Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:4102
2026-08-25
Civiel recht; Insolventierecht
C/18/26/1260 R
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Toelatingsverzoek Wsnp met beroep op de hardheidsclausule toegewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2024:1913 Hoge Raad 20-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.050 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Team Insolventie
Zittingsplaats Assen
Insolventienummer: C/18/26/1260 R en C/18/26/1261 R
Vonnis van 25 augustus 2026
op het verzoek van
[verzoekster sub 1]
,
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] , en
[verzoekster sub 2] ,
geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,
beiden voormalig vennoot van de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam] ,
wonende te [adres]
,
verzoeksters, hierna te noemen [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] ,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] hebben verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank wijst het verzoek toe.
1Het verdere procesverloop
1.1.
[verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] hebben, via hun schuldhulpverlenende instantie Gemeentelijke Kredietbank te Assen (hierna: de GKB), op 8 oktober 2025 een verzoekschrift ingediend om te mogen worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp). Volgens het verzoekschrift hebben [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] een schuldenlast die zij niet meer zelf kunnen aflossen.
1.2.
Op 23 januari 2026 heeft deze rechtbank een tussenvonnis gewezen. In dit tussenvonnis is de beslissing op het verzoek aangehouden voor de duur van vier maanden om [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] in de gelegenheid te stellen om stabiliteit aan te brengen in hun (financiële) situatie. Volgens de rechtbank kan hierbij onder meer gedacht worden aan het zoeken van andere woonruimte en het vinden van een andere budgetbeheerder.
1.3.
Nadien heeft de rechtbank niet meer van [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] vernomen. De GKB heeft de rechtbank in mei 2026 telefonisch bericht dat zij op dat moment nog het budgetbeheer voor [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] verzorgde.
1.4.
Om meer duidelijkheid te krijgen, heeft de rechtbank het noodzakelijk geacht om opnieuw een zitting te houden. Een nadere behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2026. [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] zijn verschenen.
1.5.
Bepaald is dat vandaag vonnis zal worden gewezen.
2Het verzoek en de beoordeling daarvan
2.1.
Als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd hetgeen de rechtbank heeft overwogen in haar tussenvonnis van 23 januari 2026.
De feiten
2.2.
De rechtbank constateert uit het verloop van het dossier, de specifieke inhoud daarvan en wat door [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] op de zitting is verklaard dat het hier gaat om een complexe situatie. Het verleden van [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] vóórdat zij via de gemeente bij de GKB terecht zijn gekomen, is tumultueus te noemen. Op zakelijk vlak zijn [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] geconfronteerd met tegenslagen die ook privé hun weerslag hebben gehad. In hoeverre [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] hiervoor zelf verantwoordelijk zijn geweest, is uit het dossier moeilijk af te leiden. Op dit moment wonen [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] met hun twee kinderen in twee caravans op een terrein waarop de gemeente bewoning niet heeft toegestaan. Ook is er een aanzienlijke schuldenlast. Om dit op te lossen hebben [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] zich tot de gemeente gewend en in maart 2025 zijn zij aangemeld bij de GKB.
2.3.
Uit het verzoekschrift is de rechtbank gebleken dat de samenwerking tussen [verzoekster sub 1] / [verzoekster sub 2] en de GKB verre van vlekkeloos is verlopen. Een voorbeeld hiervan is het verschil van mening tussen [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] en de GKB over de opgestelde schuldenlijst. Beide partijen vinden dat deze lijst niet juist dan wel niet compleet is. Volgens [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] hebben zij alle benodigde documenten volledig en tijdig bij de GKB aangeleverd, de GKB bestrijdt dit. Als gevolg hiervan heeft de GKB geen buitengerechtelijke schuldregeling voor [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] kunnen opstarten. In het verzoekschrift heeft de GKB melding gemaakt van een vertrouwensbreuk en dit is door [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] beaamd.
2.4.
