Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3972

2026-09-18 Bestuursrecht LEE 25/2198
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-18
Publicatiedatum
2026-09-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
LEE 25/2198
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het IMG heeft erkend dat de motivering van het bestreden besluit gebreken kent en dat om die reden aan eiseres de gevraagde schadevergoeding toekomt. Daarnaast wijdt de rechtbank overwegingen aan het vraagstuk van onafhankelijkheid van deskundigen.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.052 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: LEE 25/2198


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: [naam 2] ),


en


Instituut Mijnbouwschade Groningen, IMG
(gemachtigden: mr. S.C. Goldbohm en mr. B.P. van der Togt).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om vergoeding van schade aan haar woning. Eiseres voert een aantal beroepsgronden aan tegen het (bestreden) besluit op bezwaar. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat aan eiseres schadevergoeding toegekend moet worden. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor vergoeding van gestelde fysieke aardbevingsschade. Het IMG heeft deze aanvraag met het besluit van 4 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is het IMG bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres haar gemachtigde, bijgestaan door deskundigen W. de Wit en F. de Vries en namens het IMG de gemachtigden en deskundige [naam 3] van D.O.G. Ingenieurs B.V.(verder respectievelijk te noemen: de Deskundige en D.O.G.)








Beoordeling door de rechtbank


3.1.
Ter zitting hebben de gemachtigden van het IMG erkend dat de motivering van het bestreden besluit gebreken kent en dat om die reden aan eiseres de gevraagde schadevergoeding toekomt, alsmede vergoeding van overige kosten.



3.2.
Voorts is besproken dat het gaat om de volgende kosten:
- herstelkosten van de fysieke schade: € 1.225,93
- overlastvergoeding: € 1.200
- vergoeding thuisblijven: € 115
- kosten bezwaarprocedure: € 1.000
- kosten beroepsprocedure: € 2.100.

De laatste post is opgebouwd uit € 600 voor verletkosten van de gemachtigde (voor de regiezitting van 1 oktober 2025 en de zitting van 8 april 2026) en € 1.500 voor kosten van de deskundigen.
Het totaal van het te vergoeden bedrag komt daarmee op € 5.640,93 (€ 2.540,93 schadevergoeding en € 3.100 vergoeding proceskosten)




4.1.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank verzocht desalniettemin uitspraak te doen over een aantal aspecten van de werkwijze van het IMG. Hij heeft toegelicht dat dit voor hem een principiële kwestie is.



4.2.
Volgens vaste rechtspraakis de bestuursrechter in principe niet geroepen uitspraak te doen over de genoemde aspecten van de werkwijze van het IMG, uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. Door de (op zich zeer late) erkenning door verweerder van de onrechtmatigheid van het bestreden besluit en de instemming van verweerder met bovengenoemde vergoeding, zou het belang van een inhoudelijke beoordeling van het beroep zijn komen te vervallen. Echter: in het onderhavige geval ziet de rechtbank toch aanleiding om nader in te gaan op hetgeen door de gemachtigde is aangevoerd, met name gebaseerd op een onderzoek van Follow the Money, RTV Noord en RTV Drenthe (verder: het Rapport), waarover begin april 2026 in de pers is gepubliceerd en hetgeen van belang kan zijn voor de waarde die gehecht kan worden aan de rapporten van de door het IMG ingeschakelde onafhankelijke deskundige.



4.3.
De gemachtigde heeft in dat kader onder meer aangegeven dat hij deze kwestie expliciet ter beoordeling voorlegt -ondanks het hiervoor genoemde aanbod van het IMG- omdat sprake is (geweest) van een voor eiseres langlopend en belastend traject wat betreft de afwikkeling van schades aan haar woning. Dit heeft in de loop der tijd geleid tot diverse onderzoeken door deskundigen die door het IMG zijn ingeschakeld. Uiteindelijk is het resultaat geweest dat het overgrote deel van deze schades alsnog is afgewikkeld, met uitzondering van nog één resterende schade die in deze zaak aan de orde is. De gemachtigde van eiseres heeft aangegeven dat hij geruime tijd getracht heeft met het IMG tot overeenstemming te komen over deze laatste schade, hetgeen volgens de gemachtigde niet heeft geleid tot een oplossing, met name omdat het IMG, zo geeft de gemachtigde aan, zich -zijns inziens ten onrechte- bleef beroepen op het oordeel van de hiervoor genoemde Deskundige. De gemachtigde van eiseres heeft in dat kader aangegeven dat gezien de onderzoeksresultaten van het hiervoor genoemde Rapport van Follow the Money c.s. en dan met name ten aanzien van D.O.G. en de Deskundige, het maar zeer de vraag is in hoeverre dergelijke deskundigen nog zijn te kwalificeren als onafhankelijke deskundigen zonder een persoonlijk belang. De gemachtigde van eiseres sluit niet uit dat het lange tijdsverloop en de belasting die dit voor eiseres met zich mee heeft gebracht, het gevolg is van de volgens hem niet onafhankelijke handelwijze van de Deskundige. Hij heeft aangegeven dat hij om die reden ook niet heeft ingestemd met het aanbod dat het IMG vlak voor de zitting heeft gedaan, met name niet voor zover het betrof het in dat kader niet (meer) doorlaten gaan van de zitting.



