Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3900
2026-09-08
Bestuursrecht; Belastingrecht
LEE 25/3524
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
IB/PVV. Geen omkering en verzwaring van de bewijslast. Er heeft géén inhouding van loonheffing plaatsgevonden. De bewijslast dat niet ingehouden loonheffing wél is genoten rust op de inspecteur. Die heeft daarover niets gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt. Het bedrag behoort dan ook niet tot het belastbaar inkomen van belanghebbende. Tardief beroep op interne compensatie. Verzuimboete passend en geboden.
Citeert (10)
- ECLI:NL:HR:1959:AY0549 Hoge Raad 23-12-1959
- ECLI:NL:HR:2016:2427 Hoge Raad 28-10-2016
- ECLI:NL:HR:2015:1261 Hoge Raad 22-05-2015
- ECLI:NL:HR:2010:BM6686 Hoge Raad 24-12-2010
- ECLI:NL:HR:1981:AW9782 Hoge Raad 22-07-1981
- ECLI:NL:HR:2010:BM6686 Hoge Raad 24-12-2010
- ECLI:NL:HR:1983:AW8796 Hoge Raad 21-09-1983
- ECLI:NL:HR:2010:BM6686 Hoge Raad 24-12-2010
- ECLI:NL:HR:2010:BM6686 Hoge Raad 24-12-2010
- ECLI:NL:HR:2016:2427 Hoge Raad 28-10-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.360 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/3524
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. F. Jagersma),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Eindhoven, de inspecteur
(gemachtigde: [naam 1] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 augustus 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 11 januari 2025 voor het jaar 2023 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.581.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 159 belastingrente in rekening gebracht. Er is tevens een verzuimboete opgelegd van € 385.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur [naam 2] , bijgestaan door [naam 3] .
Feiten
2.
2.1.
Belanghebbende is sinds 17 juli 2020 bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf] B.V. (de BV).
2.2.
De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV 2023 te doen. De in de aanmaning genoemde uiterste datum om de aangifte in te dienen was 13 augustus 2024.
2.3.
Belanghebbende heeft op 7 oktober 2024 zijn aangifte IB/PVV 2023 ingediend. Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 29.581 en bestaat uit loon van de BV van € 29.880, verminderd met persoonsgebonden aftrek van € 299 (bestaande uit specifieke zorgkosten van € 97 en aftrekbare giften van € 202). De aangegeven ingehouden loonheffing op het loon van [bedrijf] B.V. is € 7.442.
2.4.
De inspecteur heeft met dagtekening 11 januari 2025 de aanslag IB/PVV 2023 opgelegd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende is hierbij vastgesteld conform de aangifte. De ingehouden loonheffing is gecorrigeerd van € 7.442 naar € 0. Bij beschikkingen is € 159 aan belastingrente berekend aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 385.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2023 naar het juiste bedrag is opgelegd. Het geschil concentreert zich specifiek op de volgende vragen:
is er sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast?
heeft de inspecteur de ingehouden loonheffing terecht gecorrigeerd naar € 0?
is het bedrag aan loonheffing als loon genoten door belanghebbende?
is de verzuimboete te hoog?
4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de aanslag IB/PVV naar een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verzuimboete niet te hoog is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast?
5. De inspecteur heeft in zijn nadere stuk van 26 maart 2026 verdedigd dat de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is, vanwege de niet tijdige indiening van de aangifte.
6. Volgens belanghebbende is er van omkering en verzwaring van de bewijslast geen sprake.
7. De rechtbank stelt allereerst vast dat in er dit geval weliswaar te laat aangifte is gedaan, namelijk op 7 oktober 2024, maar dat dit nog wel ruimschoots voor het opleggen van de aanslag (met dagtekening 11 januari 2025) was. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad is er in deze zaak dus sprake van een situatie waarin de inspecteur bij het regelen van de aanslag redelijkerwijs nog rekening kon houden met de inmiddels ingediende aangifte en daarmee dus ook rekening moest houden. Dat heeft tot gevolg dat niet geoordeeld kan worden dat op deze grond sprake is van het niet doen van de vereiste aangifte. De rechtbank hanteert daarom de normale regels voor de bewijslastverdeling.
Is het belastbaar inkomen uit werk en woning juist vastgesteld?