Op de zitting van 17 augustus 2026 hebben [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] gemeld dat zij de overeenkomst met de GKB inmiddels hebben beëindigd. Dit betekent dat zij geen schuldhulpverlening of budgetbeheer van de GKB ontvangen. Zij hebben geen andere schuldhulpverlening ingeschakeld of een andere budgetbeheerder benaderd.
2.5.
Verder is uit het dossier gebleken dat op de beheerrekening bij de GKB een bedrag van € 9.647,00 aan teruggave inkomstenbelasting was geparkeerd. Ter zitting hebben [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] verklaard dat zij het saldo op de beheerrekening na het eindigen van de overeenkomst met de GKB hebben ontvangen. Van dit bedrag hebben [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] de nog openstaande belastingschuld betaald. Met het restantbedrag hebben [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] aan de door hen niet betwiste schuldeisers 36% van hun vorderingen betaald.
De beoordeling
2.6.
Deze procedure betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)).
Goede trouw
2.7.
Volgens de rechtbank is gebleken dat [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] nu of in de toekomst niet meer zelf hun schulden kunnen betalen. Een voorwaarde voor toelating tot de Wsnp is de goede trouw van [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] bij het ontstaan of onbetaald laten van deze schulden. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarde is voldaan, kijkt de rechtbank vooral naar de schulden die zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar. De schuldenlijst van [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] vermeldt diverse schulden welke in die periode zijn ontstaan, maar door de complexiteit van het dossier en het ontbreken van een duidelijke lijn is een gedegen oordeel over het al dan niet ontbreken van de goede trouw door de rechtbank niet te maken. Enkel ten aanzien van de belastingschulden kan met enige zekerheid gezegd worden dat deze niet te goeder trouw zijn ontstaan, omdat dergelijke schulden in beginsel als niet te goeder trouw worden aangemerkt wat betreft het ontstaan of onbetaald laten daarvan. Maar, [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] hebben gesteld dat zij deze schuld inmiddels hebben betaald. Wat daar ook van zij, in het verzoekschrift is een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw.
Hardheidsclausule
2.8.
De rechtbank overweegt hierover dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk moet zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er moet sprake zijn van een blijvende gedragsverandering. Dat wil zeggen: iemand moet zijn gedrag of zijn situatie echt en blijvend hebben veranderd waardoor aannemelijk is dat het probleem niet meer terugkomt, omdat de oorzaak daarvan is aangepakt. De aandachtspunten die de rechtbank in het tussenvonnis van 23 januari 2026 heeft genoemd en ter verbetering waarvan de rechtbank de beslissing op het verzoek vier maanden heeft aangehouden, zijn alle bedoeld om stabiliteit te creëren en een keer ten goede te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat hiervan nu sprake is en overweegt hiertoe als volgt.
2.9.
De onderbouwing van het beroep op de hardheidsclausule in het verzoekschrift is, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende. De rechtbank is echter gebleken dat het overgrote deel van de schulden het gevolg is van een opeenstapeling van problemen die [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] ondervonden bij de exploitatie van hun geitenboerderij op diverse locaties. Dit bedrijf is geëindigd en het inkomen van [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] bestaat nu uit een WAO-uitkering met een aanvulling van de gemeente. Dit inkomen is volgens [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] stabiel. Verder hebben [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] op de zitting gesteld dat de samenwerking met de GKB hen geen goed heeft gedaan, maar dat zij desondanks hun administratie op orde hebben en daarnaast het geparkeerde geld op de beheerrekening bij de GKB hebben gebruikt om de belastingdienst in zijn geheel en de vorderingen van door hen niet betwiste schuldeisers voor 36% in te lossen. Bovendien leven [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] al langere tijd op het bestaansminimum en zijn er geen nieuwe schulden ontstaan. Volgens [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] kan hieruit geconcludeerd worden dat zij de omstandigheden die hebben geleid tot het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden, onder controle hebben gekregen. De rechtbank volgt [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] hierin. De financiële situatie van [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] is, hoewel precair, al enige tijd stabiel. Dat zij daarnaast een behoorlijke reservering hebben gebruikt om schuldeisers af te lossen, getuigt van een saneringsgezinde houding en van een keer ten goede. De rechtbank zal het verzoek tot toelating tot de Wsnp daarom toewijzen.
