Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:4031
2026-09-10
Bestuursrecht
LEE 26/2422 en LEE 26/2427
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om voorlopige voorziening. Besluit van de raad van de orde van Advocaten Noord-Nederland (de raad) waarin de goedkeuring aan de aanvraag van een nieuwe patroon is onthouden, omdat de raad de beoogd patroon als patroon ongeschikt acht. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2019:486 Raad van State 20-02-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.189 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 26/2422 en LEE 26/2427
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 september 2026 in de zaken tussen
mr. [naam 1 uit woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. R. Sanders)
LEE 26/2427
mr. [naam 2 uit woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. O.J.D.M.L. Jansen)
LEE 26/2422
hierna tezamen: verzoekers
en
de raad van de orde van Advocaten Noord-Nederland, de raad van de orde.
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het verzoek om wijziging van het patronaat dan wel de intrekking van de goedkeuring van de wijziging van het patronaat van mr. [naam 1] ( [naam 1] ) waarbij mr. [naam 2] ( [naam 2] ) als nieuwe patroon optreedt. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het administratief beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Totstandkoming van het besluit en procesverloop
2. [naam 1] heeft met [naam 2] op 27 mei 2026, net als mr. [naam 3] ( [naam 3] ), bij de raad van de orde een aanvraag ingediend tot wijziging van het patronaat waarbij [naam 2] optreedt als patroon. Verzoekers hebben, voor zover van belang, bij de aanvraag een concept arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en een stageplan gevoegd.
2.1.
Bij e-mail van 5 juni 2026 heeft een medewerker van de raad van de orde meegedeeld, dat de raad van de orde in zijn vergadering van die dag goedkeuring heeft verleend aan de wijziging van het patronaat over [naam 1] waarbij [naam 2] per 1 juli 2026 patroon zou zijn, onder de voorwaarde dat een ondertekend exemplaar van de arbeidsovereenkomst zou worden ontvangen.
2.2.
Op 22 juni 2026 hebben leden van de raad van de orde een telefoongesprek gevoerd met [naam 2] over een e-mail van 28 mei 2026, waarin [naam 2] met zijn beoogd advocaat-stagiaires een concept samenwerkingsovereenkomst besprak
2.3.
Op 22 juni 2026 heeft [naam 1] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ingediend bij de raad van de orde met de ingangsdatum van 1 juli 2026.
2.4.
Bij e-mail van 23 juni 2026 heeft de raad van de orde aan [naam 2] meegedeeld dat hij de beschikking had over een door [naam 2] op 12 juni 2026 verstuurde e-mail met bijgevoegd een concept samenwerkingsovereenkomst.
2.5.
Bij e-mail van 26 juni 2026 heeft [naam 2] meegedeeld dat de concept samenwerkingsovereenkomst in de e-mail van 12 juni 2026 geen betrekking had op de periode tijdens de stage en dat is besloten de samenwerkingsovereenkomsten niet verder te formaliseren.
2.6.
Op 29 juni 2026 heeft de raad van de orde aan verzoekers een voornemen tot weigering ofwel intrekking van de goedkeuring van het patronaat gestuurd. Hiertegen hebben verzoekers een zienswijze ingediend.
2.7.
Bij besluit van 21 juli 2026 heeft de raad van de orde de aanvraag om goedkeuring van de wijziging afgewezen ofwel subsidiair die goedkeuring ingetrokken. Volgens de raad van de orde hebben verzoekers met de ingediende arbeidsovereenkomst een schijnconstructie gepresenteerd en hieruit blijkt, volgens de raad van de orde, een gebrek aan integriteit. Dit gebrek aan integriteit maakt [naam 2] volgens de raad van de orde ongeschikt als patroon.
2.8.
Verzoekers hebben hiertegen administratief beroep ingediend en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening tet treffen.
2.9.
De raad heeft van de orde op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.10.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 27 augustus 2026 gelijktijdig, maar niet gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoekers en hun gemachtigden deelgenomen. De raad van de orde is op de zitting vertegenwoordigd door mr. F. Krol-Postma, mr. E.A.C. van der Wiel en mr. M.J.C. Schutte.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Hebben verzoekers een spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat [naam 1] door de weigering dan wel intrekking van de goedkeuring van de wijziging van het patronaat niet beschikt over een goedgekeurde patroon en geen werkzaamheden als advocaat kan verrichten. Voor [naam 2] geldt dat hij als patroon ongeschikt is geacht en [naam 1] niet kan inzetten als advocaat-stagiaire binnen zijn kantoor. Gelet op de zwaarwegende aard van deze belangen neemt de voorzieningenrechter aan dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij hun verzoek om een voorlopige voorziening.
Ziet het besluit van 21 juni 2026 ook op de beëindiging van de stage?
4. Verzoekers betogen dat de raad van de orde met het besluit 21 juli 2026 eveneens de stage heeft beëindigd zoals bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Voda door te overwegen dat [naam 1] nog steeds geen patroon heeft, omdat de opzegging van de voormalig patroon door de raad van de orde niet onredelijk is geacht.
4.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat het besluit van 21 juli 2026 niet is gericht aan de voormalig patroon van [naam 1] en dat ook verder (een besluit op) een aanvraag tot beëindiging van de stage zonder stageverklaring door de voormalig patroon niet aan het dossier is toegevoegd. In zoverre omvat het besluit van 21 juli 2026 naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen besluit waarin door de raad van de orde goedkeuring wordt verleend aan de opzegging van de voormalig patroon. Gelet hierop valt de mogelijke beëindiging van de stage bij de voormalig patroon buiten de omvang van het geding in deze procedure. De gronden die verzoekers hiertegen hebben gericht laat de voorzieningenrechter om die reden buiten bespreking.
Mocht de raad van de orde de e-mails van 28 mei 2026 en 12 juni 2026 meenemen?
