Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3774

2026-08-21 Bestuursrecht; Belastingrecht LEE 24/4233
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-21
Publicatiedatum
2026-09-02
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
LEE 24/4233
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026090802; V-N Vandaag 2026/1869; FutD 2026-1629; NLF 2026/1893

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. De heffingsambtenaar heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat eiser de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft betaald. Van een overmachtssituatie is ook niet sprake. Ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.662 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Leeuwarden


Bestuursrecht


zaaknummer: LEE 24/4233


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 augustus 2026 in de zaak tussen





[eiser] , uit [woonplaats] , eiser


en




de heffingsambtenaar van de gemeente Heerenveen, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: [naam] ).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 26 september 2024.



1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiser op 16 augustus 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting (naheffingsaanslag) opgelegd.



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag parkeerbelasting gehandhaafd.



1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.4.
Eiser heeft een nader stuk ingediend.



1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Eiser is – zonder bericht van verhindering – niet op zitting verschenen. De griffier van de rechtbank heeft hem bij aangetekende brief aan het door hem opgegeven adres onder vermelding van plaats en tijdstip, verzonden op 19 maart 2026, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Volgens het zogenoemde Track & Trace systeem van PostNL is de aangetekende brief door eiser afgehaald op 23 maart 2026 om 11:09 bij een PostNL punt, gelegen aan de [adres] in Heerenveen. Het systeem vermeldt daarbij dat er is getekend voor ontvangst. Op grond hiervan neemt de rechtbank aan dat eiser de uitnodiging voor de zitting op 23 maart 2026 heeft ontvangen.




Feiten

2. Op 16 augustus 2024 om 10:46 uur stond de auto van eiser met kenteken

[kenteken] (hierna: de auto) geparkeerd op het Burgemeester Kuperusplein in Heerenveen. Deze locatie is gelegen in een zone waar op die datum en op dat tijdstip slechts mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting of met een parkeervergunning op grond van het Aanwijzingsbesluit parkeren (Heerenveen) 2023.

3. Eiser heeft een briefje achter de voorruit van de auto geplaatst, met daarop geschreven “Ben in [organisatie] (vrijwilliger). Automaat werkte niet! 4 euro betaald. Dit is niet de eerste keer” inclusief zijn naam en telefoonnummer.

4. Tijdens een controle op bovengenoemde datum en tijdstip is geconstateerd dat eiser geen betaalbewijs heeft overgelegd waaruit blijkt dat eiser parkeerbelasting heeft voldaan op de datum en het tijdstip dat eiser had geparkeerd. Eiser had ook geen geldige parkeervergunning. Naar aanleiding daarvan is aan eiseres de naheffingsaanslag opgelegd en bekend gemaakt door plaatsing daarvan onder de ruitenwisser op de voorruit van de auto.



Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan eiser is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

6. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan eiser is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Is de parkeerbelasting voldaan?


7. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder d, van de Verordening parkeerbelasting (Heerenveen) 2024 (de Verordening) wordt onder parkeren verstaan: “Het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;”.

8. Niet in geschil is dat de auto van eiser op 16 augustus 2024 omstreeks 10:46 uur geparkeerd stond aan Burgemeester Kuperusplein in Heerenveen en dat deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.

9. Naheffing van parkeerbelasting is alleen mogelijk als de parkeerbelasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, waardoor te weinig parkeerbelasting is geheven. Van belang is dus of de verschuldigde parkeerbelasting is betaald en niet of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan. Het enkele feit dat een parkeerkaartje niet zichtbaar achter de voorruit ligt, is dus onvoldoende voor het opleggen van een naheffingsaanslag. De bewijslast dat de verschuldigde belasting niet is betaald ligt bij de heffingsambtenaar.

10. De heffingsambtenaar heeft het brondocument overgelegd waarin door de controleur wordt aangegeven dat is geparkeerd zonder aanbrengen van de parkeerkaart op voorgeschreven wijze en fotomateriaal is bijgevoegd waarop geen parkeerkaartje in de auto zichtbaar is. Nu het parkeerkaartje het bewijs vormt dat de parkeerbelasting is voldaan en dit parkeerkaartje ontbrak/niet zichtbaar was op het moment van parkeren, heeft de heffingsambtenaar voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat eiser de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft voldaan. Daartegenover staat dat eiser de mogelijk heeft om tegenbewijs aan te dragen.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij de parkeerbelasting heeft betaald. Op het briefje dat eiser achter de voorruit van de auto heeft geplaatst, schrijft eiser “Automaat werkte niet! 4 euro betaald. Dit is niet de eerste keer”. Eiser stelt in dat kader dat hij het door hem ingevoerde geld niet terug heeft gekregen van de parkeerautomaat waar hij het dichtste bij geparkeerd stond. De rechtbank begrijpt de stelling van eiser zo, dat hij bedoelt dat hij de belasting contant heeft voldaan, maar dat de parkeerautomaat defect was waardoor hij geen parkeerkaart of een andersoortig betalingsbewijs ontving. De rechtbank kan hier echter niet van uitgaan, omdat eiser deze stelling niet heeft onderbouwd.



Is er sprake van overmacht?


12. Eiser stelt dat de dichtstbijzijnde parkeerautomaat defect was. Eiser is vanwege de harde wind en de regen niet op zoek gegaan naar een andere parkeerautomaat. Eiser vond het namelijk onverantwoord om als vrijwilliger bij de [organisatie] les te geven in natte kleren, gelet op zijn leeftijd van 85 jaar en erop gelet dat eiser twee keer eerder in zijn leven een longontsteking heeft gehad.

13. De rechtbank overweegt het volgende. De parkeerbelasting is een objectieve belasting waarbij opzet en schuld geen rol spelen. Ook persoonlijke omstandigheden, spelen in beginsel geen rol, tenzij sprake is van een overmachtsituatie. In het geval van eiser is er geen sprake van een overmachtsituatie, zijnde een nood- of spoedeisende situatie, waardoor eiser absoluut, feitelijk en fysiek, verhinderd was om parkeerbelasting te betalen.

14. Anders dan eiser stelt, breng het enkele feit dat de parkeerautomaat defect is, niet met zich mee dat de gemeente van het opleggen van een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting en het in rekening brengen van de gemaakte kosten moet afzien. Zoals de heffingsambtenaar stelt, zijn alternatieve mogelijkheden om de parkeerbelasting te betalen, zoals de parkeerbelasting voldoen bij een andere parkeerautomaat of via een mobiele telefoonapplicatie, hetgeen eiser heeft nagelaten. Het komt voor risico van eiser dat hij heeft nagelaten voorzorgsmaatregelen te treffen (bijvoorbeeld door een regenpak of paraplu mee te nemen) tegen slechte weersomstandigheden, met als gevolg dat hij - gelet op zijn leeftijd en gezondheid - van mening was dat hij niet naar een andere parkeerautomaat kon lopen. Anders dan eiser betoogt, kan ook niet verwacht worden dat parkeercontroleurs telkens contact opnemen met parkeerders nadat zij een briefje achter de voorruit hebben geplaatst omdat dat tot een onwerkbare situatie kan leiden voor parkeercontroleurs. De rechtbank is daarom van oordeel dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.


Conclusie en gevolgen


16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. E.A.M. Geersheuvels, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. Antonescu, griffier.














De griffier is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen


rechter








Uitgesproken op 21 augustus 2026.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.





Artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.


Hoge Raad 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1593.


HR, 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535, rov. 2.8.


HR 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3117, BNB 1996/28 (https://www.inview.nl/document/inode3dd45ab0c1a711c17a5337d7bf44c6f), rov. 3.2.