Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3837

2026-09-08 Bestuursrecht; Omgevingsrecht LEE 25/1584
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
LEE 25/1584
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het herbestemmen van een werkplaats naar twee woningen. Eisers zijn het niet eens met die omgevingsvergunning. De rechtbank oordeelt dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Artikel 2.7 van de Omgevingsverordening Fryslân 2022 en de regionale woondeal strekken niet tot bescherming van de belangen van eisers. De rechtbank is verder van oordeel dat in dit geval een voldoende zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat het bestreden besluit voldoende deugdelijk is gemotiveerd. Volgens het omgevingsplan zijn op het perceel veel verschillende functies en activiteiten binnen de bestemming ‘Centrum’ toegestaan. De omgevingsvergunning voorziet niet in het toestaan van meer parkeervoorzieningen dan al op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan. Eisers hadden op grond van het omgevingsplan rekening moeten houden met parkeerplaatsen op het perceel en een intensief gebruik daarvan. Daarnaast heeft het college de door eisers gestelde hinder van twee nieuwe woningen op het perceel niet onevenredig hoeven achten. Er is geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers. Beroep ongegrond verklaard.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.927 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: LEE 25/1584


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen

[eisers], uit [plaats], eisers
(gemachtigde: mr. N.J. Stephan),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadiel, het college
(gemachtigde: H. Sikkema).



Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder], uit [plaats], vergunninghouder.



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het herbestemmen van een werkplaats naar twee woningen op het perceel [adres 1] in [plaats]. Eisers zijn het niet eens met die omgevingsvergunning. Zij voeren een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit op bezwaar over de omgevingsvergunning.



1.1.
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Op 8 augustus 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Met het bestreden besluit van 11 maart 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij die vergunningverlening gebleven.

3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.


3.1.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigde, de gemachtigde van het college en vergunninghouder.





Beoordeling door de rechtbank


Welke feiten en omstandigheden zijn relevant voor deze zaak?


4. Vergunninghouder is eigenaar van het perceel [adres 1] in [plaats] (het perceel).

5. Eisers zijn sinds december 2023 eigenaar van en wonen op het perceel [adres 2] in [plaats]. Dat perceel grenst aan de achterzijde over een lengte van ongeveer vier meter aan het perceel van vergunninghouder.
6. In het bestemmingsplan “Damwâld”, dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan “gemeente Dantumadiel”, is het perceel bestemd voor ‘Centrum’ en, aan de zijde van de Haadwei, voor ‘Tuin’.

7. Op 20 juni 2024 heeft de vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het herbestemmen van een werkplaats op het perceel naar twee woningen en een separate werkplaats. Op het perceel is wonen toegestaan, maar maximaal in de vorm van één woning. Die ene woning staat er al.

8. Op 8 augustus 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de twee woningen en de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de separate werkplaats geweigerd. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning voor de twee woningen.

9. Op 14 februari 2025 heeft de adviescommissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Dantumadiel (de commissie) het college geadviseerd om het bezwaar van eisers ongegrond te verklaren en het besluit van 8 augustus 2024 in stand te laten met aanvulling van de motivering.

10. In het bestreden besluit van 11 maart 2025 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het besluit van 8 augustus 2024 in stand gelaten, onder verwijzing naar het commissieadvies en een aanvullende motivering.

11. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.



Is er in dit geval gehandeld in strijd met de omgevingsverordening?



12. Eisers betogen dat het college handelt in strijd met hoger recht en met het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens eisers is het besluit in strijd met artikel 2.7 van de Omgevingsverordening Fryslân 2022 (de omgevingsverordening) en de daaruit voortvloeiende Regionale Woondeal Noordoost Fryslân 2022-2030 (de Woondeal). Uit de Woondeal volgt namelijk uitdrukkelijk dat tussen de gemeente en de provincie nog nadere afspraken moeten worden gemaakt over het aandeel woningen dat wordt toegevoegd door transformatie. Deze afspraken zijn echter nog niet gemaakt. Volgens eisers beroept het college zich ten onrechte op algemene afspraken in de Woondeal, omdat in die deal geen onderscheid wordt gemaakt tussen grotere en kleinere projecten. Vanwege het ontbreken van deze nadere afspraken is hier geen sprake van nieuwe woningen die passen binnen regionale woningbouwafspraken als bedoeld de omgevingsverordening, aldus eisers.


12.1.
Het college voert aan dat geen sprake is van handelen in strijd met de omgevingsverordening. Die verordening is erop gericht dat tot en met het jaar 2030 ongeveer 17.500 woningen worden gerealiseerd in Noordoost Fryslân. Daarover zijn op 13 oktober 2022 concrete woningbouwafspraken gemaakt tussen het Rijk en de provincie. De Woondeal bestaat uit regionale afspraken tussen vier gemeenten en de provincie Fryslân ter uitvoering daarvan. Volgens het college past de toevoeging van twee extra woningen op het perceel heel goed binnen die afspraken. Aangezien binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving is besloten om de omgevingsvergunning te verlenen, is er geen sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aldus het college.