Ingangsdatum Wsnp
2.10.
De rechtbank ziet geen aanleiding om – gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913) – het aanvangsmoment van de termijn van de Wsnp als bedoeld in artikel 349a Fw te vervroegen.
Tot slot
2.11.
De rechtbank overweegt ten overvloede als volgt. De rechtbank heeft, als gezegd, geconstateerd dat [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] al langere tijd op weg zijn om uit hun financiële malaise te komen en dat deze weg voor geen van de daarbij betrokkenen over rozen is gegaan. Wie of wat daarvan de oorzaak is geweest, kan onbesproken blijven. De rechtbank betreurt het evenwel dat, zo is op de zitting van 19 augustus 2026 gebleken, dat [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] op dit moment geen enkel vertrouwen hebben in de ‘stip op de horizon’ die de Wsnp uiteindelijk kan opleveren. Enerzijds brengt de Wsnp verplichtingen met zich en toezicht van een Wsnp-bewindvoerder. De verplichtingen waaraan [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] tijdens de Wsnp moet voldoen, staan in het Wsnp-informatieboekje beschreven dat de bewindvoerder aan hen zal verstrekken. Samengevat komt dit neer op: een informatieverplichting, een inspanningsverplichting, een verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan en een afdrachtverplichting. Daar staat tegenover dat, als gedurende 18 maanden deze verplichtingen goed worden nagekomen, een streep wordt gezet door de schulden die onder de Wsnp vallen. Deze schulden zijn dan niet meer afdwingbaar en deze schone lei werkt ten aanzien van die schulden tot in de verre toekomst door. Laat dat een belangrijke stip op de horizon zijn.
3
3. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de Wsnp uit ten aanzien van:
[verzoekster sub 1]
,
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] , en
[verzoekster sub 2] ,
geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]
,
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit
vonnis, waardoor deze termijn eindigt op 25 februari 2028;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Groenewegen,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] , gevestigd te [adres en telefoonnummer] ;
- geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] in te zien totdat de regeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan 13 maanden;
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
Team Insolventie
Zittingsplaats Assen
Insolventienummer: C/18/26/1260 R en C/18/26/1261 R
Vonnis van 25 augustus 2026
op het verzoek van
[verzoekster sub 1]
,
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] , en
[verzoekster sub 2] ,
geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,
beiden voormalig vennoot van de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam] ,
wonende te [adres]
,
verzoeksters, hierna te noemen [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] ,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] hebben verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank wijst het verzoek toe.
1Het verdere procesverloop
1.1.
[verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] hebben, via hun schuldhulpverlenende instantie Gemeentelijke Kredietbank te Assen (hierna: de GKB), op 8 oktober 2025 een verzoekschrift ingediend om te mogen worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp). Volgens het verzoekschrift hebben [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] een schuldenlast die zij niet meer zelf kunnen aflossen.
1.2.
Op 23 januari 2026 heeft deze rechtbank een tussenvonnis gewezen. In dit tussenvonnis is de beslissing op het verzoek aangehouden voor de duur van vier maanden om [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] in de gelegenheid te stellen om stabiliteit aan te brengen in hun (financiële) situatie. Volgens de rechtbank kan hierbij onder meer gedacht worden aan het zoeken van andere woonruimte en het vinden van een andere budgetbeheerder.
1.3.
Nadien heeft de rechtbank niet meer van [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] vernomen. De GKB heeft de rechtbank in mei 2026 telefonisch bericht dat zij op dat moment nog het budgetbeheer voor [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] verzorgde.
1.4.
Om meer duidelijkheid te krijgen, heeft de rechtbank het noodzakelijk geacht om opnieuw een zitting te houden. Een nadere behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2026. [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] zijn verschenen.
1.5.
Bepaald is dat vandaag vonnis zal worden gewezen.
2Het verzoek en de beoordeling daarvan
2.1.
