Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3968
2026-09-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
LEE 26/1474
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
IB/PVV, uitzendregeling eigen woning na afloop tijdelijke verhuur, ongegrond
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:2015:355 Hoge Raad 20-02-2015
- ECLI:NL:PHR:2014:1890 Parket bij de Hoge Raad 15-10-2014
- ECLI:NL:HR:2011:BP5536 Hoge Raad 25-02-2011
- ECLI:NL:HR:2011:BP5536 Hoge Raad 25-02-2011
- ECLI:NL:HR:2026:59 Hoge Raad 16-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.871 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1474
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst Particulieren/kantoor Den Haag, de inspecteur
(gemachtigde: [gemachtigde inspecteur] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2022 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende is het niet eens met de aanslag en de beschikking belastingrente. Hij is van mening dat de zogenaamde uitzendregeling van artikel 3.111, zesde lid van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) na beëindiging van de tijdelijke verhuur van de woning weer van toepassing is. Ook is hij het niet eens met de belastingrente. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag IB/PVV 2022 en de beschikking belastingrente terecht en naar de juiste bedragen heeft opgelegd danwel afgegeven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanslag IB/PVV 2022 en de beschikking belastingrente terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd resp. afgegeven. Dit betekent dat de aanslag en de beschikking belastingrente in stand blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 149.093 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil.
2.1.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 517 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
2.2.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 maart 2026 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
2.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [persoon 1] .
Feiten
3. Belanghebbende is gehuwd. Hij en zijn echtgenote kwalificeren gedurende het gehele jaar 2022 als partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet IB 2001 en artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
4. Belanghebbende is in de periode van 1 oktober 2019 tot 1 oktober 2023 door zijn werkgever uitgezonden naar Bonaire. De uitzendperiode betrof aanvankelijk de periode van 1 oktober 2019 tot 31 augustus 2022. Op 20 juli 2022 heeft belanghebbende een overeenkomst met zijn werkgever getekend, strekkende tot verlenging van de uitzendperiode tot 1 oktober 2023.
5. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn gezamenlijk eigenaar van een woning op het adres [straatnaam + huisnummer] , te [woonplaats] (de woning). Zij stonden vanaf 1 maart 2008 in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op dit adres. Belanghebbende en zijn echtgenote stonden volgens de BRP van 20 september 2019 tot 2 oktober 2023 ingeschreven op adressen in Bonaire.
6. De woning is in de periode van 14 september 2020 tot 16 augustus 2022 door belanghebbende verhuurd aan derden.
7. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 ter zake van de woning een eigenwoningforfait in aanmerking genomen van € 1.121, berekend over de periode van 16 augustus 2022 tot en met 31 december 2022. Verder heeft belanghebbende met betrekking tot dezelfde periode een bedrag van € 9.530 aan aftrekbare rente in aanmerking genomen. Het saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning van negatief € 8.409 is volledig toegerekend aan belanghebbende.
8. De inspecteur heeft in zijn brief van 12 augustus 2025 onder meer het volgende geschreven:
'Ik heb uw aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2022 beoordeeld.
(...)
Uit mijn gegevens is gebleken dat uw eigen woning gedurende uw verblijf op Bonaire ter beschikking heeft gestaan aan een derde. U hebt de regelgeving in de jaren 2020 en 2021 correct toegepast en de eigen woning in box 3 opgenomen.
In 2022 hebt u de eigen woning echter weer in box 1 opgenomen en hebt u de kosten die zijn verbonden aan de hypothecaire lening op de woning in aftrek gebracht. Indien echter de eigen woning tijdens de uitzending ter beschikking is gesteld aan derden, dan is vanaf het moment van de terbeschikkingstelling de uitzendregeling niet meer van toepassing wordt en de woning een box 3-bezitting. De eigen woning wordt pas weer een box 1-bezitting als de uitzendperiode is geëindigd en de eigenaar van de woning weer in de woning is gaan wonen.
Uit mijn gegevens blijkt dat u eerst in oktober 2023 weer in uw eigen woning in [woonplaats] bent gaan wonen, zodat ook pas vanaf dat moment de eigenwoning regeling weer kan worden toegepast en de woning weer in box 1 wordt aangegeven.
Voor 2022 zal ik in de aangifte de aftrekbare kosten in verband met de eigen woning ad
€ 8.409 corrigeren en bijtellen bij het belastbaar inkomen in box 1.