13. De rechtbank is van oordeel dat de door eisers genoemde regel uit de omgevingsverordening niet strekt tot bescherming van de belangen van eisers. Uit de overwegingen in de Woondeal volgt dat de regionale woningbouwafspraken strekken tot het terugdringen van het woningtekort in de regio Noordoost Fryslân. Met de Woondeal beogen gemeenten en provincie de woningbouw in de regio te versnellen. De Woondeal bevat daartoe kwantitatieve en kwalitatieve opgaven. De bedoeling van de Woondeal is dat er juist meer woningen worden gebouwd. De afspraken uit de Woondeal zien niet op woningbouw op perceelsniveau. De regionale woningbouwafspraken zien op het algemene belang van voldoende woningen. Het belang van eisers is gelegen in het behoud van een goed woon- en leefklimaat. De regionale woondeal en artikel 2.7 van de omgevingsverordening strekken niet ter bescherming van een goed woon- en leefklimaat van eisers. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eraan in de weg dat deze beroepsgrond over het ontbreken van afspraken tussen de gemeente en de provincie over transformatie en daardoor strijd met artikel 2.7 van de omgevingsverordening kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom zal de rechtbank deze beroepsgrond niet inhoudelijk bespreken.

Heeft er een zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden?


14. Eisers betogen dat het college hun belangen niet zorgvuldig heeft onderzocht en meegewogen. Eisers verwachten onevenredige overlast te ervaren van deze ontwikkeling op het perceel, met name vanwege de parkeerplaatsen direct achter hun tuin. Het college heeft de gevolgen voor hun woon- en leefklimaat geheel niet in kaart gebracht. Eisers hebben vanwege hun ervaringen met een luidruchtig schoolplein bij een vorige woning willen kiezen voor een rustige woonomgeving. Vooral de rust in de buurt is voor hen van groot belang. Eisers zijn op leeftijd en lijden aan COPD. Door de omgevingsvergunning wordt hun rust verstoord, omdat het gebruik van het perceel feitelijk intensiveert naar drie huishoudens op zeer korte afstand van het perceel van eisers. Volgens eisers leidt dit tot een toename van geluidsoverlast, mede omdat de nieuwe woningen dichterbij liggen dan de bestaande woning op het perceel. De planwetgever heeft duidelijk méér dan één woning ter plaatse niet in overeenstemming geacht met een goede ruimtelijke ordening. Er worden vijf parkeerplaatsen pal achter hun tuin gerealiseerd op een plek waar voorheen een tuin lag. Daarmee krijgen eisers de hele dag door te maken met overlast van in- en uitrijdende auto’s, portiergeluiden en motorgeluid. Door de vergunde activiteit verplaatsen de gevolgen van de weg zich direct naar de tuin van eisers, met alle geur-, stof-, geluids- en trillingsoverlast van dien. Eisers vrezen door de uitlaatgassen voor stankoverlast en gezondheidsrisico’s. Het college heeft dit ten onrechte niet onderzocht en de negatieve gevolgen van het bouwplan voor de fysieke leefomgeving ten onrechte gebagatelliseerd.


Het college voert aan dat in dit geval op grond van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties de behoefte bestaat aan de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling. In de omgevingsvisie staat dat de behoefte aan woningen in Damwâld 110 woningen bedraagt. Dit volgt ook uit de Woondeal. Het bestreden besluit is verder genomen met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden en na zorgvuldige weging van de betrokken belangen. Wonen was al op het perceel toegestaan. Binnen de bestemming ‘Centrum’ zijn diverse functies met bijbehorend parkeren ook toegestaan.


15. Met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, gelezen in combinatie met de begripsomschrijving van de 'buitenplanse omgevingsplan activiteit' in de bijlage van de Omgevingswet, beschikt het college over de bevoegdheid om op grondslag van een aanvraag een omgevingsvergunning te verlenen voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan en die niet met toepassing van de beoordelingsregels van het omgevingsplan kan worden verleend. Het college kan de omgevingsvergunning, gelet op artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de aanvraag weegt het college de betrokken belangen af. De rechtbank oordeelt niet zelf of met het besluit over de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of dat besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan, binnen het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.



Het perceel kent ruime planologische mogelijkheden





15.1.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval een voldoende zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat het bestreden besluit voldoende deugdelijk is gemotiveerd. Van belang daarbij is dat op het perceel volgens het omgevingsplan veel verschillende functies en activiteiten zijn toegestaan. Eisers hebben toegelicht dat zij in een rustige omgeving wilden wonen. Zij hebben zich mogelijk onvoldoende gerealiseerd dat zij zijn gaan wonen naast een perceel met de bestemming ‘Centrum” en met ruime planologische mogelijkheden.







Hebben eisers onevenredig veel last van parkeren?