5. Verzoekers hebben betoogd dat de raad van de orde geen acht heeft mogen slaan op de e-mails van 28 mei 2026 en 12 juni 2026, omdat deze e-mails volgens verzoekers niet op rechtmatige wijze zijn verkregen door de toezending daarvan door de voormalig patroon van [naam 1] aan de deken. Volgens verzoekers is sprake van een schending van het briefgeheim en ook het ambtsgeheim van de deken.
5.1.
De raad van de orde heeft toegelicht dat de e-mails door de voormalig patroon van verzoeker zijn toegezonden aan de deken en – tegelijkertijd – voorzitter van de raad van de orde. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is hiermee niet gebleken van het verkrijgen van bewijs op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend overheidsorgaan mag wordt worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat het gebruik van de e-mails niet is toegestaan. Dit betoog slaagt niet.
Heeft de raad van de orde kunnen concluderen dat [naam 2] ongeschikt is als patroon?
6. Volgens de raad van de orde is gebleken dat hij niet kan vertrouwen op de juistheid en volledigheid van de door de door de beoogd patroon, [naam 2] , verstrekte informatie en de naleving van voor de advocatuur geldende regels, waaronder in het bijzonder de kernwaarde van integriteit. Dit vertrouwen is volgens de raad van de orde essentieel voor de uitoefening van het patronaat. De raad van de orde baseert zich hierbij op e-mails tussen verzoekers en [naam 3] van 28 mei 2026 en 12 juni 2026. Uit deze e-mails blijkt volgens de raad dat sprake was van een uitgewerkte samenwerkingsconstructie voor de duur van de stage, die niet overeenstemt met de (concept) arbeidsovereenkomst die voor deze e-mails reeds aan de raad van de orde was overgelegd. Over de aard van deze constructie en het moment waarop verzoekers afstand daarvan afstand hebben gedaan, is volgens de raad van de orde wisselend en onvolledig verklaard. Gelet hierop acht de raad van de orde [naam 2] als patroon ongeschikt.
6.1.1.
De raad van de orde licht verder toe dat hij het algemeen belang vertegenwoordigt dat advocaat-stagiaires goed worden opgeleid tot integere en deskundige advocaten die de kernwaarden van de advocatuur naleven en hooghouden. Om deze reden wordt volgens de raad van de orde de stageperiode van advocaat-stagiaires nauwgezet gevolgd en worden eisen gesteld aan de inrichting van de stage en de te benoemen patroon. De patroon vervult volgens de raad van de orde de positie van werkgever en is eveneens medeverantwoordelijk voor de opleiding, begeleiding en professionele vorming van een advocaat-stagiaire. Om die reden mag volgens de raad van de orde worden verwacht dat de patroon de voor de advocatuur geldende normen niet enkel naleeft, maar deze ook uitdraagt en voorleeft.
6.2.
Verzoekers betwisten dat sprake is (geweest) van een schijnconstructie voor de duur van de stage of enig plan daartoe. De arbeidsovereenkomst die op 22 juni 2026 aan de raad van de orde is gestuurd is volgens verzoekers de enige overeenkomst die daadwerkelijk tot stand is gekomen. Op grond van deze arbeidsovereenkomst is [naam 1] per 1 juli 2026 als werknemer en advocaat-stagiaire in dienst bij het kantoor van [naam 2] . Hiermee is volgens verzoekers voldaan aan de voorwaarde die de raad van de orde op 5 juni 2026 aan de goedkeuring heeft gesteld. De concept samenwerkingsovereenkomst betreft volgens verzoekers enkel een praatstuk waarin gedachten zijn gewisseld over de samenwerking binnen het kantoor voor de periode na afloop van de stages van [naam 1] en [naam 3] . Zij wijzen erop dat voor [naam 1] nog zeven maanden van de stageperiode resteerden en dat in dat licht bezien het wisselen van gedachten over de periode na de stage ook in de rede ligt.
6.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de Advocatenwet en de Voda volgt dat de raad van de orde belast is met de goedkeuring van de stage en de beoogd patroon. Een advocaat stagiaire dient bij de raad van de orde een verzoek tot wijziging van de patroon in. Dit verzoek moet mede ondertekend worden door de beoogd patroon. De raad van de orde kan deze goedkeuring onder meer onthouden als de beoogd patroon niet geschikt wordt geacht als patroon. Bij de beoordeling van de vraag of een beoogd patroon geschikt kan worden geacht heeft de raad van de orde beoordelingsruimte.
6.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in de e-mails en de daarbij gevoegde concept samenwerkingsovereenkomst die [naam 1] , [naam 3] en [naam 2] op 28 mei 2026 en 12 juni 2026 hebben gewisseld, voor zover van belang, het volgende staat opgenomen.
6.4.1.
E-mail van [naam 1] aan [naam 2] van 28 mei 2026 om 10:42 uur.
“Zou het lukken om ons vandaag te voorzien van de concept-samenwerkingsovereenkomst? Dan kunnen wij deze doornemen, eventuele aanpassingen nog vandaag met elkaar afstemmen en de overeenkomst vervolgens afronden. Daarmee zouden we dit onderdeel volledig rond hebben.”
6.4.2.
E-mail van [naam 1] aan [naam 2] en (cc) [naam 3] van 28 mei 2026 om 13:38 uur.
“Wat betreft de samenwerkingsovereenkomst, ter bevestiging van hetgeen wij zojuist telefonisch besproken, vatten wij de gemaakte afspraken als volgt samen.
Het uitgangspunt is dat jij je voorlopig in de dossiers stelt. Zodra wij bij jou in dienst treden, nemen wij deze dossiers intern over en stellen wij ons namens cliënten bij de RvR. Dit is vooral van praktische aard, mede omdat jij op dit moment nog niet geaccrediteerd bent en daardoor nog geen aanvragen bij de RvR kunt indienen of opdrachten aan deskundigen kunt verstrekken voor het opstellen van contra-rapportages.