8. Belanghebbende is van mening dat de aanslag IB/PVV 2023 te hoog is. Belanghebbende stelt primair dat de loonheffing voor verrekening in aanmerking komt als voorheffing. Belanghebbende voert daartoe aan dat de loonheffing door de BV is ingehouden in fiscale zin, dan wel dat de schijn van inhouding is gewekt. Subsidiair stelt belanghebbende dat als de loonheffing niet verrekend kan worden als voorheffing, het bedrag van de loonheffing zoals in de aangifte is vermeld niet is genoten in fiscale zin. Belanghebbende beroept zicht daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2016.
9. De inspecteur is van mening dat de aanslag IB/PVV naar het juiste bedrag is opgelegd. De inspecteur bestrijdt dat de loonheffing is ingehouden en ook dat de schijn van inhouding is gewekt. De inspecteur stelt daarnaast dat bedrag van de loonheffing wel door belanghebbende is genoten.
10. De rechtbank stelt voorop dat onder ‘inhouding’ moet worden verstaan het administratief afzonderen van een gedeelte van het (bruto) loon met het oogmerk om het ook af te dragen. Dat de afdracht daadwerkelijk plaatsvindt, is geen voorwaarde om van inhouding te kunnen spreken. Indien de werkgever niet voldoet aan zijn verplichting tot inhouding van loonheffing zal de werknemer die de - in feite niet daadwerkelijk ingehouden - loonheffing met de aanslag in de inkomstenbelasting wil verrekenen, in het algemeen, bij betwisting door de inspecteur, dienen te bewijzen dat hij meende en ook mocht menen dat de werkgever aan zijn verplichting tot inhouding zou voldoen (de schijn van inhouding).
11. In dit geval heeft de werkgever geen loonheffing afgedragen. Het enige wat de rechtbank heeft, is de verklaring van belanghebbende dat het administratief afzonderen wel daadwerkelijk is gebeurd. Omdat de inspecteur dit gemotiveerd heeft betwist, mag er dan van belanghebbende meer bewijs gevraagd worden. Belanghebbende heeft gezegd dat niet te kunnen leveren omdat de administratie van de BV in beslag is genomen en nog steeds niet is teruggegeven. De rechtbank is van oordeel dat ook als dat het geval is, belanghebbende aan de hand van zijn privéadministratie (bijvoorbeeld door het opvragen van bankafschriften uit betreffende periode en het overleggen van loonstroken) ten minste een begin van bewijs had kunnen leveren dat er sprake is geweest van administratief afzonderen. Belanghebbende heeft dus niet aan zijn bewijslast voldaan. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat de BV de loonadministratie heeft laten verzorgen door een derde, zodat die derde had kunnen worden gevraagd om back-ups of afschriften te leveren. Dat ook dit wellicht niet mogelijk is geweest, komt voor rekening en risico van belanghebbende.
Een werknemer te goede trouw kan onder omstandigheden een beroep doen op schijn van inhouding (zie 10.). Ook de bewijslast voor de schijn van inhouding rust op belanghebbende. Belanghebbende zal daarbij zal in de regel bewijsstukken moeten overleggen zoals loonstroken, jaaropgaven, bankafschriften. Voor wat betreft het ontbreken van deze documenten verwijst de rechtbank naar wat zij hiervoor al heeft overwogen. Belanghebbende slaagt ook niet in deze bewijslast. Bovendien leidt de rechtbank uit de jurisprudentie die op de schijn van inhouding ziet af dat de Hoge Raad daarmee vooral het oog heeft gehad op gevallen waarin werkgever en werknemer niet in feite dezelfde persoon zijn, maar onafhankelijk van elkaar opereren. Daarvan is hier geen sprake.
12. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het uitgangspunt voor de verdere beoordeling is dat er géén inhouding heeft plaatsgevonden. De vraag die de rechtbank dan moet beantwoorden is of het bedrag van de loonheffing wel of niet door belanghebbende is genoten in fiscale zin .