Ten aanzien van de aan te brengen correctie in box 3, waar de eigenwoning nu als bezitting moet worden aangegeven laat ik, dit gezien de huidige perikelen rond het box 3 inkomen (er zal een fictief rendement worden berekend, waarbij u dan de gelegenheid zou krijgen een lager werkelijk rendement aannemelijk te maken) en het relatief geringe belang in deze situatie, een bijtelling achterwege.'
9. Na met belanghebbende te hebben gecorrespondeerd over de voorgenomen afwijking van de aangifte, heeft de inspecteur op 16 september 2025 conform de vooraankondiging (zie 8.) de aanslag IB/PVV 2022 opgelegd en de beschikking belastingrente afgegeven.
Beoordeling door de rechtbank
Aanslag IB/PVV 2022
10. In geschil is of de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2022 de woning terecht niet heeft aangemerkt als eigen woning in de zin van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001 (hierna: de uitzendregeling), waardoor de rente in de betreffende periode niet aftrekbaar is. Verder is in geschil of de inspecteur de beschikking belastingrente terecht en naar het juiste bedrag heeft afgegeven.
11. Belanghebbende betoogt dat de uitzendregeling van toepassing is op de woning na afloop van de verhuurperiode. De (grammaticale) lezing van de uitzendregeling door de inspecteur leidt volgens belanghebbende in zijn geval tot een uitkomst die strijdig is met de redelijkheid en billijkheid, omdat onvoldoende rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van belanghebbende. Wat deze omstandigheden betreft heeft belanghebbende erop gewezen dat de woning vanaf 16 augustus 2022 weer ter beschikking stond voor eigen gebruik en dat geen sprake was van een beleggingspand. Ook maakten de veranderende regelgeving betreffende verhuur, de onzekere tijdsduur van de uitzending en de slechte ervaringen met de eerste huurder dat belanghebbende de keuze heeft gemaakt de woning niet langer te verhuren. Verder betoogt belanghebbende dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden en dat de inspecteur de wet niet naar doel en strekking heeft uitgelegd. Wat betreft de (hoogte van de) beschikking belastingrente betoogt belanghebbende dat deze in strijd met de redelijkheid en billijkheid is afgeven omdat de vertraging is te wijten aan het toedoen van de inspecteur, terwijl belanghebbende tijdig aangifte heeft gedaan.
12. De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd weersproken.
13. De rechtbank overweegt het volgende. Artikel 3.111 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
‘1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw (...), voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van:
a. eigendom
(…)
6. Een woning die de belastingplichtige gedurende tenminste een jaar als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en sindsdien tijdelijk als hoofdverblijf niet anders dan tijdelijk ter beschikking staat, kan op verzoek mede worden aangemerkt als eigen woning indien gedurende die periode:
a. de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld en
b. de belastingplichtige tezamen met zijn partner niet met betrekking tot een andere woning belastbare inkomsten uit eigen woning geniet.’
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2022 de woning terecht niet aangemerkt als eigen woning in de zin van de uitzendregeling. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De woning is met ingang van 14 september 2020 verhuurd. Deze omstandigheid brengt mee dat vanaf die datum niet langer wordt voldaan aan de in de uitzendregeling opgenomen voorwaarde dat de woning gedurende de uitzendperiode niet aan derden ter beschikking mag worden gesteld. Verder brengt de toevoeging van het woord ‘sindsdien’ aan deze bepaling met zich dat de uitzendregeling niet ‘herleeft’ op het ogenblik dat de verhuur eindigt. Voorwaarde voor de uitzendregeling is immers dat de woning ‘sindsdien’ niet aan derden ter beschikking mag worden gesteld. Deze uitleg van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001 heeft de Hoge Raad bevestigd in zijn arrest van 20 februari 2015. De omstandigheid dat de aan dit arrest voorafgegane conclusie van A-G Niessen strekt tot de door belanghebbende voorgestane uitleg van de uitzendregeling doet hieraan niet af. Conclusies van de A-G zijn slechts niet bindende adviezen aan de Hoge Raad.