Ten aanzien van de financiële afspraken geldt dat van ieder dossier dat wij afronden en bij de RvR declareren, 15% aan jou toekomt en de resterende 85% aan ons. Deze verdeling geldt voor de duur van de stageperiode. Wij stellen voor om in december 2026 opnieuw bij elkaar te komen om afspraken te maken voor de samenwerking na afloop van de stageperiode.
Verder hebben wij afgesproken dat wij zelf zorgdragen voor ons loon. Omdat er op dit moment nog geen cashflow is, zal een bedrag ter hoogte van drie maanden loon op jou rekening worden gestort, bestemd voor de betaling van het minimumloon voor een derdejaarsstagiaire zoals vastgesteld door de Voda. Mochten er na de derde maand onverhoopt nog onvoldoende middelen zijn voor de loonbetaling, dan zullen wij het tekort aanvullen.
Indien je opmerkingen of aanvullingen hebt, vernemen wij dat graag. Wij zien de samenwerkingsovereenkomst met vertrouwen tegemoet.”
6.4.3.
E-mail van [naam 2] aan [naam 1] en [naam 3] van 12 juni 2026 om 11:49 uur.
“Hierbij de aangepaste versie. Graag kritisch langslopen en desgewenst aanvullen. Nadat wij akkoord ; de inhoud stuur ik deze ook nog naar [bedrijf 1] . Zij kijken met ons mee.”
6.4.4.
Bijlage bij de e-mail van [naam 2] van 12 juni 2026 om 11:49 uur.
“Samenwerkingsovereenkomst
1. [bedrijf 2] B.V. i.o., statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , rechtsgeldig vertegenwoordigd door mr. [naam 2] , hierna: “het kantoor”,
en
2. Mr. [naam 1] , advocaat-stagiair, wonende te [woonplaats] , hierna: “Advocaat 1”,
3. Mr. [naam 3] , advocaat-stagiair, wonende te [woonplaats] , hierna: “Advocaat 2”, hierna tezamen “Advocaten”.
(…)
Overwegende dat:
(…)
d. [naam 1] en [naam 3] advocaat-stagiair per 1 juli 2026 hun dienstverband met [bedrijf 3] en hun patronaat met mr [naam 4] zullen beëindigen en wensen onder te brengen bij [naam 2] ;
e. [naam 2] hiermee akkoord is en met [naam 1] en [naam 3] afspraken heeft gemaakt met betrekking tot de laatste 10 maanden van hun stageperiode. Zij gaan naast een stageovereenkomst gedrieën een samenwerking aan en wensen de gemaakte afspraken te formaliseren in een samenwerkingsovereenkomst.
(…)
Artikel 1 – Doel van de samenwerking
Deze overeenkomst regelt de commerciële organisatorische en inhoudelijke samenwerking tussen Partijen.
De reeds gesloten stageovereenkomst(en) blijven onverkort van toepassing en prevaleren bij strijdigheid met deze overeenkomst voor wat betreft de daarin geregelde zaken.
Partijen beogen nadrukkelijk geen arbeidsovereenkomst aan te gaan naast de hierboven aangegeven stageovereenkomsten.
Artikel 2 – Zelfstandige praktijkuitoefening
Advocaten oefenen hun praktijk uit binnen de organisatie van het Kantoor.
Advocaten zijn zelf verantwoordelijk voor:
- hun maandelijkse inkomen;
- af te dragen belastingen en premies;
- pensioenvoorzieningen;
- persoonlijke verzekeringen;
- opleidingsverplichtingen.
(…)
Artikel 4 – omzetverdeling
1. Voor dossiers die door Advocaten/Advocaat zijn ingebracht en door hen worden behandeld zonder inhoudelijke bijdrage van Kantoor geldt de volgende omzetverdeling:
85% Advocaat / 15% Kantoor.
2. Indien Kantoor inhoudelijk meewerkt aan een door Advocaten ingebracht dossier, wordt de omzet verdeeld op basis van:
- tijdsbesteding;
- inhoudelijke bijdrage;
- cliëntaanbreng;
- verantwoordelijkheid binnen het dossier;
- commerciële acquisitie.
(…)
Artikel 8 – Evaluatie en voortzetting
(…)
2. Drie maanden voor het einde van de stageperiode zullen Partijen gaan beoordelen
of:
- de samenwerking na afloop van de stageperiode wordt voorgezet;
- een associatie wordt aangeboden dan wel een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt aangegaan;
- Advocaten mede-aandeelhouder willen worden en daarvoor bepaalde doelstellingen moeten worden geformuleerd;
- de samenwerking na afloop van de stageperiode eindigt;
(…)
Artikel 9 – Beëindiging
1. Deze overeenkomst eindigt op 1 maart 2027 dan wel van rechtswege zodra Advocaat en 1 respectievelijk Advocaat 2 zijn stageverklaring heeft ontvangen.
(…).”
6.5.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad van de orde aan de hand van de voornoemde e-mails en bijlage kunnen concluderen dat verzoekers hebben gewerkt aan afspraken voor de duur van de stage die afwijken van de inhoud van de concept arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die verzoekers op dat moment al bij de raad van de orde hadden aangeleverd. Uit de concept samenwerkingsovereenkomst blijkt in dit verband dat partijen nadrukkelijk niet beogen een arbeidsovereenkomst aan te gaan en dat de advocaat-stagiaires onder meer zelf verantwoordelijk zijn voor hun maandelijkse inkomen, af te dragen belastingen en premies en pensioenvoorzieningen. Door verzoekers is ook verder niet betwist dat de concept samenwerkingsovereenkomst afwijkt van de (concept) arbeidsovereenkomst die verzoekers al op 27 mei 2026 bij de raad van de orde hebben ingediend.
6.6.
