Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:4055

2026-09-24 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht LEE 26/3167
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-24
Publicatiedatum
2026-09-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
LEE 26/3167
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aard van een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen: is het een verzoek om heropening of om herziening of is het een herhaald verzoek?

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.533 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Bestuursrecht


zaaknummer: LEE 26/3167


uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2026 in de zaak tussen



[naam] , uit [woonplaats] , verzoekster


en




Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. W.E. Louwerse).




Inleiding


1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoekster heeft ingediend bij e-mailbericht van 31 augustus 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.



1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.




Beoordeling door de voorzieningenrechter



Vorige procedure



2.1.
In het kader van de hersteloperatie toeslagen heeft verzoekster van verweerder een definitief compensatiebedrag van € 30.000 en een voorschot van € 8.800 ontvangen.



2.2.
Bij e-mailbericht van 21 januari 2026 heeft verzoekster verweerder verzocht om een aanvullend voorschot. Bij e-mailbericht van 22 januari 2026 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Op 15 juli 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van verweerder.



2.3.

Bij uitspraak van 5 augustus 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. In 5.5. heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen:

De voorzieningenrechter overweegt dat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor de aanname dat verzoekster recht heeft op een hogere schadevergoeding dan het bedrag van € 38.800 dat verweerder al aan haar heeft uitbetaald. Verzoekster noemt een groot aantal posten waarvoor zij vergoeding wenst, maar niet is gebleken dat die gestelde schades een oorzakelijk verband hebben met de toeslagaffaire. Op dit moment is daarom niet aannemelijk dat aan verzoekster nog meer schadevergoeding zal worden toegekend.



3. In het e-mailbericht van 31 augustus 2026 heeft verzoekster het volgende geschreven:


Tijdens de vorige zitting werd ik getroffen door een acute paniekaanval en hyperventilatie, waardoor ik feitelijk monddood ben gemaakt. Ik eis dat u deze zaak heropent en volledig schriftelijk, op basis van deze brief, beoordeelt.


Ik leg u twee cruciale feiten voor die de acute noodzaak bewijzen:



1. Zware advocatenfraude: De Deken is op 18 augustus 2026 een onderzoek gestart naar mijn vorige advocaten wegens identiteitsfraude (OM-kenmerk: 25/57081). Ik sta nu volledig zonder advocaat.


2. Vervalsing dossier door Belastingdienst: De Belastingdienst weigert mijn voorschot te betalen door zich vast te bijten in een oud, onjuist dossier dat zij zelf hebben gefabriceerd. Ik heb de Belastingdienst wegens dit stilzitten inmiddels officieel in gebreke gesteld voor de Regieroute VSO, die ik al een vol jaar tevergeefs probeer te doorlopen.



De ernst van deze identiteitsfraude wordt inmiddels officieel erkend door externe instanties: het CJIB heeft mij 4 maanden uitstel gegeven en Vattenfall heeft mij 1 maand uitstel verleend in verband met het identiteitsdebat.


Desondanks is mijn situatie door de aanhoudende bankblokkade nu acuut onhoudbaar. Mijn wettelijk moratorium is geschonden, ik kamp met € 3.000,- bankschuld en er is sprake van een acute huurachterstand waardoor onze woonsituatie direct gevaar loopt.


Ik eis per direct een ordemaatregel voor een spoedvoorschot van € 10.000,- ter overbrugging van deze acute achterstanden en een onmiddellijke rechterlijke bevriezing van alle invorderingen, totdat de overheid de Regieroute VSO op basis van mijn daadwerkelijke dossier afwikkelt.





Hoe kan het verzoek van 31 augustus 2026 worden aangemerkt?


4. De voorzieningenrechter overweegt dat heropening niet mogelijk is als de uitspraak al gedaan is. In dit geval is de procedure met de uitspraak van 5 augustus 2026 definitief beëindigd.

5. Op grond van de artikel 8:119 van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien. Volgens vaste rechtspraak komen alleen uitspraken voor herziening in aanmerking als daarin beslist is op een beroep of op een verzoek om schadevergoeding. Herziening is geen mogelijkheid als, zoals in deze zaak het geval is, alleen beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.



6.1.
Dit betekent dat het verzoek van 31 augustus 2026 aangemerkt moet worden als een herhaald verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Volgens vaste rechtspraak kan een herhaald verzoek afgewezen worden als zich geen nieuwe feiten of omstandigheden voordoen.



6.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat het op de zitting van 29 juli 2026 (2.2.) duidelijk was dat de situatie voor verzoekster aangrijpend was, maar dat het haar desondanks toen toch is gelukt haar standpunten naar voren te brengen. Bovendien had zij haar standpunten voorafgaand aan de zitting al in een groot aantal schriftelijke stukken uitgebreid uiteengezet en toegelicht.



6.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt verzoekster in haar e-mailbericht van 31 augustus 2026 niet alsnog aanknopingspunten naar voren voor de aanname dat verzoekster recht heeft op een hogere schadevergoeding dan het bedrag dat verweerder al aan haar heeft uitbetaald. Er is daarom geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden.




Conclusie en gevolgen


7. Het herhaald verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.







de rechter is buiten staat om te tekenen











griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:239.