Redelijkheid en billijkheid
15. Het betoog van belanghebbende dat de toepassing van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001 in zijn geval strijdig is met de redelijkheid en billijkheid kan – wat daar verder ook van zij – niet tot het oordeel leiden dat de rechtbank de woning vanaf 16 augustus 2022 alsnog aanmerkt als eigen woning in de zin van de uitzendregeling. De rechter moet namelijk rechtspreken volgens de wet en mag daar niet van afwijken. In geen geval mag de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet- en regelgeving beoordelen.
Evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur
16. Bij een beroep op een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, ligt de vraag voor of de inspecteur als bestuursorgaan bij de uitvoering van de wet die wet buiten toepassing moet laten. In dit geval gaat het om de toepassing van de kwalificatie wel of geen eigen woning in de zin van de uitzendregeling. Deze kwalificatie geschiedt aan de hand van de criteria die de wetgever heeft bedacht. Wat betreft de toetsing aan de criteria van de uitzendregeling heeft de inspecteur feitelijk geen beoordelingsruimte voor een belangafweging waarin hij de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden betrekt. De rol van de inspecteur als uitvoerder van de belastingwet is in dit geval beperkt tot het mechanisch toepassen van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001. Anders gezegd: de belangafweging is al gemaakt door de wetgever en die afweging kan niet in elk individueel geval opnieuw worden gemaakt door de inspecteur. Dit betekent dat belanghebbende in dit geval geen beroep kan doen op een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
Beschikking belastingrente
17. Belanghebbende betoogt dat hij niet de duur van aanslagregelingsfase heeft veroorzaakt en dat de duur van deze fase louter is te wijten aan het toedoen van de inspecteur. Hierdoor is volgens belanghebbende ten onrechte belastingrente in rekening gebracht. Verder vindt belanghebbende de hoogte van de belastingrente onevenredig.
18. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur de aangifte IB/PVV 2022 heeft ontvangen op 17 maart 2023 en dat hij de aanslag heeft opgelegd op 16 september 2025, zodat het na de ontvangst van de aangifte tweeëneenhalf jaar heeft geduurd voordat de aanslag is opgelegd.
19. De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de aanslag niet conform de ingediende aangifte is opgelegd, geldt voor het berekenen van de belastingrente het tijdvak zoals omschreven in artikel 30fc, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Het zorgvuldigheidsbeginsel kan onder omstandigheden in de weg staan aan het volledig in rekening brengen van de belastingrente.
20. Voor het opleggen van een definitieve aanslag moet de inspecteur met zorgvuldigheid kennis nemen van de inhoud van de aangifte en, indien hij aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven twijfelt, moet hij een nader onderzoek instellen. Op dit punt heeft de inspecteur een meer omvattende taak dan bij het opleggen van een voorlopige aanslag overeenkomstig de door de belastingplichtige zelf verstrekte gegevens, die zonder verder onderzoek in een voorlopige aanslag kunnen worden betrokken. De van de inspecteur te verlangen zorgvuldigheid brengt mee dat hem bij de uitvoering van die taak een zekere vrijheid toekomt bij de inrichting van zijn werkzaamheden. Bij de uitvoering van die taak is de inspecteur niet aan een harde, buitenwettelijke termijn gebonden waarbinnen hij een aanslag op moet leggen. Indien en voor zover het belopen van belastingrente het gevolg is van de omstandigheid dat de belastingplichtige een niet juiste aangifte heeft gedaan en daarom een correctie is toegepast, kan daarom niet worden gezegd dat de inspecteur onzorgvuldig handelt doordat hij de belastingrente ter zake van die correctie berekent overeenkomstig de wettelijke bepalingen.
Hoogte percentage belastingrente
21. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking belastingrente. Voor zover dit bezwaar betrekking heeft op de hoogte van het percentage van de in rekening gebrachte belastingrente, heeft de inspecteur dit bezwaar meegenomen in de massaalbezwaarprocedure. Bij collectieve uitspraak op bezwaar van 25 februari 2026 naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een collectieve uitspraak op bezwaar. Het beroep moet daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2022, de beschikking belastingrente en de uitspraak op bezwaar in stand blijven. Het beroep voor zover dit is gericht tegen de collectieve uitspraak op bezwaar is niet-ontvankelijk. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond;
- verklaart het beroep gericht tegen de collectieve uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.R. Bontsema, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 17 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:355.
Conclusie van A-G Niessen van 15 oktober 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1890.
Artikel 11 Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb. 1829, 28).