Voor het betoog van verzoekers dat de concept samenwerkingsovereenkomst een praatstuk en brainstormdocument is, waarin enkel gedachten worden gewisseld voor de periode na afloop van de stage ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond. Uit de e-mails van 28 mei 2026 en 12 juni 2026 evenals uit de daarbij gevoegde concept samenwerkingsovereenkomst volgt nadrukkelijk dat verzoekers hebben gewerkt aan concrete afspraken voor de duur van de stage. Dat een nog niet opgerichte B.V. partij is in de concept samenwerkingsovereenkomst kan daaraan niet afdoen, omdat in de aanhef van de concept samenwerkingsovereenkomst eveneens is onderkend dat die B.V. nog in oprichting is door de vermelding van “i.o.”. Daar komt bij dat in het door [naam 2] overgelegde definitieve stappenplan voor de inbreng in de B.V. van zijn accountant 30 september 2026 als uiterste datum voor ondertekening van de oprichtingsakten van de B.V. staat opgenomen. Dit is nog tijdens de eventuele stageperiode. Dat in de concept samenwerkingsovereenkomst eveneens is vermeld dat bepalingen uit de stageovereenkomst prevaleren boven de samenwerkingsovereenkomst maakt dit ook niet anders. Het dossier bevat eveneens het stageplan dat door verzoekers is ingediend bij de aanvraag. Daarin komt het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet naar voren. Voor zover [naam 2] heeft verwezen naar de e-mailwisseling met zijn accountant ziet de voorzieningenrechter daarin geen eenduidige aanknopingspunten voor een andere conclusie. In die communicatie wordt door [naam 2] op 20 mei 2026 gesproken over het in dienst nemen van advocaat-stagiaires en in een e-mail van 27 mei 2026 over het aangaan van een samenwerking. Daar komt bij dat de concept samenwerkingsovereenkomst van 12 juni 2026 dateert van na deze e-mails.
6.7.
Gelet hierop heeft de raad van de orde kunnen concluderen dat is gebleken dat hij zich niet kan verlaten op de juistheid en volledigheid van de door verzoekers bij de raad van de orde aangeleverde informatie. Voor partijen was in ieder geval vanaf 5 juni 2026 duidelijk dat de raad van de orde aan de goedkeuring van het patronaat de voorwaarde van het bestaan van een arbeidsovereenkomst verbond en verzoekers hadden daarvoor ook al een (concept) arbeidsovereenkomst bij de raad van de orde ingediend. Zij zijn tegelijkertijd en daarna doorgegaan met het bespreken van een samenwerkingsovereenkomst voor de duur van de stageperiode waarin afspraken staan die afwijken van de (uitgangspunten uit de) concept arbeidsovereenkomst die op 27 mei 2026 al aan de raad van de orde was overgelegd.
6.7.1.
Dat volgens verzoekers uiteindelijk is afgezien van het finaliseren van de concept samenwerkingsovereenkomst kan naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter aan die conclusie niet afdoen. Uit de e-mails van 28 mei 2026 en 12 juni 2026 blijkt dat aannemelijk is dat verzoekers de intentie hebben gehad om hun samenwerking op andere wijze in te richten dan zoals zij aan de raad van de orde al hadden gecommuniceerd. Dat is voldoende voor de conclusie dat de raad zich niet kan verlaten op de juistheid van de door verzoekers aangeleverde informatie. Dat het verzoekers op 12 juni 2026 nog vrij stond om gedachten te wisselen en afspraken te maken over de zakelijke samenwerking voor de duur van de stage op een wijze die niet overeenstemt met de door de raad van de orde vereiste en de door verzoekers in concept reeds ingediende arbeidsovereenkomst valt dan ook niet in te zien.
6.8.
Dit maakt dat de raad van de orde naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft kunnen concluderen dat in strijd is gehandeld met de kernwaarde van integriteit en dat hij om die reden ook heeft kunnen concluderen dat [naam 2] als patroon ongeschikt is zoals bedoeld in artikel 3.6, eerste lid en onder g, van de Voda.
6.9.
Gelet op het voorgaande is de raad van de orde naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd om de aanvraag tot goedkeuring van de patroonswissel te weigeren of, voor zover daarvan sprake is, een verleende goedkeuring in te trekken. Gelet op het hiervoor overwogene kan niet worden geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel zich tegen een eventuele intrekking van de goedkeuring verzet. Om die reden laat de voorzieningenrechter de beantwoording van de vraag of de e-mail van de raad van de orde van 5 juni 2026 een besluit is zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht buiten verdere bespreking.
Is het besluit waarin de goedkeuring wordt onthouden evenredig?
7. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Volgens verzoekers is onvoldoende acht geslagen op het belang van [naam 1] om de laatste zeven maanden van zijn stage als advocaat te kunnen voortzetten en afronden. Volgens verzoeker moet zijn stage in februari 2027 zijn afgerond, omdat hij anders moet worden geschrapt van het tableau en daarna een periode van vijf jaar dient te wachten. Verder wijst hij erop dat het vinden van een andere nieuwe patroon binnen dit tijdsbestek zeer waarschijnlijk niet mogelijk is. Dit belang weegt volgens verzoeker niet op tegen de door de raad van de orde uitgesproken vermoedens.
7.1.
De raad van de orde stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Hij erkent dat het besluit zwaarwegende gevolgen heeft voor verzoekers. Echter weegt volgens de raad van de orde het algemene belang van een integere beroepsuitoefening en een betrouwbare opleiding van advocaat stagiaires zwaarder dan het belang van verzoekers bij de goedkeuring. Verder heeft de raad van de orde aangevoerd dat hem is gebleken dat het enkele overschrijden van de termijn van de stage niet betekent dat geen stageverklaring volgt.
7.2.
De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van verzoekers zo dat zij stellen dat het onthouden van de goedkeuring aan het patronaat onevenwichtig is. De voorzieningenrechter ziet in het betoog van verzoekers onvoldoende grond voor het oordeel dat de gevolgen van die besluitvorming voor verzoekers onevenwichtig zijn gelet op de met de besluitvorming volgens de raad van de orde te dienen doelen.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst om die reden de verzoeken om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.A. Bekking, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 3.5, derde lid, en artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Verordening op de advocatuur (de Voda).