13. De rechtbank wijst erop dat de Hoge Raad in 2016 heeft overwogen dat de loonheffing normaliter wordt genoten door de inhouding en dat de bewijslast dat een bedrag aan niet ingehouden loonheffing wél is genoten, op de inspecteur rust. In het bijzonder moet de inspecteur dan bewijzen dat dit bedrag, ondanks dat het niet is ingehouden, toch op een andere wijze ten goede is gekomen aan de werknemer (en aldus is genoten). De inspecteur heeft daarover niets gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, en dus slaagt hij niet in zijn bewijslast. Het bedrag is volgens de rechtbank dan ook niet genoten en het behoort dan ook niet tot het belastbaar inkomen van belanghebbende.
14. Gelet op het voorgaande moet het belastbaar inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek worden verminderd naar € 22.438. Op de zitting is besproken dat bij de vermindering van de aanslag nog rekening moet worden gehouden met de aangegeven persoonsgebonden aftrek uit hoofde van specifieke zorgkosten en giften.
Beroep op interne compensatie
15. Voor dit geval heeft de inspecteur evenwel (subsidiair) een beroep op interne compensatie gedaan. De inspecteur stelt dat in zoverre (tot het bedrag van € 7.442) sprake is van ten onrechte niet in aanmerking genomen gebruikelijk loon. Ten aanzien van dat beroep op interne compensatie heeft belanghebbende gesteld dat de rechtbank dit tardief zou moeten verklaren omdat deze stelling pas is ingenomen in het nadere stuk van 26 maart 2026.
16. De rechtbank vindt deze pas zo laat door de inspecteur ingenomen stelling inderdaad in strijd met de goede procesorde. In de eerste plaats is pas op de zitting duidelijk geworden hoe dit standpunt precies moet worden opgevat; de rechtbank had dit standpunt bij lezing van het stuk van 26 maart 2026 opgevat als een aanvullende onderbouwing van de redelijkheid van schatting in het kader van de omkering en verzwaring van de bewijslast. Het stond immers in de alinea die gaat over het niet naar willekeur vaststellen van het inkomen, waarbij expliciet is aangegeven dat het standpunt werd ingenomen ‘ter onderbouwing van deze stelling’. Dat betekent dat pas op de zitting duidelijk werd dat de inspecteur er (ook) iets anders mee bedoelde, te weten een afzonderlijk te behandelen stelling over de hoogte van de gebruikelijk loon, buiten het kader van de omkering. Verder heeft belanghebbende zich in zijn pleitnota uitdrukkelijk verzet tegen het behandelen van dit standpunt. Ten slotte overweegt de rechtbank dat een inhoudelijke behandeling en beoordeling van dit standpunt, gelet op de aard en complexiteit van de wettelijke bepaling die hierop ziet, een uitgebreide gedachtewisseling zou vergen. Als de rechtbank daarbij fatsoenlijk invulling wil geven aan het beginsel van hoor en wederhoor zou er op zijn minst een volwaardige schriftelijke ronde moeten komen, waarbij nadere bewijsstukken kunnen worden ingebracht terwijl wellicht ook een nadere zitting onontkoombaar zou zijn . Het algemene belang van een doelmatige procesgang weegt onder deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het belang van de inspecteur bij behandeling van deze stelling, vooral omdat de inspecteur niet heeft aangegeven waarom hij deze stelling niet (veel) eerder in de procedure heeft ingenomen.
Boete
17. In deze zaak staat buiten redelijke twijfel vast dat voldaan is aan alle elementen van de delictsomschrijving van artikel 67a van de AWR, inclusief de verzending en de ontvangst van de uitnodiging en aanmaning. Op de zitting is geconcludeerd dat er geen grond is om afwezigheid van alle schuld (avas) aan te nemen. Verder zijn er volgens de rechtbank ook geen straf- en/of schulduitsluitingsronden.
17. De rechtbank zal dus alleen nog oordelen over de strafmaat. Belanghebbende heeft gesteld dat zijn administratie van de BV in beslag genomen was en dat de boekhouder niet te bereiken was. De inspecteur heeft daartegenover gewezen op het grillige aangiftegedrag van belanghebbende.