Hoge Raad 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5536, r.o. 3.3.8.
Hoge Raad 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5536, r.o. 3.3.9.
Besluit van 16 april 2025, nr. 2025-96279, Stcrt. 2025, 15207.
Stcrt. 2026, 8401.
Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59.
Artikel 25e, derde lid, van de AWR.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1474
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst Particulieren/kantoor Den Haag, de inspecteur
(gemachtigde: [gemachtigde inspecteur] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2022 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende is het niet eens met de aanslag en de beschikking belastingrente. Hij is van mening dat de zogenaamde uitzendregeling van artikel 3.111, zesde lid van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) na beëindiging van de tijdelijke verhuur van de woning weer van toepassing is. Ook is hij het niet eens met de belastingrente. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag IB/PVV 2022 en de beschikking belastingrente terecht en naar de juiste bedragen heeft opgelegd danwel afgegeven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanslag IB/PVV 2022 en de beschikking belastingrente terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd resp. afgegeven. Dit betekent dat de aanslag en de beschikking belastingrente in stand blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 149.093 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil.
2.1.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 517 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
2.2.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 maart 2026 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
2.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [persoon 1] .
Feiten
3. Belanghebbende is gehuwd. Hij en zijn echtgenote kwalificeren gedurende het gehele jaar 2022 als partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet IB 2001 en artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
4. Belanghebbende is in de periode van 1 oktober 2019 tot 1 oktober 2023 door zijn werkgever uitgezonden naar Bonaire. De uitzendperiode betrof aanvankelijk de periode van 1 oktober 2019 tot 31 augustus 2022. Op 20 juli 2022 heeft belanghebbende een overeenkomst met zijn werkgever getekend, strekkende tot verlenging van de uitzendperiode tot 1 oktober 2023.
5. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn gezamenlijk eigenaar van een woning op het adres [straatnaam + huisnummer] , te [woonplaats] (de woning). Zij stonden vanaf 1 maart 2008 in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op dit adres. Belanghebbende en zijn echtgenote stonden volgens de BRP van 20 september 2019 tot 2 oktober 2023 ingeschreven op adressen in Bonaire.
6. De woning is in de periode van 14 september 2020 tot 16 augustus 2022 door belanghebbende verhuurd aan derden.
7. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 ter zake van de woning een eigenwoningforfait in aanmerking genomen van € 1.121, berekend over de periode van 16 augustus 2022 tot en met 31 december 2022. Verder heeft belanghebbende met betrekking tot dezelfde periode een bedrag van € 9.530 aan aftrekbare rente in aanmerking genomen. Het saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning van negatief € 8.409 is volledig toegerekend aan belanghebbende.
8. De inspecteur heeft in zijn brief van 12 augustus 2025 onder meer het volgende geschreven:
'Ik heb uw aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2022 beoordeeld.
(...)
Uit mijn gegevens is gebleken dat uw eigen woning gedurende uw verblijf op Bonaire ter beschikking heeft gestaan aan een derde. U hebt de regelgeving in de jaren 2020 en 2021 correct toegepast en de eigen woning in box 3 opgenomen.
In 2022 hebt u de eigen woning echter weer in box 1 opgenomen en hebt u de kosten die zijn verbonden aan de hypothecaire lening op de woning in aftrek gebracht. Indien echter de eigen woning tijdens de uitzending ter beschikking is gesteld aan derden, dan is vanaf het moment van de terbeschikkingstelling de uitzendregeling niet meer van toepassing wordt en de woning een box 3-bezitting. De eigen woning wordt pas weer een box 1-bezitting als de uitzendperiode is geëindigd en de eigenaar van de woning weer in de woning is gaan wonen.
Uit mijn gegevens blijkt dat u eerst in oktober 2023 weer in uw eigen woning in [woonplaats] bent gaan wonen, zodat ook pas vanaf dat moment de eigenwoning regeling weer kan worden toegepast en de woning weer in box 1 wordt aangegeven.
Voor 2022 zal ik in de aangifte de aftrekbare kosten in verband met de eigen woning ad
€ 8.409 corrigeren en bijtellen bij het belastbaar inkomen in box 1.