15.2.
Anders dan eisers stellen, voorziet de omgevingsvergunning niet in het toestaan van meer parkeervoorzieningen dan al op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan. Dat plan staat wonen met daarbij behorende parkeervoorzieningen bij recht toe. Ook staat dat plan diverse centrumfuncties met daarbij behorende parkeervoorzieningen toe, zoals detailhandel, dienstverlenende bedrijven, maatschappelijke voorzieningen en zakelijke dienstverlening. Voldoende aannemelijk is dat die centrumfuncties voor meer parkeerplaatsen zorgen en dat die functies meer verkeersbewegingen meebrengen, dan de twee extra woningen die met deze omgevingsvergunning zijn vergund. Gelet op die bestaande planologische gebruiksmogelijkheden is eventuele parkeerhinder die eisers als gevolg van de twee extra woningen ervaren, niet onevenredig. Dat het deel van het perceel dat nu wordt ingericht voor parkeren eerst een tuin was, maakt dat niet anders. De eigenaar van het perceel had er namelijk op elk door hem gewenst moment voor kunnen kiezen om daar parkeerplaatsen van te maken. Daar is geen buitenplanse omgevingsvergunning voor nodig. In de belangenafweging heeft het college dan ook terecht kunnen betrekken dat de omgevingsvergunning voor de twee extra woningen niet leidt tot extra of onevenredige parkeeroverlast voor eisers. Eiseres hadden op grond van het omgevingsplan sowieso al rekening moeten houden met parkeerplaatsen op die plek en een intensief gebruik daarvan (bijvoorbeeld voor detailhandel of dienstverlening of andere publieksgerichte functies)



Ondervinden eisers onevenredige hinder door de twee nieuwe woningen?





15.3.
Daarnaast heeft het college de door eisers gestelde hinder van twee nieuwe woningen op het perceel niet onevenredig hoeven achten. Het perceel van eisers grenst aan een gemengd gebied, waar wonen, bedrijfsactiviteiten en maatschappelijke voorzieningen mogelijk zijn. Eisers hebben van die functies al enige hinder te dulden. Verder is van belang dat de twee extra woningen op het perceel niet de dichtstbijzijnde woningen bij de woning van eisers zijn. Die twee extra woningen liggen op ongeveer 26 meter van hun eigen woning. Eisers hebben niet of nauwelijks zicht op de nieuwe woningen. Hun directe buren wonen dichterbij. Voldoende aannemelijk is dat eisers al enige (geluids)hinder ervaren door gebruik van andere woningen in hun directe woonomgeving. De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat geluid vanuit de twee nieuwe woningen doordringt tot in de woning en tuin van eisers, althans niet in een mate die onevenredig is. De rechtbank ziet in het betoog van eisers daarom geen aanleiding voor het oordeel dat met de omgevingsvergunning sprake is van een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat. Deze beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen


16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.














griffier


rechter








Een kopie van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Algemene wet bestuursrecht (Awb)




Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:4

1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 7:121. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.[…]


Artikel 8:69aDe bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.




Omgevingsverordening Fryslân 2022 (omgevingsverordening)




Artikel 2.71. Een omgevingsplan kan nieuwe woningen bevatten, wanneer deze passen binnen de regionale woningbouwafspraken. […]

2. In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan woningen bevatten overeenkomstig bilaterale woningbouwafspraken, vooruitlopend op de eerstvolgende herijking van de regionale woningbouwafspraken.



Bestemmingsplan Damwâld (het bestemmingsplan)




Artikel 7. Centrum


7.1

BestemmingsomschrijvingDe voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-ver-bonden beroep of bedrijf, zoals genoemd in de bij deze regels behorende Lijst aan-huis-verbonden beroep of bedrijf (Bijlage 6);
b. gebouwen ten behoeve van detailhandel, dienstverlenende bedrijven en maatschappelijke voorzieningen en overige publieksgerichte functies;
c. gebouwen ten behoeve van zakelijke dienstverlening;
d. een café/cafetaria/snackbar, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding "horeca";
e. ondergeschikte bebouwing,
met de daarbij behorende:
f. groenvoorzieningen;
g. openbare nutsvoorzieningen;
h. parkeervoorzieningen;
i. tuinen, erven en terreinen;
j. waterlopen en waterpartijen;
k. wegen en paden;
l. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.
Voor de gebouwen op de gronden ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" wordt gestreefd naar handhaving van de bestaande bouwvorm (goothoogte, bouwhoogte, dakhelling en dakvorm).7.2. BouwregelsVoor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
1. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
2. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal, dan wel het aangegeven aantal ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" ;
3. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 3,5 meter;
4. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 9 meter;
5. de dakhelling van een hoofdgebouw mag niet minder bedragen dan 30°;
6. in afwijking van het bepaalde in lid 7.2, sub a, onder 3, 4 en 5 geldt voor gebouwen op de gronden ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" dat de bestaande bouwvorm (goothoogte, bouwhoogte, dakhelling en dakvorm) gehandhaafd dient te blijven;






Zie pagina 4 van de Woondeal.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2909.


Eisers verwijzen in dit kader naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 december 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:9493.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3652.