19. De rechtbank overweegt dat de aangiften over de jaren 2020 en 2022 (ook) te laat zijn ingediend. Daar staat tegenover dat de aangiften over 2018, 2019, 2021 en 2024 wel op tijd zijn ingediend. Het is dus niet de eerste keer dat belanghebbende de fout in is gegaan door te laat aangifte te doen. In zoverre is belanghebbende nog goed weggekomen met een boete die is opgelegd volgens het standaard boetebeleid van de Belastingdienst (er is geen rekening gehouden met recidive). Daar tegenover staat dat een lastig te benaderen administratie wel degelijk een probleem kan zijn voor belanghebbende om in één keer goed aangifte te doen. Dan had het echter op de weg van belanghebbende gelegen om eerder aan de bel te trekken en bijvoorbeeld uitstel aan te vragen of op een andere manier aan te geven dat er een probleem speelde. Per saldo vindt de rechtbank, gelet op alle omstandigheden, de boete passend en geboden.
20. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. Belanghebbende moet binnen 2 jaar na de aanvang van de ‘vervolging’ een uitspraak hebben en dat is hier niet gelukt. De rechtbank merkt daarbij op dat zij als aanvangsmoment het verstrijken van de uiterste termijn uit de aanmaning neemt, te weten 14 augustus 2024. Nu de inspecteur had aangekondigd dat er bij het niet halen van die termijn een boete zou volgen, mocht belanghebbende er op dat moment redelijkerwijs van uit gaan dat hem inderdaad een boete boven het hoofd hing. Omdat de boete lager is dan € 1.000, volstaat de rechtbank met deze constatering.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is gegrond en het belastbaar inkomen moet lager worden vastgesteld (zie 14.). Dit betekent dat de rechtbank de aanslag en de belastingrentebeschikking zal verminderen.
21. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast op € 2.603,23 (€ 2.534 volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht plus reiskosten van € 69,23 (op basis van openbaar vervoer, tweede klasse retour [plaats] – Groningen)). Op de zitting hebben partijen aangegeven hiermee in te stemmen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de aanslag en de belastingrentebeschikking gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar in zoverre;
- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.438 vóór persoonsgebonden aftrek en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.603,23;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hoge Raad 23 december 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY0549, BNB 1960/26.
Als bedoeld in artikel 3.146 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB).
ECLI:NL:HR:2016:2427, BNB 2017/13.
Zie Hoge Raad 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1261, BNB 2015/145, Hoge Raad 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6686, BNB 2011/118 en Hoge Raad 22 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9782, BNB 1981/305.
Vergelijk Hoge Raad 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6686, BNB 2011/118, r.o. 3.3.2.
Zie Hoge Raad 21 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8796, BNB 1984/32.
Vergelijk Hoge Raad 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6686, BNB 2011/118.
Vergelijk Hoge Raad 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6686, BNB 2011/118.
Zie Hoge Raad 28 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2427, BNB 2017/13.
Als bedoeld in artikel 3.146 van de Wet IB.
In de zin van artikel 12a van de Wet LB (eigenlijk bedoelt de inspecteur hier tevens: fictief loon ex art. 13a lid 3 van de Wet LB).
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/3524
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. F. Jagersma),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Eindhoven, de inspecteur
(gemachtigde: [naam 1] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 augustus 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 11 januari 2025 voor het jaar 2023 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.581.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 159 belastingrente in rekening gebracht. Er is tevens een verzuimboete opgelegd van € 385.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur [naam 2] , bijgestaan door [naam 3] .
Feiten
2.
2.1.
Belanghebbende is sinds 17 juli 2020 bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf] B.V. (de BV).
2.2.
De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV 2023 te doen. De in de aanmaning genoemde uiterste datum om de aangifte in te dienen was 13 augustus 2024.
2.3.
Belanghebbende heeft op 7 oktober 2024 zijn aangifte IB/PVV 2023 ingediend. Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 29.581 en bestaat uit loon van de BV van € 29.880, verminderd met persoonsgebonden aftrek van € 299 (bestaande uit specifieke zorgkosten van € 97 en aftrekbare giften van € 202). De aangegeven ingehouden loonheffing op het loon van [bedrijf] B.V. is € 7.442.
2.4.
De inspecteur heeft met dagtekening 11 januari 2025 de aanslag IB/PVV 2023 opgelegd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende is hierbij vastgesteld conform de aangifte. De ingehouden loonheffing is gecorrigeerd van € 7.442 naar € 0. Bij beschikkingen is € 159 aan belastingrente berekend aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 385.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2023 naar het juiste bedrag is opgelegd. Het geschil concentreert zich specifiek op de volgende vragen:
is er sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast?
heeft de inspecteur de ingehouden loonheffing terecht gecorrigeerd naar € 0?
is het bedrag aan loonheffing als loon genoten door belanghebbende?
is de verzuimboete te hoog?