Als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd hetgeen de rechtbank heeft overwogen in haar tussenvonnis van 23 januari 2026.
De feiten
2.2.
De rechtbank constateert uit het verloop van het dossier, de specifieke inhoud daarvan en wat door [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] op de zitting is verklaard dat het hier gaat om een complexe situatie. Het verleden van [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] vóórdat zij via de gemeente bij de GKB terecht zijn gekomen, is tumultueus te noemen. Op zakelijk vlak zijn [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] geconfronteerd met tegenslagen die ook privé hun weerslag hebben gehad. In hoeverre [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] hiervoor zelf verantwoordelijk zijn geweest, is uit het dossier moeilijk af te leiden. Op dit moment wonen [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] met hun twee kinderen in twee caravans op een terrein waarop de gemeente bewoning niet heeft toegestaan. Ook is er een aanzienlijke schuldenlast. Om dit op te lossen hebben [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] zich tot de gemeente gewend en in maart 2025 zijn zij aangemeld bij de GKB.
2.3.
Uit het verzoekschrift is de rechtbank gebleken dat de samenwerking tussen [verzoekster sub 1] / [verzoekster sub 2] en de GKB verre van vlekkeloos is verlopen. Een voorbeeld hiervan is het verschil van mening tussen [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] en de GKB over de opgestelde schuldenlijst. Beide partijen vinden dat deze lijst niet juist dan wel niet compleet is. Volgens [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] hebben zij alle benodigde documenten volledig en tijdig bij de GKB aangeleverd, de GKB bestrijdt dit. Als gevolg hiervan heeft de GKB geen buitengerechtelijke schuldregeling voor [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] kunnen opstarten. In het verzoekschrift heeft de GKB melding gemaakt van een vertrouwensbreuk en dit is door [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] beaamd.
2.4.
Op de zitting van 17 augustus 2026 hebben [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] gemeld dat zij de overeenkomst met de GKB inmiddels hebben beëindigd. Dit betekent dat zij geen schuldhulpverlening of budgetbeheer van de GKB ontvangen. Zij hebben geen andere schuldhulpverlening ingeschakeld of een andere budgetbeheerder benaderd.
2.5.
Verder is uit het dossier gebleken dat op de beheerrekening bij de GKB een bedrag van € 9.647,00 aan teruggave inkomstenbelasting was geparkeerd. Ter zitting hebben [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] verklaard dat zij het saldo op de beheerrekening na het eindigen van de overeenkomst met de GKB hebben ontvangen. Van dit bedrag hebben [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] de nog openstaande belastingschuld betaald. Met het restantbedrag hebben [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] aan de door hen niet betwiste schuldeisers 36% van hun vorderingen betaald.
De beoordeling
2.6.
Deze procedure betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)).
Goede trouw
2.7.
Volgens de rechtbank is gebleken dat [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] nu of in de toekomst niet meer zelf hun schulden kunnen betalen. Een voorwaarde voor toelating tot de Wsnp is de goede trouw van [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] bij het ontstaan of onbetaald laten van deze schulden. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarde is voldaan, kijkt de rechtbank vooral naar de schulden die zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar. De schuldenlijst van [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] vermeldt diverse schulden welke in die periode zijn ontstaan, maar door de complexiteit van het dossier en het ontbreken van een duidelijke lijn is een gedegen oordeel over het al dan niet ontbreken van de goede trouw door de rechtbank niet te maken. Enkel ten aanzien van de belastingschulden kan met enige zekerheid gezegd worden dat deze niet te goeder trouw zijn ontstaan, omdat dergelijke schulden in beginsel als niet te goeder trouw worden aangemerkt wat betreft het ontstaan of onbetaald laten daarvan. Maar, [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] hebben gesteld dat zij deze schuld inmiddels hebben betaald. Wat daar ook van zij, in het verzoekschrift is een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw.
Hardheidsclausule
2.8.
