Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3927
2026-09-16
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
LEE 26/2808
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening. Artikel 15 PW. Bijzondere bijstand. Laserbehandeling. Zorgverzekeringswet is een voorliggende voorziening. Geen sprake van zeer dringende redenen.
Citeert (6)
- ECLI:NL:CRVB:2022:554 Centrale Raad van Beroep 15-03-2022
- ECLI:NL:CRVB:2014:1568 Centrale Raad van Beroep 06-05-2014
- ECLI:NL:CRVB:2024:2313 Centrale Raad van Beroep 26-11-2024
- ECLI:NL:CRVB:2025:1064 Centrale Raad van Beroep 15-07-2025
- ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028 Centrale Raad van Beroep 17-01-2012
- ECLI:NL:CRVB:2023:985 Centrale Raad van Beroep 13-06-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.581 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2808
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 september 2026 in de zaak tussen
[naam], uit [plaats], verzoekster
wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige], [jeugdige]
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Borger-Odoorn, het college.
Inleiding en procesverloop
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag om bijzondere bijstand. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Verzoekster heeft op 10 juni 2026 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van laserbehandeling voor overmatige gezichtsbeharing en de daarmee samenhangende reiskosten.
1.2.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 11 augustus 2026 afgewezen.
1.3.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorziening te treffen.
1.4.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. [jeugdige], geboren in [jaar], heeft een PCOS-beeld waardoor er sprake is van overmatige gezichtsbeharing. Daarvoor wil ze een laserbehandeling ondergaan. Deze behandeling kost € 1.250,- en omvat tien behandelingen, waarvan de eerste op 2 oktober 2026 plaatsvindt. Volgens de voorwaarden van de aanvullende zorgverzekering van Menzis wordt eenmalig per verzekeringsduur een bedrag van maximaal € 500,- vergoed.
2.1.
Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) bedoeld is voor dit soort kosten. Ook als de zorgverzekering deze kosten niet vergoedt, omdat ze niet noodzakelijk zijn, heeft verzoekster geen recht op bijzondere bijstand.
2.2.
Verzoekster is het met de afwijzing niet eens en heeft het volgende aangevoerd. Het ontbreekt verzoekster aan financiële middelen om de laserbehandeling te betalen. De overmatige gezichtsbeharing heeft een medische oorzaak. Verzoekster staat daarvoor onder behandeling van een kinderarts-endocrinoloog, die haar verwezen heeft voor laserbehandeling. Het gaat dan ook niet om een louter cosmetische wens. Daarnaast heeft ze huidklachten. Ze ervaart schaamte en onzekerheid door de gezichtsbeharing, die nu extra belastend zijn vanwege de nieuwe opleiding. Het college heeft de belangen van verzoekster onvoldoende betrokken bij de afwijzing. Verzoekster doet een beroep op het evenredigheidsbeginsel en stelt dat sprake is van zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet (PW).
3. De voorzieningenrechter acht een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening aanwezig.
3.1.
In artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de PW is bepaald dat geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht toereikend en passend te zijn. In de tweede volzin staat dat dat recht zich evenmin uitstrekt tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
3.2.
In de regelgeving op het punt van de gezondheidszorg is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het wel of niet vergoeden van zorgkosten. Hier moet voor de bijstandsverlening bij worden aangesloten. Dit geldt ook als de kosten vanuit de Zvw niet volledig worden vergoed, zoals in de situatie van verzoekster. Dit hangt samen met het uitgangspunt dat het stelsel van de voorliggende voorzieningen, waarin bewuste keuzes zijn gemaakt, niet moet worden doorkruist door alsnog bijstand te verlenen. Dit betekent dat artikel 15 van de PW in de situatie van verzoekster in de weg staat aan vergoeding van de resterende kosten van de laserbehandeling.
4. Het beroep van verzoekster op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Het bestreden besluit vindt zijn grondslag in een gebonden bevoegdheid in een wet in formele zin. Dit betekent dat voor een geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel vereist is dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die leiden tot gevolgen die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld en voorzien.
4.1.
Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke omstandigheden zich hier hebben voorgedaan. Dat de vergoeding van de aanvullende ziektekostenverzekering niet geheel kostendekkend is, is geen bijzondere omstandigheid zoals hier is bedoeld. De voorzieningenrechter ziet om die reden geen aanleiding voor het oordeel dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden.
5. Het college kan aan een persoon die op grond van artikel 15 van de PW geen recht op bijstand heeft, op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene hardheidsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Het is aan verzoekster om aannemelijk te maken dat aan die voorwaarde is voldaan.
5.1.
Verzoekster heeft de impact van de gezichtsbeharing helder uiteengezet. Deze is niet in geschil. De door verzoekster aangevoerde redenen kunnen evenwel niet als zeer dringende redenen gezien worden, zoals hier bedoeld. De medische problematiek was al langer aanwezig en dus niet het gevolg van de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand. Niet gebleken is dat het niet-verlenen van bijzondere bijstand voor verzoekster tot ernstige medische gevolgen leidt zoals in de jurisprudentie is uitgewerkt.