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:486.
Zie artikel 9b van de Advocatenwet en de artikelen 3.5, derde lid, en 3.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Voda.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 26/2422 en LEE 26/2427
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 september 2026 in de zaken tussen
mr. [naam 1 uit woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. R. Sanders)
LEE 26/2427
mr. [naam 2 uit woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. O.J.D.M.L. Jansen)
LEE 26/2422
hierna tezamen: verzoekers
en
de raad van de orde van Advocaten Noord-Nederland, de raad van de orde.
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het verzoek om wijziging van het patronaat dan wel de intrekking van de goedkeuring van de wijziging van het patronaat van mr. [naam 1] ( [naam 1] ) waarbij mr. [naam 2] ( [naam 2] ) als nieuwe patroon optreedt. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het administratief beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Totstandkoming van het besluit en procesverloop
2. [naam 1] heeft met [naam 2] op 27 mei 2026, net als mr. [naam 3] ( [naam 3] ), bij de raad van de orde een aanvraag ingediend tot wijziging van het patronaat waarbij [naam 2] optreedt als patroon. Verzoekers hebben, voor zover van belang, bij de aanvraag een concept arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en een stageplan gevoegd.
2.1.
Bij e-mail van 5 juni 2026 heeft een medewerker van de raad van de orde meegedeeld, dat de raad van de orde in zijn vergadering van die dag goedkeuring heeft verleend aan de wijziging van het patronaat over [naam 1] waarbij [naam 2] per 1 juli 2026 patroon zou zijn, onder de voorwaarde dat een ondertekend exemplaar van de arbeidsovereenkomst zou worden ontvangen.
2.2.
Op 22 juni 2026 hebben leden van de raad van de orde een telefoongesprek gevoerd met [naam 2] over een e-mail van 28 mei 2026, waarin [naam 2] met zijn beoogd advocaat-stagiaires een concept samenwerkingsovereenkomst besprak
2.3.
Op 22 juni 2026 heeft [naam 1] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ingediend bij de raad van de orde met de ingangsdatum van 1 juli 2026.
2.4.
Bij e-mail van 23 juni 2026 heeft de raad van de orde aan [naam 2] meegedeeld dat hij de beschikking had over een door [naam 2] op 12 juni 2026 verstuurde e-mail met bijgevoegd een concept samenwerkingsovereenkomst.
2.5.
Bij e-mail van 26 juni 2026 heeft [naam 2] meegedeeld dat de concept samenwerkingsovereenkomst in de e-mail van 12 juni 2026 geen betrekking had op de periode tijdens de stage en dat is besloten de samenwerkingsovereenkomsten niet verder te formaliseren.
2.6.
Op 29 juni 2026 heeft de raad van de orde aan verzoekers een voornemen tot weigering ofwel intrekking van de goedkeuring van het patronaat gestuurd. Hiertegen hebben verzoekers een zienswijze ingediend.
2.7.
Bij besluit van 21 juli 2026 heeft de raad van de orde de aanvraag om goedkeuring van de wijziging afgewezen ofwel subsidiair die goedkeuring ingetrokken. Volgens de raad van de orde hebben verzoekers met de ingediende arbeidsovereenkomst een schijnconstructie gepresenteerd en hieruit blijkt, volgens de raad van de orde, een gebrek aan integriteit. Dit gebrek aan integriteit maakt [naam 2] volgens de raad van de orde ongeschikt als patroon.
2.8.
Verzoekers hebben hiertegen administratief beroep ingediend en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening tet treffen.
2.9.
De raad heeft van de orde op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.10.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 27 augustus 2026 gelijktijdig, maar niet gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoekers en hun gemachtigden deelgenomen. De raad van de orde is op de zitting vertegenwoordigd door mr. F. Krol-Postma, mr. E.A.C. van der Wiel en mr. M.J.C. Schutte.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Hebben verzoekers een spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat [naam 1] door de weigering dan wel intrekking van de goedkeuring van de wijziging van het patronaat niet beschikt over een goedgekeurde patroon en geen werkzaamheden als advocaat kan verrichten. Voor [naam 2] geldt dat hij als patroon ongeschikt is geacht en [naam 1] niet kan inzetten als advocaat-stagiaire binnen zijn kantoor. Gelet op de zwaarwegende aard van deze belangen neemt de voorzieningenrechter aan dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij hun verzoek om een voorlopige voorziening.
Ziet het besluit van 21 juni 2026 ook op de beëindiging van de stage?
4. Verzoekers betogen dat de raad van de orde met het besluit 21 juli 2026 eveneens de stage heeft beëindigd zoals bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Voda door te overwegen dat [naam 1] nog steeds geen patroon heeft, omdat de opzegging van de voormalig patroon door de raad van de orde niet onredelijk is geacht.
4.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat het besluit van 21 juli 2026 niet is gericht aan de voormalig patroon van [naam 1] en dat ook verder (een besluit op) een aanvraag tot beëindiging van de stage zonder stageverklaring door de voormalig patroon niet aan het dossier is toegevoegd. In zoverre omvat het besluit van 21 juli 2026 naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen besluit waarin door de raad van de orde goedkeuring wordt verleend aan de opzegging van de voormalig patroon. Gelet hierop valt de mogelijke beëindiging van de stage bij de voormalig patroon buiten de omvang van het geding in deze procedure. De gronden die verzoekers hiertegen hebben gericht laat de voorzieningenrechter om die reden buiten bespreking.
Mocht de raad van de orde de e-mails van 28 mei 2026 en 12 juni 2026 meenemen?
5. Verzoekers hebben betoogd dat de raad van de orde geen acht heeft mogen slaan op de e-mails van 28 mei 2026 en 12 juni 2026, omdat deze e-mails volgens verzoekers niet op rechtmatige wijze zijn verkregen door de toezending daarvan door de voormalig patroon van [naam 1] aan de deken. Volgens verzoekers is sprake van een schending van het briefgeheim en ook het ambtsgeheim van de deken.