De rechtbank overweegt hierover dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk moet zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er moet sprake zijn van een blijvende gedragsverandering. Dat wil zeggen: iemand moet zijn gedrag of zijn situatie echt en blijvend hebben veranderd waardoor aannemelijk is dat het probleem niet meer terugkomt, omdat de oorzaak daarvan is aangepakt. De aandachtspunten die de rechtbank in het tussenvonnis van 23 januari 2026 heeft genoemd en ter verbetering waarvan de rechtbank de beslissing op het verzoek vier maanden heeft aangehouden, zijn alle bedoeld om stabiliteit te creëren en een keer ten goede te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat hiervan nu sprake is en overweegt hiertoe als volgt.
2.9.
De onderbouwing van het beroep op de hardheidsclausule in het verzoekschrift is, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende. De rechtbank is echter gebleken dat het overgrote deel van de schulden het gevolg is van een opeenstapeling van problemen die [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] ondervonden bij de exploitatie van hun geitenboerderij op diverse locaties. Dit bedrijf is geëindigd en het inkomen van [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] bestaat nu uit een WAO-uitkering met een aanvulling van de gemeente. Dit inkomen is volgens [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] stabiel. Verder hebben [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] op de zitting gesteld dat de samenwerking met de GKB hen geen goed heeft gedaan, maar dat zij desondanks hun administratie op orde hebben en daarnaast het geparkeerde geld op de beheerrekening bij de GKB hebben gebruikt om de belastingdienst in zijn geheel en de vorderingen van door hen niet betwiste schuldeisers voor 36% in te lossen. Bovendien leven [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] al langere tijd op het bestaansminimum en zijn er geen nieuwe schulden ontstaan. Volgens [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] kan hieruit geconcludeerd worden dat zij de omstandigheden die hebben geleid tot het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden, onder controle hebben gekregen. De rechtbank volgt [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] hierin. De financiële situatie van [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] is, hoewel precair, al enige tijd stabiel. Dat zij daarnaast een behoorlijke reservering hebben gebruikt om schuldeisers af te lossen, getuigt van een saneringsgezinde houding en van een keer ten goede. De rechtbank zal het verzoek tot toelating tot de Wsnp daarom toewijzen.
Ingangsdatum Wsnp
2.10.
De rechtbank ziet geen aanleiding om – gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913) – het aanvangsmoment van de termijn van de Wsnp als bedoeld in artikel 349a Fw te vervroegen.
Tot slot
2.11.
De rechtbank overweegt ten overvloede als volgt. De rechtbank heeft, als gezegd, geconstateerd dat [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] al langere tijd op weg zijn om uit hun financiële malaise te komen en dat deze weg voor geen van de daarbij betrokkenen over rozen is gegaan. Wie of wat daarvan de oorzaak is geweest, kan onbesproken blijven. De rechtbank betreurt het evenwel dat, zo is op de zitting van 19 augustus 2026 gebleken, dat [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] op dit moment geen enkel vertrouwen hebben in de ‘stip op de horizon’ die de Wsnp uiteindelijk kan opleveren. Enerzijds brengt de Wsnp verplichtingen met zich en toezicht van een Wsnp-bewindvoerder. De verplichtingen waaraan [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] tijdens de Wsnp moet voldoen, staan in het Wsnp-informatieboekje beschreven dat de bewindvoerder aan hen zal verstrekken. Samengevat komt dit neer op: een informatieverplichting, een inspanningsverplichting, een verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan en een afdrachtverplichting. Daar staat tegenover dat, als gedurende 18 maanden deze verplichtingen goed worden nagekomen, een streep wordt gezet door de schulden die onder de Wsnp vallen. Deze schulden zijn dan niet meer afdwingbaar en deze schone lei werkt ten aanzien van die schulden tot in de verre toekomst door. Laat dat een belangrijke stip op de horizon zijn.
3
3. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de Wsnp uit ten aanzien van:
[verzoekster sub 1]
,
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] , en
[verzoekster sub 2] ,
geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]
,
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit
vonnis, waardoor deze termijn eindigt op 25 februari 2028;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Groenewegen,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] , gevestigd te [adres en telefoonnummer] ;
- geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] in te zien totdat de regeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan 13 maanden;
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.