Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:4121

2026-09-17 Civiel recht; Insolventierecht C18/26/1279 R
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-29
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C18/26/1279 R
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Toelating tot Wsnp o.g.v. hardheidsclausule. Keer ten goede. Onderneming beëindigd. Baan in loondienst. Financiële hulp. Geen eerdere ingangsdatum.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.679 tekens)
RECHTBANK Noord-Nederland


Team Insolventie



Zittingsplaats Groningen



Zaaknummer: C18/26/1279 R




Vonnis van 17 september 2026




op het verzoek van





[verzoeker]
,
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,
voorheen h.o.d.n. [bedrijfsnaam] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,
wonende aan de [adres] ,
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,



tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (Wsnp).




Samenvatting





[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de Wsnp.



De rechtbank wijst het verzoek toe.






1De procedure

1.1.

De procedure bestaat uit:
- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;
- de zitting van maandag 7 september 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoeker] , voornoemd;
- de heer [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] ;
- mevrouw [begeleider van zorgorganisatie] .




1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.






2Het verzoek


2.1.

[verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de Wsnp. Volgens [verzoeker] heeft zij een schuldenlast die zij niet zelf kan aflossen.






3De beoordeling


3.1.
Het betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)).




3.2.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de Wsnp slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. In verband hiermee wordt het volgende overwogen.



3.3.

[verzoeker] heeft een schuldenlast van € 126.623,66. Onder deze schulden bevinden zich belastingschulden van € 5.390,00 die in de afgelopen drie jaar zijn ontstaan. De belastingschulden hebben betrekking op loonheffing, motorrijtuigenbelasting en omzetbelasting. Verder staan er op de schuldenlijst een lening bij Pin Voorschot van € 10.796,38, die is afgesloten op 16 juli 2025 en een schuld bij [leasebedrijf] van € 11.560,60 die dateert van 17 oktober 2025. [verzoeker] heeft ten aanzien van voornoemde schulden een beroep gedaan op de hardheidsclausule.



3.4.

[verzoeker] heeft op de zitting verklaard dat de problemen met haar onderneming zijn ontstaan door problematiek met de zwangerschap van haar dochter. Zij heeft toen enige tijd in een ouder-kindhuis gezeten, waardoor zij niet op de locatie van de onderneming aanwezig kon zijn. Hierdoor raakte [verzoeker] langzaam de grip op de onderneming kwijt. Bijkomende problemen, waaronder leveringen die niet meer kwamen, maakten dat de onderneming in een neerwaartse spiraal terechtkwam. [verzoeker] heeft geprobeerd om de onderneming overeind te houden, onder andere door een lening af te sluiten bij Pin Voorschot. Op papier leek die lening goed terug te betalen, maar in de praktijk bleek dat niet het geval. De bedrijfsbus die [verzoeker] leasete van [leasebedrijf] was nodig voor het vervoeren van aquaria. Dit waren grote opdrachten die veel geld opleverden, waardoor het inleveren van de bedrijfsbus ook negatieve consequenties voor de onderneming had. Daarbij hield [verzoeker] steeds in haar achterhoofd dat zij de schulden mogelijk met het kleinkindsdeel van tussen de € 20.000,00 en € 25.000,00 in de erfenis van haar oma deels zou kunnen afbetalen. Hier loopt echter tot op heden een procedure (in hoger beroep) over. Alles met elkaar heeft dit ertoe geleid dat [verzoeker] te lang is doorgegaan met ondernemen. Op advies van de schuldhulpverlener heeft [verzoeker] de onderneming aan het begin van 2026 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.



3.5.
De rechtbank stelt vast dat de schulden in de afgelopen drie jaren niet te goeder trouw zijn ontstaan, hetgeen een weigeringsgrond oplevert.


3.6.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de Wsnp kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).








3.7.
De rechtbank stelt vast dat nagenoeg alle schulden van [verzoeker] voorkomen uit de onderneming, maar ook dat [verzoeker] inmiddels is gestopt met ondernemen en dat de onderneming aan het begin van 2026 is uitgeschreven. [verzoeker] heeft na het staken van haar onderneming een baan in loondienst gevonden voor 16 uur per week. Op dit moment ontvangt zij een uitkering op grond van Ziektewet vanwege een zwangerschap met complicaties. [verzoeker] heeft hulp van [zorgorganisatie] . De rechtbank is van oordeel dat de situatie daarmee zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat kan worden gesproken van een “keer ten goede”. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.



3.8.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de Wsnp begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de Wsnp, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.



3.9.
Aan de hand van de stukken die de rechtbank tot haar beschikking heeft ziet zij geen aanleiding om - gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van [geboortedatum] 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913) - het aanvangsmoment van de termijn van de Wsnp ex artikel 349a Fw te vervroegen.






4De beslissing


De rechtbank:



4.1.

spreekt de toepassing van de Wsnp uit ten aanzien van:


[verzoeker] ,geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] ;




4.2.
stelt de termijn van deze Wsnp vast op de achttien maanden, te rekenen vanaf de dag van deze uitspraak;



4.3.
benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga;



4.4.

benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
kantoorhoudende aan de [adres] ;




4.5.
geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoeker] in te zien totdat de Wsnp eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden;



4.6.
bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag opnemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de Wsnp loopt en voor zover de boedel toereikend is;



4.7.
stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen.



Dit is de beslissing van mr. C.H. Beuker, rechter, bijgestaan door de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.