5.1.
De raad van de orde heeft toegelicht dat de e-mails door de voormalig patroon van verzoeker zijn toegezonden aan de deken en – tegelijkertijd – voorzitter van de raad van de orde. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is hiermee niet gebleken van het verkrijgen van bewijs op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend overheidsorgaan mag wordt worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat het gebruik van de e-mails niet is toegestaan. Dit betoog slaagt niet.
Heeft de raad van de orde kunnen concluderen dat [naam 2] ongeschikt is als patroon?
6. Volgens de raad van de orde is gebleken dat hij niet kan vertrouwen op de juistheid en volledigheid van de door de door de beoogd patroon, [naam 2] , verstrekte informatie en de naleving van voor de advocatuur geldende regels, waaronder in het bijzonder de kernwaarde van integriteit. Dit vertrouwen is volgens de raad van de orde essentieel voor de uitoefening van het patronaat. De raad van de orde baseert zich hierbij op e-mails tussen verzoekers en [naam 3] van 28 mei 2026 en 12 juni 2026. Uit deze e-mails blijkt volgens de raad dat sprake was van een uitgewerkte samenwerkingsconstructie voor de duur van de stage, die niet overeenstemt met de (concept) arbeidsovereenkomst die voor deze e-mails reeds aan de raad van de orde was overgelegd. Over de aard van deze constructie en het moment waarop verzoekers afstand daarvan afstand hebben gedaan, is volgens de raad van de orde wisselend en onvolledig verklaard. Gelet hierop acht de raad van de orde [naam 2] als patroon ongeschikt.
6.1.1.
De raad van de orde licht verder toe dat hij het algemeen belang vertegenwoordigt dat advocaat-stagiaires goed worden opgeleid tot integere en deskundige advocaten die de kernwaarden van de advocatuur naleven en hooghouden. Om deze reden wordt volgens de raad van de orde de stageperiode van advocaat-stagiaires nauwgezet gevolgd en worden eisen gesteld aan de inrichting van de stage en de te benoemen patroon. De patroon vervult volgens de raad van de orde de positie van werkgever en is eveneens medeverantwoordelijk voor de opleiding, begeleiding en professionele vorming van een advocaat-stagiaire. Om die reden mag volgens de raad van de orde worden verwacht dat de patroon de voor de advocatuur geldende normen niet enkel naleeft, maar deze ook uitdraagt en voorleeft.
6.2.
Verzoekers betwisten dat sprake is (geweest) van een schijnconstructie voor de duur van de stage of enig plan daartoe. De arbeidsovereenkomst die op 22 juni 2026 aan de raad van de orde is gestuurd is volgens verzoekers de enige overeenkomst die daadwerkelijk tot stand is gekomen. Op grond van deze arbeidsovereenkomst is [naam 1] per 1 juli 2026 als werknemer en advocaat-stagiaire in dienst bij het kantoor van [naam 2] . Hiermee is volgens verzoekers voldaan aan de voorwaarde die de raad van de orde op 5 juni 2026 aan de goedkeuring heeft gesteld. De concept samenwerkingsovereenkomst betreft volgens verzoekers enkel een praatstuk waarin gedachten zijn gewisseld over de samenwerking binnen het kantoor voor de periode na afloop van de stages van [naam 1] en [naam 3] . Zij wijzen erop dat voor [naam 1] nog zeven maanden van de stageperiode resteerden en dat in dat licht bezien het wisselen van gedachten over de periode na de stage ook in de rede ligt.
6.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de Advocatenwet en de Voda volgt dat de raad van de orde belast is met de goedkeuring van de stage en de beoogd patroon. Een advocaat stagiaire dient bij de raad van de orde een verzoek tot wijziging van de patroon in. Dit verzoek moet mede ondertekend worden door de beoogd patroon. De raad van de orde kan deze goedkeuring onder meer onthouden als de beoogd patroon niet geschikt wordt geacht als patroon. Bij de beoordeling van de vraag of een beoogd patroon geschikt kan worden geacht heeft de raad van de orde beoordelingsruimte.
6.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in de e-mails en de daarbij gevoegde concept samenwerkingsovereenkomst die [naam 1] , [naam 3] en [naam 2] op 28 mei 2026 en 12 juni 2026 hebben gewisseld, voor zover van belang, het volgende staat opgenomen.
6.4.1.
E-mail van [naam 1] aan [naam 2] van 28 mei 2026 om 10:42 uur.
“Zou het lukken om ons vandaag te voorzien van de concept-samenwerkingsovereenkomst? Dan kunnen wij deze doornemen, eventuele aanpassingen nog vandaag met elkaar afstemmen en de overeenkomst vervolgens afronden. Daarmee zouden we dit onderdeel volledig rond hebben.”
6.4.2.
E-mail van [naam 1] aan [naam 2] en (cc) [naam 3] van 28 mei 2026 om 13:38 uur.
“Wat betreft de samenwerkingsovereenkomst, ter bevestiging van hetgeen wij zojuist telefonisch besproken, vatten wij de gemaakte afspraken als volgt samen.
Het uitgangspunt is dat jij je voorlopig in de dossiers stelt. Zodra wij bij jou in dienst treden, nemen wij deze dossiers intern over en stellen wij ons namens cliënten bij de RvR. Dit is vooral van praktische aard, mede omdat jij op dit moment nog niet geaccrediteerd bent en daardoor nog geen aanvragen bij de RvR kunt indienen of opdrachten aan deskundigen kunt verstrekken voor het opstellen van contra-rapportages.
Ten aanzien van de financiële afspraken geldt dat van ieder dossier dat wij afronden en bij de RvR declareren, 15% aan jou toekomt en de resterende 85% aan ons. Deze verdeling geldt voor de duur van de stageperiode. Wij stellen voor om in december 2026 opnieuw bij elkaar te komen om afspraken te maken voor de samenwerking na afloop van de stageperiode.
