Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3803

2026-09-04 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht LEE 25/3929
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-04
Publicatiedatum
2026-09-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
LEE 25/3929
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De uitspraak gaat over de hoogte van eisers dagloon op grond van de ZW en van zijn voorschot op grond van de Wet WIA. Eiser vindt dat, anders dan het Uwv meent, zijn vorderbaar, niet-inbaar salaris over de maanden december 2022 en maart 2023 ten onrechte niet in de berekening is meegenomen en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv ten onrechte het loon over die twee maanden niet als niet-inbaar heeft aangemerkt. Eiser krijgt daarom dus gelijk en het beroep is gegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.532 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: LEE 25/3929


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W.M. Reijenga-Dooper),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. I.A. Amsinga).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van eisers dagloon op grond van de Ziektewet (ZW) en van zijn voorschot op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser vindt dat, anders dan het Uwv meent, zijn vorderbaar, niet-inbaar salaris over de maanden december 2022 en maart 2023 ten onrechte niet in de berekening is meegenomen en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv ten onrechte het loon over die twee maanden niet als niet-inbaar heeft aangemerkt. Eiser krijgt daarom dus gelijk en het beroep is gegrond.




Totstandkoming van het besluit en procesverloop


2. Eiser werkte sinds 23 september 2019 als [functie] bij [naam werkgever] (de werkgever). Op 23 september 2021 hebben de werkgever en eiser een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten, waarin zij onder meer hebben afgesproken dat eiser vanaf oktober 2022 40 uur per week ging werken.



2.1.

Op 12 mei 2023 heeft eiser zich ziek gemeld. Met een besluit van 21 februari 2025
heeft het Uwv hem ziekengeld toegekend met een dagloon van € 108,67. Met een besluit van 9 mei 2025 heeft het Uwv hem een voorschot op zijn WIA-uitkering van € 1.601,89 bruto per maand toegekend. Eiser heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Met het besluit van 4 september 2025 heeft het Uwv dat bezwaar van eiser gegrond verklaard. Het heeft het dagloon van het ziekengeld verhoogd naar € 110,57 en het voorschot op de WIA-uitkering verhoogd naar € 1.629,33 bruto per maand.




2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 september 2025. Het Uwv heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft nadere stukken ingediend.



2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv.





Beoordeling door de rechtbank



Wat moet de rechtbank beoordelen?




3. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het Uwv terecht het ZW-dagloon vanaf 1 oktober 2024 heeft vastgesteld op € 110,57 en het voorschot op de WIA-uitkering vanaf 9 mei 2025 heeft vastgesteld op € 1.629,33 bruto per maand.



3.1.
Niet in geschil is dat de referteperiode voor eiser loopt van 1 april 2022 tot en met 31 maart 2023 en dat hij recht had op loon voor 40 uur per week. Verder is in de salaris-specificaties vanaf de maand oktober 2022 tot en met januari 2024 te zien dat eiser in de maanden oktober 2022, december 2022 en maart 2023 voor minder dan 40 uur per week is uitbetaald. Ook daarover is geen verschil van mening.



Wat vinden partijen?



4. Eiser voert aan dat de werkgever hem vanaf oktober 2022 over 40 uur per week loon moest betalen. Die betaling is over de maanden oktober 2022, december 2022 en maart 2023 niet juist geweest. Eiser heeft de werkgever een aantal keren gevraagd om het salaris over die maanden correct te betalen. Ook al is hij blij dat het Uwv het loon over oktober 2022 toch nog als niet inbaar heeft beschouwd, vindt hij de motivering dat dit niet geldt voor zijn loon over de maanden december 2022 en maart 2023 onvoldoende. Eiser heeft zijn werkgever op niet mis te verstane wijze verzocht om het achterstallige loon aan hem te betalen; het was de werkgever dus duidelijk dat eiser aanspraak maakte op nabetaling. Eiser wijst op de twee getuigenverklaringen die hij heeft ingestuurd: daaruit blijkt dat de werkgever de loonadministratie niet op orde had. Op de zitting heeft hij ten slotte verteld dat hij belang heeft bij een verdere verhoging van zijn uitkeringen, zeker nu het ernaar uitziet dat hij nog lang op zijn WIA-uitkering zal zijn aangewezen.

5. Het Uwv heeft alsnog aangenomen dat het loon over oktober 2022 niet inbaar was; vandaar de verhoging in het besluit van 4 september 2025 van het dagloon en het voorschot. Het Uwv vindt echter dat eiser niet heeft aangetoond dat ook het vorderbare loon over de maanden december 2022 en maart 2023 niet inbaar was. Hoe vervelend het Uwv de perikelen van eiser met zijn werkgever ook vindt, uit de overgelegde informatie blijkt niet dat hij zijn werkgever tijdig en op niet mis te verstane wijze heeft gemaand het vorderbare loon uit te betalen; ook blijkt niet dat de ex-werkgever op niet mis te verstane wijze heeft geantwoord dat hij niet zou betalen. De e-mailcorrespondentie van 11 november 2022 waarnaar eiser naar verwijst gaat alleen over het loon van oktober 2022; dit loon heeft het Uwv al in bezwaar als niet inbaar aangenomen en al gecorrigeerd in de dagloonberekening.



Wat vindt de rechtbank?



6. De hoogte van het dagloon wordt bepaald aan de hand van het loon dat in de referteperiode is ontvangen. Dat is de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken is ingetreden.



6.1.
De werknemer wordt geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Daarop bestaat een uitzondering. Die houdt in dat loon waarvan de werknemer aantoont dat het in de referteperiode wel vorderbaar maar niet ook inbaar was, als loon in de referteperiode wordt aangemerkt. Het gaat om situaties waarin recht op loon bestaat, maar dat loon (nog) niet inbaar is, omdat de werkgever het loon niet op verzoek van de werknemer kan of wil uitbetalen. Deze uitzondering geldt alleen als de werknemer aantoont dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren.