4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de aanslag IB/PVV naar een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verzuimboete niet te hoog is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast?
5. De inspecteur heeft in zijn nadere stuk van 26 maart 2026 verdedigd dat de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is, vanwege de niet tijdige indiening van de aangifte.
6. Volgens belanghebbende is er van omkering en verzwaring van de bewijslast geen sprake.
7. De rechtbank stelt allereerst vast dat in er dit geval weliswaar te laat aangifte is gedaan, namelijk op 7 oktober 2024, maar dat dit nog wel ruimschoots voor het opleggen van de aanslag (met dagtekening 11 januari 2025) was. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad is er in deze zaak dus sprake van een situatie waarin de inspecteur bij het regelen van de aanslag redelijkerwijs nog rekening kon houden met de inmiddels ingediende aangifte en daarmee dus ook rekening moest houden. Dat heeft tot gevolg dat niet geoordeeld kan worden dat op deze grond sprake is van het niet doen van de vereiste aangifte. De rechtbank hanteert daarom de normale regels voor de bewijslastverdeling.
Is het belastbaar inkomen uit werk en woning juist vastgesteld?
8. Belanghebbende is van mening dat de aanslag IB/PVV 2023 te hoog is. Belanghebbende stelt primair dat de loonheffing voor verrekening in aanmerking komt als voorheffing. Belanghebbende voert daartoe aan dat de loonheffing door de BV is ingehouden in fiscale zin, dan wel dat de schijn van inhouding is gewekt. Subsidiair stelt belanghebbende dat als de loonheffing niet verrekend kan worden als voorheffing, het bedrag van de loonheffing zoals in de aangifte is vermeld niet is genoten in fiscale zin. Belanghebbende beroept zicht daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2016.
9. De inspecteur is van mening dat de aanslag IB/PVV naar het juiste bedrag is opgelegd. De inspecteur bestrijdt dat de loonheffing is ingehouden en ook dat de schijn van inhouding is gewekt. De inspecteur stelt daarnaast dat bedrag van de loonheffing wel door belanghebbende is genoten.
10. De rechtbank stelt voorop dat onder ‘inhouding’ moet worden verstaan het administratief afzonderen van een gedeelte van het (bruto) loon met het oogmerk om het ook af te dragen. Dat de afdracht daadwerkelijk plaatsvindt, is geen voorwaarde om van inhouding te kunnen spreken. Indien de werkgever niet voldoet aan zijn verplichting tot inhouding van loonheffing zal de werknemer die de - in feite niet daadwerkelijk ingehouden - loonheffing met de aanslag in de inkomstenbelasting wil verrekenen, in het algemeen, bij betwisting door de inspecteur, dienen te bewijzen dat hij meende en ook mocht menen dat de werkgever aan zijn verplichting tot inhouding zou voldoen (de schijn van inhouding).
11. In dit geval heeft de werkgever geen loonheffing afgedragen. Het enige wat de rechtbank heeft, is de verklaring van belanghebbende dat het administratief afzonderen wel daadwerkelijk is gebeurd. Omdat de inspecteur dit gemotiveerd heeft betwist, mag er dan van belanghebbende meer bewijs gevraagd worden. Belanghebbende heeft gezegd dat niet te kunnen leveren omdat de administratie van de BV in beslag is genomen en nog steeds niet is teruggegeven. De rechtbank is van oordeel dat ook als dat het geval is, belanghebbende aan de hand van zijn privéadministratie (bijvoorbeeld door het opvragen van bankafschriften uit betreffende periode en het overleggen van loonstroken) ten minste een begin van bewijs had kunnen leveren dat er sprake is geweest van administratief afzonderen. Belanghebbende heeft dus niet aan zijn bewijslast voldaan. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat de BV de loonadministratie heeft laten verzorgen door een derde, zodat die derde had kunnen worden gevraagd om back-ups of afschriften te leveren. Dat ook dit wellicht niet mogelijk is geweest, komt voor rekening en risico van belanghebbende.
