Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3798

2026-09-04 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht LEE 26/2899
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-04
Publicatiedatum
2026-09-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
LEE 26/2899
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vovo. Verzoekster is geen belanghebbende bij het bestreden besluit (afwijzing bijstandsuitkering). Zij heeft uitsluitend een afgeleid belang. Artikel 1:2 van de Awb. PW

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.008 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Bestuursrecht


zaaknummer: LEE 26/2899


uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 september 2026 in de zaak tussen



[verzoekster], uit [plaats] (Duitsland), [verzoekster]


en




het college van burgemeester en wethouders van Veendam, het college.




Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoekster].

1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.



Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Bij de beoordeling zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

2.1.

[X] heeft op 18 juni 2024 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 11 september 2024 afgewezen nadat uit onderzoek is gebleken dat er sprake is van een niet louter zakelijke relatie tussen [X] en [verzoekster].


2.2.
Met de beslissing op bezwaar van 5 november 2024 heeft het college het bezwaar van [X] ongegrond verklaard. Het college heeft de reden voor afwijzing aangepast in de zin dat hij niet voldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie.


2.3.
De rechtbank heeft op 6 augustus 2025 de beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat aan [X] een voorschot wordt toegekend naar de norm voor een alleenstaande vanaf 30 juli 2025 tot zes weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar. Tegen de uitspraak is hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is inmiddels ingetrokken.


2.4.
Met het bestreden besluit van 27 februari 2026 heeft het college de afwijzing gehandhaafd. Het college vindt een gezamenlijke huishouding tussen [X] en [verzoekster] aannemelijk. Daarnaast heeft [X] de inlichtingenverplichting geschonden door onvoldoende duidelijkheid te verschaffen over zijn woonsituatie en financiële situatie, aldus het college.


2.5.

[X] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zijn beroep is bekend onder zaaknummer LEE 26/1785.


2.6.

[verzoekster] heeft op 2 april 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Haar beroep is bekend onder zaaknummer LEE 26/2901.


2.7.

Op 26 augustus 2026 heeft [verzoekster] de Rechtbank Overijssel verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoekschrift is doorgezonden aan deze rechtbank. [verzoekster] wil bij de totstandkoming van een besluit voor [X] telkens direct de gelegenheid krijgen te reageren wanneer haar gegevens door het college gebruikt worden.
3. De voorzieningenrechter moet ambtshalve de vraag beantwoorden of [verzoekster] is aan te merken als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan alleen een belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter. Een belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.



3.1.
De wetgever heeft de eis dat sprake moet zijn van een belang dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken mede gesteld om te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang, als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en een rechtsmiddel zou kunnen aanwenden. Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, moet sprake zijn van een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang dat de betrokkene in voldoende mate onderscheidt van anderen. Dat belang moet rechtstreeks bij het desbetreffende besluit zijn betrokken. Bij een uitsluitend van een andere betrokkene afgeleid belang is niet aan deze eis voldaan.


3.2.
Het bestreden besluit ziet op de door [X] aangevraagde bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, die het college heeft afgewezen. Hij is belanghebbende bij het bestreden besluit. Uit het enkele feit dat het college een gezamenlijke huishouding van [X] met [verzoekster] aannemelijk vindt, waardoor het college in de besluitvorming informatie over [verzoekster] heeft betrokken, blijkt niet een rechtstreeks belang van [verzoekster]. Het bestreden besluit raakt [verzoekster] niet in haar vermogenspositie en heeft ook anderszins geen directe gevolgen voor haar. Zij heeft uitsluitend een afgeleid belang. [verzoekster] is dus geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij het bestreden besluit.



Conclusie en gevolgen


4. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing




De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.





Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zaaknummers 24/4728 en 25/2526.


Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:669, onder 5.2.1, en ECLI:NL:CRVB:2019:655.