4.4.
Kort samengevat blijkt uit het Rapport dat een aantal van de ingeschakelde deskundigen(bureaus) op jaarbasis vele miljoenen konden verdienen (in totaal zou sinds 2018 bijna 600 miljoen euro door het IMG aan dergelijke bureaus zijn voldaan) en meer in het bijzonder zouden diverse bureaus het eigen vermogen op jaarbasis met tientallen miljoenen euro’s hebben zien toenemen (naast een volgens het onderzoek “onjuiste werkwijze” van deze bureaus: dit laatste is voor het onderhavige geschil niet van belang). Naar aanleiding van dit Rapport zijn onder meer Kamervragen gesteld en moties ingediend en is door de verantwoordelijk minister aangegeven dat strenger toezicht gehouden zal gaan worden.



4.5.
In het Rapport is meer specifiek ingegaan op de positie van D.O.G. (naast een ander bureau, 10BE, in deze zaak verder niet van belang). Onder meer wordt aangegeven dat niet alleen het eigen vermogen van D.O.G. zelf substantieel zou zijn toegenomen; meer in het bijzonder blijkt uit het ingestelde onderzoek dat het vermogen van een aantal (indirect) bestuurders en aandeelhouders explosief is gegroeid. Vermeld wordt dat het eigen vermogen van de (persoonlijke) Holding van één van de (indirecte) bestuurders/aandeelhouders van D.O.G. in een paar jaar tijd zou zijn gestegen van 1 miljoen euro naar 61 miljoen euro. Wel wordt daarbij aangegeven dat niet helemaal duidelijk is of de groei alleen afkomstig is van werkzaamheden door D.O.G. maar nadere informatie daarover heeft D.O.G. niet willen verstrekken.



4.6.
De rechtbank heeft de Deskundige ter zitting hierover vragen gesteld. Naast de informatie blijkend uit het Rapport, bestond daarvoor de volgende reden: in het kader van het onderzoek naar de onafhankelijkheid van deskundigen verzoekt het IMG een dergelijke deskundige om een “Disclosure Statement onafhankelijke deskundige IMG” in te vullen. De Deskundige heeft dit (ook) voor de onderhavige zaak ingevuld: het IMG heeft dit stuk in het geding gebracht. Hieruit blijkt dat de Deskundige werkzaam is bij en eigenaar is van W2N, een ingenieursbureau dat zoals blijkt uit de door de Deskundige gegeven informatie onder meer werkzaam is voor NCG (aldus Mijnbouwschade-gerelateerd). Voor zover het betreft zijn rol bij D.O.G. wordt slechts vermeld dat de deskundige de rol heeft van “Technisch manager/ Geo specialist” en zich bezighoudt met het opstellen van rapporten ten behoeve van het IMG. Zoals hierna zal blijken is deze informatie verre van correct en onvolledig.



4.7.
Vervolgens is met de Deskundige gesproken over hetgeen wordt vermeld in het Rapport omtrent D.O.G. en de Holding, die bestuurder/aandeelhouder is in D.O.G. Naar aanleiding van vragen bleek, in tegenstelling tot hetgeen de Deskundige in het Disclosure Statement heeft opgegeven, dat de Deskundige de directeur en aandeelhouder is van de hiervoor genoemde persoonlijke Holding en aldus via de Holding (indirect) bestuurder van D.O.G. en als (indirect) aandeelhouder een direct eigenbelang heeft bij D.O.G. Volgens de Deskundige kloppen de in het rapport genoemde gegevens niet, onder meer omdat honderden medewerkers bij D.O.G. werkzaam zijn en de salariskosten in mindering dienen te komen op de in het Rapport genoemde bedragen. De Deskundige is erop gewezen dat wat betreft de door hem genoemde kosten onderscheid gemaakt moet worden tussen D.O.G. en de Holding. De genoemde salariskosten vallen binnen D.O.G. en komen in mindering op het resultaat van deze vennootschap. Deze kosten staan aldus buiten de hier voorgenoemde vermogenstoename van de Holding (overigens een resultaat na aftrek van belasting). Voorts gaf de Deskundige aan dat de vermogenstoename in de Holding het resultaat is van andere activiteiten. Omdat dit niet uit te sluiten valt, heeft de rechtbank getracht hierover meer duidelijkheid te verkrijgen van de Deskundige. De Deskundige heeft deze vragen niet beantwoord. Uiteraard is dat zijn goed recht, maar zonder enige verdere toelichting (ook niet waarom sprake zou zijn van de door de Deskundigen genoemde framing) staat het de rechtbank verder vrij daaraan de conclusies te verbinden die zij geraden acht.



