Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3758

2026-09-01 Internationaal publiekrecht LEE 25/840
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-01
Publicatiedatum
2026-09-02
Rechtsgebied
Internationaal publiekrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
LEE 25/840
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NLF 2026/1881; Viditax (FutD) 2026091605; V-N Vandaag 2026/1925; FutD 2026-1653

Inhoudsindicatie

Aanslagen IB van een belanghebbende met een monumentenpand als eigen woning. Mag de tariefsaanpassing voor de aftrek van kosten voor de eigen woning in de zin van artikel 2.10, tweede lid, van de Wet IB 2001 in dat geval worden toegepast?

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.692 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen


Bestuursrecht


zaaknummers: LEE 25/840, 25/841, 25/2329 en 25/2334.


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 september 2026 in de zaken tussen





[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende


en




de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem, de inspecteur,
(gemachtigde: [naam 1] ).




Inleiding



1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 27 januari 2025, 24 juni 2025, 15 augustus 2025 en
20 januari 2026.


Zaaknummer LEE 25/840



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 20 januari 2023 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2019 opgelegd berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.729. Bij het bepalen van de verschuldigde belasting heeft de inspecteur een tariefsaanpassing voor de aftrek van kosten eigen woning van 2,750% van € 17.511 toegepast. Bij beschikking heeft de inspecteur tevens € 2.265 aan belastingrente in rekening gebracht.



1.2.
Bij uitspraak op bezwaar van 27 januari 2025 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2019 en de belastingrentebeschikking in stand gelaten.



Zaaknummer LEE 25/841




1.3.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 31 maart 2023 een aanslag IB/PVV over het jaar 2020 opgelegd berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 111.945. Bij het bepalen van de verschuldigde belasting heeft de inspecteur een tariefsaanpassing voor de aftrek van kosten eigen woning van 3,500% van € 37.615 toegepast. Bij beschikking heeft de inspecteur tevens € 1.929 aan belastingrente in rekening gebracht.



1.4.
Bij uitspraak op bezwaar van 27 januari 2025 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2020 en de belastingrentebeschikking in stand gelaten.



Zaaknummer LEE 25/2329




1.5.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 11 maart 2025 een aanslag IB/PVV over het jaar 2021 opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 110.723. Bij het bepalen van de verschuldigde belasting heeft de inspecteur een tariefsaanpassing voor de aftrek van kosten eigen woning van 6,500% van € 35.344 toegepast. Bij beschikking heeft de inspecteur tevens € 1.170 aan belastingrente in rekening gebracht.



1.6.
Bij brief van 21 mei 2025 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2021.



1.7.
Bij brief van 30 juni 2025 die de rechtbank op 2 juli 2025 heeft ontvangen gaat belanghebbende in beroep tegen het niet tijdig behandelen van het bezwaarschrift.



1.8.
Bij uitspraak op bezwaar van 20 januari 2026 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2021 niet-ontvankelijk verklaard.



1.9.
Bij beschikking van 20 januari 2026 heeft de inspecteur het verzoek van belanghebbende om vermindering van de definitieve aanslag IB/PVV 2021, afgewezen.



Zaaknummer LEE 25/2334




1.10.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 28 maart 2025 een aanslag IB/PVV over het jaar 2022 opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 117.795. Bij het bepalen van de verschuldigde belasting heeft de inspecteur een tariefsaanpassing voor de aftrek van kosten eigen woning van 9,500% van € 33.206 toegepast. Bij beschikking heeft de inspecteur tevens een verzuimboete van € 385 opgelegd.



1.11.
Bij brief van 30 maart 2025 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2022.



1.12.
Bij brief van 30 juni 2025 die de rechtbank op 2 juli 2025 heeft ontvangen gaat belanghebbende in beroep tegen het niet tijdig behandelen van het bezwaarschrift.



1.13.
Bij uitspraak op bezwaar van 15 augustus 2025 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2022 ongegrond verklaard.



Alle zaaknummers




1.14.
Partijen hebben voor de zitting nadere stukken waaronder verweerschriften ingediend.



1.15.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 2] .




Feiten


2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.



2.1.

Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1964 en is gehuwd met

[naam 3] .




2.2.
Belanghebbende is sinds 2004 eigenaar van een rijksmonumentenpand gelegen aan [adres] . Dit pand is de eigen woning van belanghebbende en zijn echtgenote.



2.3.
Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV 2019 tot en met 2022 de rente van twee hypothecaire leningen, die hij heeft afgesloten bij het Nationaal Restauratiefonds, in aftrek gebracht als kosten voor de eigen woning.





Beoordeling door de rechtbank



Afbakening van het geschil

3.


3.1.
Ter zitting hebben partijen verklaard dat uitsluitend de hoogte van de (definitieve) aanslagen IB/PVV over de jaren 2019 tot en met 2022 en de bij de aanslag IB/PVV 2022 opgelegde verzuimboete in geschil zijn.



