijen
4. Verzoekster betoogt dat het college de bijstandsuitkering ten onrechte heeft beëindigd. Zij stelt dat zij en haar kind dakloos zijn geraakt door de woningsluiting. Sinds de woningsluiting verblijft ze op verschillende adressen, zowel binnen als buiten Oldambt. Haar kind verblijft bij een familielid, zodat hij stabiliteit heeft. Zij verblijft vaker binnen Oldambt dan in de gemeente waar haar kind op school zit. Hoewel ze voldaan heeft aan de informatieverzoeken van het college, heeft het college niks gedaan met de door haar verstrekte informatie. Ook uit haar rekeningafschriften blijkt dat ze met name in Oldambt heeft gepind. Het college heeft inlichtingen opgevraagd bij de basisschool, maar naar aanleiding daarvan geen informatie bij verzoekster opgevraagd. Dat had het college wel moeten doen. Verzoekster heeft op 31 augustus 2026 een woning bezichtigd in Oldambt. De beëindiging van de uitkering heeft nadelige gevolgen voor verzoekster. Zij draagt immer de zorg voor haar kind en is in verwachting van een tweede.
5. Het college stelt zich op het standpunt dat verzoekster zelf geen adreswijziging heeft doorgegeven ondanks de op haar rustende inlichtingenplicht. Het onderzoek is zorgvuldig uitgevoerd. Daaruit blijkt dat verzoekster sinds 6 augustus 2026 vooral buiten Oldambt heeft gepind, haar kind buiten Oldambt naar school gaat en in een derde gemeente woont. Verzoekster en haar kind zijn bij de basisschool bekend op een adres buiten Oldambt. Het college heeft ondersteunend bewijs ontvangen dat ze op dat adres verblijft. Bovendien heeft verzoekster wisselend verklaard over haar verblijfplaatsen op enkele dagen in augustus. Door aan te sluiten bij de aanvang van het schooljaar in plaats van de woningsluiting heeft het college rekening gehouden met de gevolgen voor verzoekster.
Toetsingskader
6. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 17 augustus 2026, de datum met ingang waarvan de bijstand is beëindigd, tot en met 1 september 2026, de datum waarop het besluit tot beëindiging is genomen.

6.1.
Het besluit tot beëindiging van bijstand is een belastend besluit. Het is daarom aan het college om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor beëindiging is voldaan in beginsel op het college rust. Het college moet dus aannemelijk maken dat verzoekster vanaf 17 augustus 2026 niet meer in de gemeente Oldambt verblijft.


6.2.

Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De woonplaats is de plaats waar de woonstede van de betrokkene is. Met woonstede wordt hier bedoeld: woning. De woning is het adres waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Als de betrokkene geen hoofdverblijf heeft is zijn woonplaats de plaats waar hij werkelijk verblijft. Dit volgt uit vaste rechtspraak.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Vooralsnog lijkt het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen te hebben. Daartoe overweegt hij als volgt.



7.1.
Gelet op de onderzoeksbevindingen was er een toereikende feitelijk grondslag voor de conclusie dat het zwaartepunt van verzoeksters leven in de te beoordelen periode buiten Oldambt was. Op 28 augustus 2026 heeft verzoekster desgevraagd een overzicht gemaild van de adressen waar zij sinds 3 augustus heeft verbleven. Die adressen zijn vaker buiten dan binnen Oldambt. Dat geldt ook voor de te beoordelen periode. Uit het overzicht van verstrekte bankgegevens komt geen ander beeld naar voren. De bezichtiging van verzoekster op 31 augustus 2026 kan niet tot een ander oordeel leiden, nu reeds niet gebleken is dat de bezichtiging zag op een woning.


7.2.
Op de zitting heeft verzoekster aangevoerd dat het college te snel gebruik gemaakt heeft van bevoegdheden op basis van artikel 5:13 en 5:16 van de Awb. Het college heeft verzoekster daarin onvoldoende meegenomen. Het college heeft daartegenover gesteld dat het de destijds bestaande onduidelijkheid niet te lang heeft willen laten duren en bovendien verzoekster direct heeft geïnformeerd dat het wist op welke basisschool haar kind was ingeschreven.


7.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college op evenredige wijze gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden door beperkt inlichtingen te vragen. Daarbij komt dat verzoekster de onduidelijkheid bij het college niet heeft weggenomen.


7.4.
Het college heeft tijdig oog gehad voor de nadelige gevolgen van de woningsluiting. Op de zitting heeft het college naar voren gebracht dat het college vóór de woningsluiting een andere woning aan verzoekster heeft aangeboden. Deze woning heeft zij niet geaccepteerd. Deze weigering komt voor haar rekening en risico.



Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen (voorschot op haar) bijstandsuitkering krijgt in afwachting van de beslissing op haar bezwaar. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel 40, eerste lid, van de PW.


Zie de uitspraak van de CRvB van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038.