Een werknemer te goede trouw kan onder omstandigheden een beroep doen op schijn van inhouding (zie 10.). Ook de bewijslast voor de schijn van inhouding rust op belanghebbende. Belanghebbende zal daarbij zal in de regel bewijsstukken moeten overleggen zoals loonstroken, jaaropgaven, bankafschriften. Voor wat betreft het ontbreken van deze documenten verwijst de rechtbank naar wat zij hiervoor al heeft overwogen. Belanghebbende slaagt ook niet in deze bewijslast. Bovendien leidt de rechtbank uit de jurisprudentie die op de schijn van inhouding ziet af dat de Hoge Raad daarmee vooral het oog heeft gehad op gevallen waarin werkgever en werknemer niet in feite dezelfde persoon zijn, maar onafhankelijk van elkaar opereren. Daarvan is hier geen sprake.
12. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het uitgangspunt voor de verdere beoordeling is dat er géén inhouding heeft plaatsgevonden. De vraag die de rechtbank dan moet beantwoorden is of het bedrag van de loonheffing wel of niet door belanghebbende is genoten in fiscale zin .
13. De rechtbank wijst erop dat de Hoge Raad in 2016 heeft overwogen dat de loonheffing normaliter wordt genoten door de inhouding en dat de bewijslast dat een bedrag aan niet ingehouden loonheffing wél is genoten, op de inspecteur rust. In het bijzonder moet de inspecteur dan bewijzen dat dit bedrag, ondanks dat het niet is ingehouden, toch op een andere wijze ten goede is gekomen aan de werknemer (en aldus is genoten). De inspecteur heeft daarover niets gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, en dus slaagt hij niet in zijn bewijslast. Het bedrag is volgens de rechtbank dan ook niet genoten en het behoort dan ook niet tot het belastbaar inkomen van belanghebbende.
14. Gelet op het voorgaande moet het belastbaar inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek worden verminderd naar € 22.438. Op de zitting is besproken dat bij de vermindering van de aanslag nog rekening moet worden gehouden met de aangegeven persoonsgebonden aftrek uit hoofde van specifieke zorgkosten en giften.
Beroep op interne compensatie
15. Voor dit geval heeft de inspecteur evenwel (subsidiair) een beroep op interne compensatie gedaan. De inspecteur stelt dat in zoverre (tot het bedrag van € 7.442) sprake is van ten onrechte niet in aanmerking genomen gebruikelijk loon. Ten aanzien van dat beroep op interne compensatie heeft belanghebbende gesteld dat de rechtbank dit tardief zou moeten verklaren omdat deze stelling pas is ingenomen in het nadere stuk van 26 maart 2026.
16. De rechtbank vindt deze pas zo laat door de inspecteur ingenomen stelling inderdaad in strijd met de goede procesorde. In de eerste plaats is pas op de zitting duidelijk geworden hoe dit standpunt precies moet worden opgevat; de rechtbank had dit standpunt bij lezing van het stuk van 26 maart 2026 opgevat als een aanvullende onderbouwing van de redelijkheid van schatting in het kader van de omkering en verzwaring van de bewijslast. Het stond immers in de alinea die gaat over het niet naar willekeur vaststellen van het inkomen, waarbij expliciet is aangegeven dat het standpunt werd ingenomen ‘ter onderbouwing van deze stelling’. Dat betekent dat pas op de zitting duidelijk werd dat de inspecteur er (ook) iets anders mee bedoelde, te weten een afzonderlijk te behandelen stelling over de hoogte van de gebruikelijk loon, buiten het kader van de omkering. Verder heeft belanghebbende zich in zijn pleitnota uitdrukkelijk verzet tegen het behandelen van dit standpunt. Ten slotte overweegt de rechtbank dat een inhoudelijke behandeling en beoordeling van dit standpunt, gelet op de aard en complexiteit van de wettelijke bepaling die hierop ziet, een uitgebreide gedachtewisseling zou vergen. Als de rechtbank daarbij fatsoenlijk invulling wil geven aan het beginsel van hoor en wederhoor zou er op zijn minst een volwaardige schriftelijke ronde moeten komen, waarbij nadere bewijsstukken kunnen worden ingebracht terwijl wellicht ook een nadere zitting onontkoombaar zou zijn . Het algemene belang van een doelmatige procesgang weegt onder deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het belang van de inspecteur bij behandeling van deze stelling, vooral omdat de inspecteur niet heeft aangegeven waarom hij deze stelling niet (veel) eerder in de procedure heeft ingenomen.