Verder hebben wij afgesproken dat wij zelf zorgdragen voor ons loon. Omdat er op dit moment nog geen cashflow is, zal een bedrag ter hoogte van drie maanden loon op jou rekening worden gestort, bestemd voor de betaling van het minimumloon voor een derdejaarsstagiaire zoals vastgesteld door de Voda. Mochten er na de derde maand onverhoopt nog onvoldoende middelen zijn voor de loonbetaling, dan zullen wij het tekort aanvullen.
Indien je opmerkingen of aanvullingen hebt, vernemen wij dat graag. Wij zien de samenwerkingsovereenkomst met vertrouwen tegemoet.”
6.4.3.
E-mail van [naam 2] aan [naam 1] en [naam 3] van 12 juni 2026 om 11:49 uur.
“Hierbij de aangepaste versie. Graag kritisch langslopen en desgewenst aanvullen. Nadat wij akkoord ; de inhoud stuur ik deze ook nog naar [bedrijf 1] . Zij kijken met ons mee.”
6.4.4.
Bijlage bij de e-mail van [naam 2] van 12 juni 2026 om 11:49 uur.
“Samenwerkingsovereenkomst
1. [bedrijf 2] B.V. i.o., statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , rechtsgeldig vertegenwoordigd door mr. [naam 2] , hierna: “het kantoor”,
en
2. Mr. [naam 1] , advocaat-stagiair, wonende te [woonplaats] , hierna: “Advocaat 1”,
3. Mr. [naam 3] , advocaat-stagiair, wonende te [woonplaats] , hierna: “Advocaat 2”, hierna tezamen “Advocaten”.
(…)
Overwegende dat:
(…)
d. [naam 1] en [naam 3] advocaat-stagiair per 1 juli 2026 hun dienstverband met [bedrijf 3] en hun patronaat met mr [naam 4] zullen beëindigen en wensen onder te brengen bij [naam 2] ;
e. [naam 2] hiermee akkoord is en met [naam 1] en [naam 3] afspraken heeft gemaakt met betrekking tot de laatste 10 maanden van hun stageperiode. Zij gaan naast een stageovereenkomst gedrieën een samenwerking aan en wensen de gemaakte afspraken te formaliseren in een samenwerkingsovereenkomst.
(…)
Artikel 1 – Doel van de samenwerking
Deze overeenkomst regelt de commerciële organisatorische en inhoudelijke samenwerking tussen Partijen.
De reeds gesloten stageovereenkomst(en) blijven onverkort van toepassing en prevaleren bij strijdigheid met deze overeenkomst voor wat betreft de daarin geregelde zaken.
Partijen beogen nadrukkelijk geen arbeidsovereenkomst aan te gaan naast de hierboven aangegeven stageovereenkomsten.
Artikel 2 – Zelfstandige praktijkuitoefening
Advocaten oefenen hun praktijk uit binnen de organisatie van het Kantoor.
Advocaten zijn zelf verantwoordelijk voor:
- hun maandelijkse inkomen;
- af te dragen belastingen en premies;
- pensioenvoorzieningen;
- persoonlijke verzekeringen;
- opleidingsverplichtingen.
(…)
Artikel 4 – omzetverdeling
1. Voor dossiers die door Advocaten/Advocaat zijn ingebracht en door hen worden behandeld zonder inhoudelijke bijdrage van Kantoor geldt de volgende omzetverdeling:
85% Advocaat / 15% Kantoor.
2. Indien Kantoor inhoudelijk meewerkt aan een door Advocaten ingebracht dossier, wordt de omzet verdeeld op basis van:
- tijdsbesteding;
- inhoudelijke bijdrage;
- cliëntaanbreng;
- verantwoordelijkheid binnen het dossier;
- commerciële acquisitie.
(…)
Artikel 8 – Evaluatie en voortzetting
(…)
2. Drie maanden voor het einde van de stageperiode zullen Partijen gaan beoordelen
of:
- de samenwerking na afloop van de stageperiode wordt voorgezet;
- een associatie wordt aangeboden dan wel een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt aangegaan;
- Advocaten mede-aandeelhouder willen worden en daarvoor bepaalde doelstellingen moeten worden geformuleerd;
- de samenwerking na afloop van de stageperiode eindigt;
(…)
Artikel 9 – Beëindiging
1. Deze overeenkomst eindigt op 1 maart 2027 dan wel van rechtswege zodra Advocaat en 1 respectievelijk Advocaat 2 zijn stageverklaring heeft ontvangen.
(…).”
6.5.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad van de orde aan de hand van de voornoemde e-mails en bijlage kunnen concluderen dat verzoekers hebben gewerkt aan afspraken voor de duur van de stage die afwijken van de inhoud van de concept arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die verzoekers op dat moment al bij de raad van de orde hadden aangeleverd. Uit de concept samenwerkingsovereenkomst blijkt in dit verband dat partijen nadrukkelijk niet beogen een arbeidsovereenkomst aan te gaan en dat de advocaat-stagiaires onder meer zelf verantwoordelijk zijn voor hun maandelijkse inkomen, af te dragen belastingen en premies en pensioenvoorzieningen. Door verzoekers is ook verder niet betwist dat de concept samenwerkingsovereenkomst afwijkt van de (concept) arbeidsovereenkomst die verzoekers al op 27 mei 2026 bij de raad van de orde hebben ingediend.
6.6.