Conclusie en gevolgen
6. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Polycysteus-ovarium-syndroom.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:554, en bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 6 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1568.
Zie de uitspraak van de CRvB van 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2313.
Zie de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1064.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2808
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 september 2026 in de zaak tussen
[naam], uit [plaats], verzoekster
wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige], [jeugdige]
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Borger-Odoorn, het college.
Inleiding en procesverloop
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag om bijzondere bijstand. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Verzoekster heeft op 10 juni 2026 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van laserbehandeling voor overmatige gezichtsbeharing en de daarmee samenhangende reiskosten.
1.2.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 11 augustus 2026 afgewezen.
1.3.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorziening te treffen.
1.4.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. [jeugdige], geboren in [jaar], heeft een PCOS-beeld waardoor er sprake is van overmatige gezichtsbeharing. Daarvoor wil ze een laserbehandeling ondergaan. Deze behandeling kost € 1.250,- en omvat tien behandelingen, waarvan de eerste op 2 oktober 2026 plaatsvindt. Volgens de voorwaarden van de aanvullende zorgverzekering van Menzis wordt eenmalig per verzekeringsduur een bedrag van maximaal € 500,- vergoed.
2.1.
Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) bedoeld is voor dit soort kosten. Ook als de zorgverzekering deze kosten niet vergoedt, omdat ze niet noodzakelijk zijn, heeft verzoekster geen recht op bijzondere bijstand.
2.2.
Verzoekster is het met de afwijzing niet eens en heeft het volgende aangevoerd. Het ontbreekt verzoekster aan financiële middelen om de laserbehandeling te betalen. De overmatige gezichtsbeharing heeft een medische oorzaak. Verzoekster staat daarvoor onder behandeling van een kinderarts-endocrinoloog, die haar verwezen heeft voor laserbehandeling. Het gaat dan ook niet om een louter cosmetische wens. Daarnaast heeft ze huidklachten. Ze ervaart schaamte en onzekerheid door de gezichtsbeharing, die nu extra belastend zijn vanwege de nieuwe opleiding. Het college heeft de belangen van verzoekster onvoldoende betrokken bij de afwijzing. Verzoekster doet een beroep op het evenredigheidsbeginsel en stelt dat sprake is van zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet (PW).
3. De voorzieningenrechter acht een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening aanwezig.
3.1.
In artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de PW is bepaald dat geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht toereikend en passend te zijn. In de tweede volzin staat dat dat recht zich evenmin uitstrekt tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
3.2.
In de regelgeving op het punt van de gezondheidszorg is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het wel of niet vergoeden van zorgkosten. Hier moet voor de bijstandsverlening bij worden aangesloten. Dit geldt ook als de kosten vanuit de Zvw niet volledig worden vergoed, zoals in de situatie van verzoekster. Dit hangt samen met het uitgangspunt dat het stelsel van de voorliggende voorzieningen, waarin bewuste keuzes zijn gemaakt, niet moet worden doorkruist door alsnog bijstand te verlenen. Dit betekent dat artikel 15 van de PW in de situatie van verzoekster in de weg staat aan vergoeding van de resterende kosten van de laserbehandeling.
4. Het beroep van verzoekster op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Het bestreden besluit vindt zijn grondslag in een gebonden bevoegdheid in een wet in formele zin. Dit betekent dat voor een geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel vereist is dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die leiden tot gevolgen die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld en voorzien.
4.1.
Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke omstandigheden zich hier hebben voorgedaan. Dat de vergoeding van de aanvullende ziektekostenverzekering niet geheel kostendekkend is, is geen bijzondere omstandigheid zoals hier is bedoeld. De voorzieningenrechter ziet om die reden geen aanleiding voor het oordeel dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden.
5. Het college kan aan een persoon die op grond van artikel 15 van de PW geen recht op bijstand heeft, op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene hardheidsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Het is aan verzoekster om aannemelijk te maken dat aan die voorwaarde is voldaan.
5.1.
Verzoekster heeft de impact van de gezichtsbeharing helder uiteengezet. Deze is niet in geschil. De door verzoekster aangevoerde redenen kunnen evenwel niet als zeer dringende redenen gezien worden, zoals hier bedoeld. De medische problematiek was al langer aanwezig en dus niet het gevolg van de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand. Niet gebleken is dat het niet-verlenen van bijzondere bijstand voor verzoekster tot ernstige medische gevolgen leidt zoals in de jurisprudentie is uitgewerkt.
Conclusie en gevolgen
6. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Polycysteus-ovarium-syndroom.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:554, en bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 6 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1568.
Zie de uitspraak van de CRvB van 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2313.
Zie de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1064.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.