Ten aanzien van de aan te brengen correctie in box 3, waar de eigenwoning nu als bezitting moet worden aangegeven laat ik, dit gezien de huidige perikelen rond het box 3 inkomen (er zal een fictief rendement worden berekend, waarbij u dan de gelegenheid zou krijgen een lager werkelijk rendement aannemelijk te maken) en het relatief geringe belang in deze situatie, een bijtelling achterwege.'
9. Na met belanghebbende te hebben gecorrespondeerd over de voorgenomen afwijking van de aangifte, heeft de inspecteur op 16 september 2025 conform de vooraankondiging (zie 8.) de aanslag IB/PVV 2022 opgelegd en de beschikking belastingrente afgegeven.
Beoordeling door de rechtbank
Aanslag IB/PVV 2022
10. In geschil is of de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2022 de woning terecht niet heeft aangemerkt als eigen woning in de zin van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001 (hierna: de uitzendregeling), waardoor de rente in de betreffende periode niet aftrekbaar is. Verder is in geschil of de inspecteur de beschikking belastingrente terecht en naar het juiste bedrag heeft afgegeven.
11. Belanghebbende betoogt dat de uitzendregeling van toepassing is op de woning na afloop van de verhuurperiode. De (grammaticale) lezing van de uitzendregeling door de inspecteur leidt volgens belanghebbende in zijn geval tot een uitkomst die strijdig is met de redelijkheid en billijkheid, omdat onvoldoende rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van belanghebbende. Wat deze omstandigheden betreft heeft belanghebbende erop gewezen dat de woning vanaf 16 augustus 2022 weer ter beschikking stond voor eigen gebruik en dat geen sprake was van een beleggingspand. Ook maakten de veranderende regelgeving betreffende verhuur, de onzekere tijdsduur van de uitzending en de slechte ervaringen met de eerste huurder dat belanghebbende de keuze heeft gemaakt de woning niet langer te verhuren. Verder betoogt belanghebbende dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden en dat de inspecteur de wet niet naar doel en strekking heeft uitgelegd. Wat betreft de (hoogte van de) beschikking belastingrente betoogt belanghebbende dat deze in strijd met de redelijkheid en billijkheid is afgeven omdat de vertraging is te wijten aan het toedoen van de inspecteur, terwijl belanghebbende tijdig aangifte heeft gedaan.
12. De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd weersproken.
13. De rechtbank overweegt het volgende. Artikel 3.111 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
‘1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw (...), voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van:
a. eigendom
(…)
6. Een woning die de belastingplichtige gedurende tenminste een jaar als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en sindsdien tijdelijk als hoofdverblijf niet anders dan tijdelijk ter beschikking staat, kan op verzoek mede worden aangemerkt als eigen woning indien gedurende die periode:
a. de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld en
b. de belastingplichtige tezamen met zijn partner niet met betrekking tot een andere woning belastbare inkomsten uit eigen woning geniet.’
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2022 de woning terecht niet aangemerkt als eigen woning in de zin van de uitzendregeling. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De woning is met ingang van 14 september 2020 verhuurd. Deze omstandigheid brengt mee dat vanaf die datum niet langer wordt voldaan aan de in de uitzendregeling opgenomen voorwaarde dat de woning gedurende de uitzendperiode niet aan derden ter beschikking mag worden gesteld. Verder brengt de toevoeging van het woord ‘sindsdien’ aan deze bepaling met zich dat de uitzendregeling niet ‘herleeft’ op het ogenblik dat de verhuur eindigt. Voorwaarde voor de uitzendregeling is immers dat de woning ‘sindsdien’ niet aan derden ter beschikking mag worden gesteld. Deze uitleg van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001 heeft de Hoge Raad bevestigd in zijn arrest van 20 februari 2015. De omstandigheid dat de aan dit arrest voorafgegane conclusie van A-G Niessen strekt tot de door belanghebbende voorgestane uitleg van de uitzendregeling doet hieraan niet af. Conclusies van de A-G zijn slechts niet bindende adviezen aan de Hoge Raad.
Redelijkheid en billijkheid
15. Het betoog van belanghebbende dat de toepassing van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001 in zijn geval strijdig is met de redelijkheid en billijkheid kan – wat daar verder ook van zij – niet tot het oordeel leiden dat de rechtbank de woning vanaf 16 augustus 2022 alsnog aanmerkt als eigen woning in de zin van de uitzendregeling. De rechter moet namelijk rechtspreken volgens de wet en mag daar niet van afwijken. In geen geval mag de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet- en regelgeving beoordelen.
Evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur
16. Bij een beroep op een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, ligt de vraag voor of de inspecteur als bestuursorgaan bij de uitvoering van de wet die wet buiten toepassing moet laten. In dit geval gaat het om de toepassing van de kwalificatie wel of geen eigen woning in de zin van de uitzendregeling. Deze kwalificatie geschiedt aan de hand van de criteria die de wetgever heeft bedacht. Wat betreft de toetsing aan de criteria van de uitzendregeling heeft de inspecteur feitelijk geen beoordelingsruimte voor een belangafweging waarin hij de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden betrekt. De rol van de inspecteur als uitvoerder van de belastingwet is in dit geval beperkt tot het mechanisch toepassen van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001. Anders gezegd: de belangafweging is al gemaakt door de wetgever en die afweging kan niet in elk individueel geval opnieuw worden gemaakt door de inspecteur. Dit betekent dat belanghebbende in dit geval geen beroep kan doen op een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
Beschikking belastingrente
17. Belanghebbende betoogt dat hij niet de duur van aanslagregelingsfase heeft veroorzaakt en dat de duur van deze fase louter is te wijten aan het toedoen van de inspecteur. Hierdoor is volgens belanghebbende ten onrechte belastingrente in rekening gebracht. Verder vindt belanghebbende de hoogte van de belastingrente onevenredig.
18. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur de aangifte IB/PVV 2022 heeft ontvangen op 17 maart 2023 en dat hij de aanslag heeft opgelegd op 16 september 2025, zodat het na de ontvangst van de aangifte tweeëneenhalf jaar heeft geduurd voordat de aanslag is opgelegd.
19. De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de aanslag niet conform de ingediende aangifte is opgelegd, geldt voor het berekenen van de belastingrente het tijdvak zoals omschreven in artikel 30fc, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Het zorgvuldigheidsbeginsel kan onder omstandigheden in de weg staan aan het volledig in rekening brengen van de belastingrente.
20. Voor het opleggen van een definitieve aanslag moet de inspecteur met zorgvuldigheid kennis nemen van de inhoud van de aangifte en, indien hij aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven twijfelt, moet hij een nader onderzoek instellen. Op dit punt heeft de inspecteur een meer omvattende taak dan bij het opleggen van een voorlopige aanslag overeenkomstig de door de belastingplichtige zelf verstrekte gegevens, die zonder verder onderzoek in een voorlopige aanslag kunnen worden betrokken. De van de inspecteur te verlangen zorgvuldigheid brengt mee dat hem bij de uitvoering van die taak een zekere vrijheid toekomt bij de inrichting van zijn werkzaamheden. Bij de uitvoering van die taak is de inspecteur niet aan een harde, buitenwettelijke termijn gebonden waarbinnen hij een aanslag op moet leggen. Indien en voor zover het belopen van belastingrente het gevolg is van de omstandigheid dat de belastingplichtige een niet juiste aangifte heeft gedaan en daarom een correctie is toegepast, kan daarom niet worden gezegd dat de inspecteur onzorgvuldig handelt doordat hij de belastingrente ter zake van die correctie berekent overeenkomstig de wettelijke bepalingen.
Hoogte percentage belastingrente
21. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking belastingrente. Voor zover dit bezwaar betrekking heeft op de hoogte van het percentage van de in rekening gebrachte belastingrente, heeft de inspecteur dit bezwaar meegenomen in de massaalbezwaarprocedure. Bij collectieve uitspraak op bezwaar van 25 februari 2026 naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een collectieve uitspraak op bezwaar. Het beroep moet daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2022, de beschikking belastingrente en de uitspraak op bezwaar in stand blijven. Het beroep voor zover dit is gericht tegen de collectieve uitspraak op bezwaar is niet-ontvankelijk. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond;
- verklaart het beroep gericht tegen de collectieve uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.R. Bontsema, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 17 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:355.
Conclusie van A-G Niessen van 15 oktober 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1890.
Artikel 11 Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb. 1829, 28).
Hoge Raad 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5536, r.o. 3.3.8.
Hoge Raad 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5536, r.o. 3.3.9.
Besluit van 16 april 2025, nr. 2025-96279, Stcrt. 2025, 15207.
Stcrt. 2026, 8401.
Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59.
Artikel 25e, derde lid, van de AWR.