Boete
17. In deze zaak staat buiten redelijke twijfel vast dat voldaan is aan alle elementen van de delictsomschrijving van artikel 67a van de AWR, inclusief de verzending en de ontvangst van de uitnodiging en aanmaning. Op de zitting is geconcludeerd dat er geen grond is om afwezigheid van alle schuld (avas) aan te nemen. Verder zijn er volgens de rechtbank ook geen straf- en/of schulduitsluitingsronden.
17. De rechtbank zal dus alleen nog oordelen over de strafmaat. Belanghebbende heeft gesteld dat zijn administratie van de BV in beslag genomen was en dat de boekhouder niet te bereiken was. De inspecteur heeft daartegenover gewezen op het grillige aangiftegedrag van belanghebbende.
19. De rechtbank overweegt dat de aangiften over de jaren 2020 en 2022 (ook) te laat zijn ingediend. Daar staat tegenover dat de aangiften over 2018, 2019, 2021 en 2024 wel op tijd zijn ingediend. Het is dus niet de eerste keer dat belanghebbende de fout in is gegaan door te laat aangifte te doen. In zoverre is belanghebbende nog goed weggekomen met een boete die is opgelegd volgens het standaard boetebeleid van de Belastingdienst (er is geen rekening gehouden met recidive). Daar tegenover staat dat een lastig te benaderen administratie wel degelijk een probleem kan zijn voor belanghebbende om in één keer goed aangifte te doen. Dan had het echter op de weg van belanghebbende gelegen om eerder aan de bel te trekken en bijvoorbeeld uitstel aan te vragen of op een andere manier aan te geven dat er een probleem speelde. Per saldo vindt de rechtbank, gelet op alle omstandigheden, de boete passend en geboden.
20. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. Belanghebbende moet binnen 2 jaar na de aanvang van de ‘vervolging’ een uitspraak hebben en dat is hier niet gelukt. De rechtbank merkt daarbij op dat zij als aanvangsmoment het verstrijken van de uiterste termijn uit de aanmaning neemt, te weten 14 augustus 2024. Nu de inspecteur had aangekondigd dat er bij het niet halen van die termijn een boete zou volgen, mocht belanghebbende er op dat moment redelijkerwijs van uit gaan dat hem inderdaad een boete boven het hoofd hing. Omdat de boete lager is dan € 1.000, volstaat de rechtbank met deze constatering.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is gegrond en het belastbaar inkomen moet lager worden vastgesteld (zie 14.). Dit betekent dat de rechtbank de aanslag en de belastingrentebeschikking zal verminderen.
21. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast op € 2.603,23 (€ 2.534 volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht plus reiskosten van € 69,23 (op basis van openbaar vervoer, tweede klasse retour [plaats] – Groningen)). Op de zitting hebben partijen aangegeven hiermee in te stemmen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de aanslag en de belastingrentebeschikking gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar in zoverre;
- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.438 vóór persoonsgebonden aftrek en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.603,23;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hoge Raad 23 december 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY0549, BNB 1960/26.
Als bedoeld in artikel 3.146 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB).
ECLI:NL:HR:2016:2427, BNB 2017/13.
Zie Hoge Raad 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1261, BNB 2015/145, Hoge Raad 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6686, BNB 2011/118 en Hoge Raad 22 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9782, BNB 1981/305.
Vergelijk Hoge Raad 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6686, BNB 2011/118, r.o. 3.3.2.
Zie Hoge Raad 21 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8796, BNB 1984/32.
Vergelijk Hoge Raad 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6686, BNB 2011/118.
Vergelijk Hoge Raad 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6686, BNB 2011/118.
Zie Hoge Raad 28 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2427, BNB 2017/13.
Als bedoeld in artikel 3.146 van de Wet IB.
In de zin van artikel 12a van de Wet LB (eigenlijk bedoelt de inspecteur hier tevens: fictief loon ex art. 13a lid 3 van de Wet LB).