Voor het betoog van verzoekers dat de concept samenwerkingsovereenkomst een praatstuk en brainstormdocument is, waarin enkel gedachten worden gewisseld voor de periode na afloop van de stage ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond. Uit de e-mails van 28 mei 2026 en 12 juni 2026 evenals uit de daarbij gevoegde concept samenwerkingsovereenkomst volgt nadrukkelijk dat verzoekers hebben gewerkt aan concrete afspraken voor de duur van de stage. Dat een nog niet opgerichte B.V. partij is in de concept samenwerkingsovereenkomst kan daaraan niet afdoen, omdat in de aanhef van de concept samenwerkingsovereenkomst eveneens is onderkend dat die B.V. nog in oprichting is door de vermelding van “i.o.”. Daar komt bij dat in het door [naam 2] overgelegde definitieve stappenplan voor de inbreng in de B.V. van zijn accountant 30 september 2026 als uiterste datum voor ondertekening van de oprichtingsakten van de B.V. staat opgenomen. Dit is nog tijdens de eventuele stageperiode. Dat in de concept samenwerkingsovereenkomst eveneens is vermeld dat bepalingen uit de stageovereenkomst prevaleren boven de samenwerkingsovereenkomst maakt dit ook niet anders. Het dossier bevat eveneens het stageplan dat door verzoekers is ingediend bij de aanvraag. Daarin komt het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet naar voren. Voor zover [naam 2] heeft verwezen naar de e-mailwisseling met zijn accountant ziet de voorzieningenrechter daarin geen eenduidige aanknopingspunten voor een andere conclusie. In die communicatie wordt door [naam 2] op 20 mei 2026 gesproken over het in dienst nemen van advocaat-stagiaires en in een e-mail van 27 mei 2026 over het aangaan van een samenwerking. Daar komt bij dat de concept samenwerkingsovereenkomst van 12 juni 2026 dateert van na deze e-mails.
6.7.
Gelet hierop heeft de raad van de orde kunnen concluderen dat is gebleken dat hij zich niet kan verlaten op de juistheid en volledigheid van de door verzoekers bij de raad van de orde aangeleverde informatie. Voor partijen was in ieder geval vanaf 5 juni 2026 duidelijk dat de raad van de orde aan de goedkeuring van het patronaat de voorwaarde van het bestaan van een arbeidsovereenkomst verbond en verzoekers hadden daarvoor ook al een (concept) arbeidsovereenkomst bij de raad van de orde ingediend. Zij zijn tegelijkertijd en daarna doorgegaan met het bespreken van een samenwerkingsovereenkomst voor de duur van de stageperiode waarin afspraken staan die afwijken van de (uitgangspunten uit de) concept arbeidsovereenkomst die op 27 mei 2026 al aan de raad van de orde was overgelegd.
6.7.1.
Dat volgens verzoekers uiteindelijk is afgezien van het finaliseren van de concept samenwerkingsovereenkomst kan naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter aan die conclusie niet afdoen. Uit de e-mails van 28 mei 2026 en 12 juni 2026 blijkt dat aannemelijk is dat verzoekers de intentie hebben gehad om hun samenwerking op andere wijze in te richten dan zoals zij aan de raad van de orde al hadden gecommuniceerd. Dat is voldoende voor de conclusie dat de raad zich niet kan verlaten op de juistheid van de door verzoekers aangeleverde informatie. Dat het verzoekers op 12 juni 2026 nog vrij stond om gedachten te wisselen en afspraken te maken over de zakelijke samenwerking voor de duur van de stage op een wijze die niet overeenstemt met de door de raad van de orde vereiste en de door verzoekers in concept reeds ingediende arbeidsovereenkomst valt dan ook niet in te zien.
6.8.
Dit maakt dat de raad van de orde naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft kunnen concluderen dat in strijd is gehandeld met de kernwaarde van integriteit en dat hij om die reden ook heeft kunnen concluderen dat [naam 2] als patroon ongeschikt is zoals bedoeld in artikel 3.6, eerste lid en onder g, van de Voda.
6.9.
Gelet op het voorgaande is de raad van de orde naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd om de aanvraag tot goedkeuring van de patroonswissel te weigeren of, voor zover daarvan sprake is, een verleende goedkeuring in te trekken. Gelet op het hiervoor overwogene kan niet worden geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel zich tegen een eventuele intrekking van de goedkeuring verzet. Om die reden laat de voorzieningenrechter de beantwoording van de vraag of de e-mail van de raad van de orde van 5 juni 2026 een besluit is zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht buiten verdere bespreking.
Is het besluit waarin de goedkeuring wordt onthouden evenredig?
7. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Volgens verzoekers is onvoldoende acht geslagen op het belang van [naam 1] om de laatste zeven maanden van zijn stage als advocaat te kunnen voortzetten en afronden. Volgens verzoeker moet zijn stage in februari 2027 zijn afgerond, omdat hij anders moet worden geschrapt van het tableau en daarna een periode van vijf jaar dient te wachten. Verder wijst hij erop dat het vinden van een andere nieuwe patroon binnen dit tijdsbestek zeer waarschijnlijk niet mogelijk is. Dit belang weegt volgens verzoeker niet op tegen de door de raad van de orde uitgesproken vermoedens.
7.1.
De raad van de orde stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Hij erkent dat het besluit zwaarwegende gevolgen heeft voor verzoekers. Echter weegt volgens de raad van de orde het algemene belang van een integere beroepsuitoefening en een betrouwbare opleiding van advocaat stagiaires zwaarder dan het belang van verzoekers bij de goedkeuring. Verder heeft de raad van de orde aangevoerd dat hem is gebleken dat het enkele overschrijden van de termijn van de stage niet betekent dat geen stageverklaring volgt.
7.2.
De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van verzoekers zo dat zij stellen dat het onthouden van de goedkeuring aan het patronaat onevenwichtig is. De voorzieningenrechter ziet in het betoog van verzoekers onvoldoende grond voor het oordeel dat de gevolgen van die besluitvorming voor verzoekers onevenwichtig zijn gelet op de met de besluitvorming volgens de raad van de orde te dienen doelen.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst om die reden de verzoeken om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.A. Bekking, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 3.5, derde lid, en artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Verordening op de advocatuur (de Voda).
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:486.
Zie artikel 9b van de Advocatenwet en de artikelen 3.5, derde lid, en 3.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Voda.