6.2.
Wat is nu de conclusie? Als met “op niet mis te verstane wijze”, zoals bedoeld in de jurisprudentie van de CRvB (de hoogste rechter in dit soort zaken), wordt bedoeld dat eiser tijdig en duidelijk bij zijn ex-werkgever heeft aangegeven dat hij op zeer korte termijn zijn volledige loon over de drie maanden in kwestie wilde hebben, zo nodig onder dreiging van juridische stappen, en dat die werkgever heeft kenbaar gemaakt niet te willen betalen, dan kan het Uwv worden toegegeven dat daaraan niet is voldaan: er is geen correspondentie waaruit dat zonneklaar blijkt. Maar dat alles geldt ook voor de mail van 11 november 2022, waarin eiser zijn ex-werkgever heeft gewezen op het te weinig betaalde loon (“Mijn loonstrook zou afgelopen maand [oktober 2022] al worden aangepast naar 40 uur en dit is niet gebeurt ondanks dat het is doorgegeven(…)”). Weliswaar kan daaruit worden afgeleid dat die mail inderdaad ging over de maand oktober 2022, maar een “niet mis te verstane wijze” is hierin niet te ontdekken.



6.3.
Toch heeft het Uwv – en dat siert het – besloten om naar aanleiding van eisers mail van 11 november 2022 rekening te houden met het te weinig betaalde loon over de maand oktober 2022. Maar dat roept dan meteen de vraag op waarom het Uwv dat ook niet heeft gedaan met de overige maanden. De motivering van het Uwv (zie 3.) schiet op dit punt te kort. Immers, eiser wijst, om zijn stelling te onderbouwen dat er ook over december 2022 en maart 2023 sprake is van niet inbaar loon, erop dat hij zijn ex-werkgever meerdere keren heeft gewezen op fouten in de salarisbetaling, ook in gesprekken en op vergaderingen. Weliswaar blijkt uit de correspondentie inderdaad niet dat hij, als het gaat om de maanden december 2022 en maart 2023 snel heeft gereageerd (namelijk pas in de loop van 2023), maar die twee maanden worden in de correspondentie wel genoemd; ook stelt hij terecht dat er sprake is van een patroon van niet betalen; kennelijk heeft de werkgever ook niet wíllen betalen. Uit de correspondentie, waaruit blijkt dat eiser – al dan niet via de boekhouder – zijn werkgever heeft verzocht om een correctie van het loon, haalt de rechtbank aan:

 “ “De heer [naam eiser] heeft een contract voor 40 uur in ons systeem, dus zou hij maandelijks ongeveer 173,33 uur brengen op zijn salaris van december [2022]”

 “(…..) “(…..) En tevens moeten de uren van 2022 nog steeds nagekeken worden door [naam boekhouder] die daar meer dan een jaar mee ‘bezig’ is”.

 “(…..) “(…..) maar zie nog niet het missende plus loon en vakantie uren van 2022 en deels 2023(…..) Laten we er nou voor gaan zorgdragen dat dit alles deze maand allemaal word bijgetrokken en gecorrigeerd zodat we dat achter ons kunnen laten en het dan vanaf deze maand klaar is en alles is zoals het hoort te zijn.”

 “ “Blijkbaar staat maart [2023] nog niet goed van [naam eiser] . Zou je dit nog willen corrigeren?”



6.4.
Daarbij gevoegd de twee gerechtelijke procedures die eiser heeft gevoerd tegen zijn werkgever over de afspraak om 40 uur te werken en over de betaling van achterstallig loon tot en met maart 2023, en de beide schriftelijke en ondertekende getuigenverklaringen van [naam getuigen] , die onder meer aangeven dat de werkgever doelbewust minder werkuren liet registreren, had het Uwv, als het dan tóch de mail van 11 november 2022 accepteerde, dat redelijkerwijs en gelet op de daarbij spelende belangen van eiser, ook moeten doen met de daarop volgende correspondentie.




Conclusie en gevolgen


7. Dit betekent dat het Uwv ten onrechte over de maanden december 2022 en maart 2023 het dagloon en het voorschot niet heeft verhoogd met het gemiste loon. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren, het besluit van 4 september 2025 op dit punt vernietigen en bepalen dat het Uwv die beide maanden ook meeneemt in de berekening. Die berekening kan de rechtbank niet zelf uitvoeren wegens gebrek aan inzicht in de berekeningswijze, dus zal zij het Uwv de opdracht geven om dat te doen.



7.1.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze kosten worden voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op een bedrag van € 1.868,00 (één punt voor het indienen van het beroepschrift, één punt voor het verschijnen op de zitting, waarde per punt € 934,00, gewicht van de zaak: gemiddeld).





Beslissing


De rechtbank:



 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het besluit van 4 september 2025, voor zover dit betrekking heeft op de maanden december 2022 en maart 2023;
 bepaalt dat het Uwv het ontbrekende loon over die twee maanden betrekt in de hernieuwde berekening van ziekengeld en WIA-voorschot;
 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 4 september 2025;
 bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 53,00 aan eiser moet vergoeden;
 veroordeelt het Uwv in de proceskosten van € 1.868,00.



Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.













griffier


rechter










Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




De artikelen 12b, eerste lid, en 13b, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (het Dagloonbesluit)


Artikel 12d, eerste lid, en artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit.


Het tweede lid van de artikelen 12d en 15 van het Dagloonbesluit.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV9859, en 18 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:150.