4.8.
Gezien enerzijds de onvolledige informatie in het Disclosure Statement, anderzijds de informatie die blijkt uit het Rapport, en meer in het bijzonder de antwoorden die de Deskundige ter zitting heeft gegeven (deels: niet gegeven) staat het voor de rechtbank onvoldoende vast dat de Deskundige geen persoonlijk belang heeft. Om die reden valt hij niet te kwalificeren als onafhankelijke deskundige. Van een onafhankelijke deskundige mag (ten minste) verwacht worden dat hij informatie omtrent zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid op correcte wijze en volledig weergeeft, zodat dit niet alleen voor het IMG maar ook voor de rechtbank inzichtelijk en controleerbaar is. Voor de rechtbank zou dit, indien het was gekomen tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak, reden kunnen zijn geweest om het rapport van de Deskundige, ondanks zijn status van onafhankelijk deskundige, niet in de beoordeling van het geschil mee te wegen. De rechtbank gaat ervan uit dat het verder op de weg van het IMG ligt om met betrekking tot de hiervoor genoemde problematiek meer duidelijkheid te verschaffen.



4.9.
Bij de beoordeling en waardering van rapporten van onafhankelijke deskundigen speelt naar het oordeel van de rechtbank tevens een rol dat uit de veelheid van procedures op het gebied van Mijnbouwschade, in ieder geval wel duidelijk is dat de meningen van deskundigen omtrent de oorzaak van een bepaald schadegeval inhoudelijk sterk kunnen verschillen, ondanks een gedegen motivering. Dit geldt niet alleen in de vergelijking tussen de onafhankelijke deskundigen van het IMG en de deskundigen van partijen, maar voorts in zaken waar het IMG meerdere deskundigen de schade-oorzaak heeft laten onderzoeken, waarbij ook deze deskundigen tot tegenstrijdige beoordelingen komen. Mede in het licht van het feit dat het in dit verband gaat om het weerleggen van een bewijsvermoeden, dient de inhoudelijke beoordeling en onderbouwing in rapporten van de onafhankelijke deskundige zodanig voldoende inzichtelijk te zijn dat de rechter daardoor in staat is om ook technisch ingewikkelde onderzoeksresultaten te kunnen controleren op haar juistheid en tot een gewogen beslissing kan komen. Daarbij kan het in voorkomende gevallen van belang zijn dat onder meer door de onafhankelijke deskundige wordt vermeld of binnen het vakgebied mogelijk sprake is van verschillende opvattingen, waarbij de deskundigen dan moet motiveren waarom hij specifiek voor de door hem gekozen “route” heeft gekozen; zie in dit verband: mr.dr. M. Visser, Controleerbaarheid van deskundigenadviezen (Expertise en recht 2024-3 pag. 116 e.v.).



4.10.
In de situatie dat sprake is van meerdere potentiële oorzaken, mag van de onafhankelijke deskundige voorts verwacht worden dat hij ook gemotiveerd een andersluidend standpunt van de deskundigen van een eisende partij weerlegt. Deze motiveringseis geldt zeker in een situatie dat sprake is van meerdere schades, waarvan een deel wel als aardbevingsgevolg wordt gekwalificeerd. In dat geval is de enkele opmerking dat een bepaalde schade geen aardbevingsgevolg zou kunnen zijn, omdat de trillingssnelheid te laag zou zijn, onvoldoende.





Conclusie en gevolgen


5.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat het IMG aan eiseres een schadevergoeding dient te betalen van € 2.540,93.



5.2.
Omdat het beroep gegrond is moet IMG het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 8 mei 2025;
- herroept het besluit van 4 februari 2025;
- bepaalt dat het IMG aan eiseres een schadevergoeding dient te betalen van
€ 2.540,93 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het IMG het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het IMG tot betaling van € € 3.100,- aan proceskosten aan eiseres.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026.















griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1610, en van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4804.


Zie onder meer de uitspraken van de AbRS van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, nrs. 49 e.v. en van 1 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2682, nrs. 48 e.v.