3.2.
De rechtbank overweegt daartoe dat de beroepen van belanghebbende tegen het uitblijven van uitspraken op bezwaar inzake de aanslagen IB/PVV 2021 en 2022, zien op de daarna alsnog door de inspecteur gedane uitspraken op bezwaar. De rechtbank stelt tevens vast dat partijen ten aanzien van de afwijzende beschikking (1.9.) om de aanslag IB/PVV 2021 niet te verlagen, de bezwaarfase willen overslaan en akkoord gaan met een rechtstreeks beroep van belanghebbende tegen die afwijzende beschikking.



3.3.
De rechtbank beoordeelt aldus de vraag of de inspecteur de aanslagen IB/PVV 2019, 2020, 2021 en 2022 tot de juiste bedragen heeft opgelegd en of de bij de bij de aanslag IB/PVV 2022 opgelegde verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. De rechtbank beantwoordt deze vragen positief en overweegt daartoe, aan de hand van de standpunten van partijen, als volgt.



Restant persoonsgebonden aftrek

4.



4.1.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 is afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangiften IB/PVV 2019 en 2020. Deze afwijking heeft betrekking op de aftrekpost restant persoonsgebonden aftrek. In 2019 heeft de inspecteur nog een bedrag van € 39.731 aan restant persoonsgebonden aftrek in mindering toegestaan, terwijl belanghebbende een bedrag van € 158.518 had opgegeven. Voor 2020 heeft de inspecteur de door belanghebbende aangegeven aftrekpost van € 57.058 aan restant persoonsgeboden aftrek in zijn geheel geweigerd.



4.2.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2019 rekening heeft gehouden met de stand die de beschikking nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek per ultimo 2018 weergeeft, te weten € 39.731. Deze stand van de nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek per ultimo 2018 is gebaseerd op de uitspraak die deze rechtbank eerder heeft gedaan. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft deze uitspraak in hoger beroep bevestigd. De rechtbank ziet in algemene zin geen aanleiding om af te wijken van het eerder door deze rechtbank vastgestelde bedrag en dus ook geen aanleiding om af te wijken van de beschikking die de stand ultimo 2018 weergeeft, te weten € 39.731.



4.3.
Belanghebbende is weliswaar in cassatie gegaan tegen de uitspraak van het gerechtshof over de hoogte van de nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek, maar de rechtbank ziet om proceseconomische redenen geen aanleiding de uitkomst van die procedure af te wachten. Dit betekent dat uitgaande van de beschikking nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek ultimo 2018, nog € 39.731 in aftrek kan worden gebracht in 2019. Omdat het inkomen uit werk en woning over het jaar 2019 meer bedraagt dan het restant persoonsgebonden aftrek ultimo 2018 is voor het jaar 2020 geen restant persoonsgebonden aftrek meer aanwezig.



Tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning

5.



5.1.
Belanghebbende is van mening dat de per 2014 ingevoerde tariefsaanpassing voor de aftrek van kosten voor de eigen woning in de zin van artikel 2.10, tweede lid, van de Wet IB 2001, niet mag worden toegepast op de rente die hij heeft betaald in verband met zijn leningen bij het Nationaal Restauratiefonds (2.3.). Belanghebbende heeft daartoe aangevoerd dat hij deze leningen is aangegaan ter financiering van (achterstallige) restauratiewerkzaamheden van zijn monumentale woning en dat de aftrek daarom niet mag worden beperkt. Belanghebbende is van mening dat er op dit punt sprake is van onbehoorlijk bestuur en strijdigheid met Unesco-verdragen, Europese afspraken met betrekking tot erfgoed en het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.



5.2.
De rechtbank overweegt dat de door de inspecteur gehanteerde tariefsaanpassing rechtstreeks voortvloeit uit de wet. In verband met het grondwettelijke verbod om wetten in formele zin te toetsen aan ander recht dan internationaal recht, kan de rechter de afweging van de wetgever niet toetsen aan algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Dit neemt echter niet weg dat als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dat is het geval indien die niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven of als toepassing van de wet voor belanghebbende onredelijk bezwarend is. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. De rechtbank vat het betoog van belanghebbende op als een beroep op bijzondere omstandigheden als in voornoemde zin.



5.3.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende de rente die hij verschuldigd is over de leningen bij het Nationaal Restauratiefonds in aftrek heeft gebracht als kosten voor de eigen woning. Deze aftrek is mogelijk wanneer het gaat om rente betaald op een lening die is aangegaan ter verbetering of onderhoud van de woning (de eigenwoningschuld). De aftrek van rente inzake een eigenwoningschuld, is met ingang van 2014, beperkt (de aftrekbeperking).



5.4.
Belanghebbende is van mening dat de aftrekbeperking niet van toepassing mag zijn op de rente die hij heeft betaald aan het Nationaal Restauratiefonds. Die leningen zijn namelijk aangegaan om de kosten gemaakt voor de restauratie van een monumentenpand te financieren. En kosten die gemaakt worden met betrekking tot een monumentenpand mogen volgens belanghebbende niet in aftrek beperkt worden. De rechtbank volgt dit standpunt van belanghebbende niet en overweegt daartoe dat betaalde rente überhaupt niet als onderhoudskosten van een monumentpand kan worden aangemerkt. De grondslag van de aftrekbaarheid van de rente die is betaald over de leningen afgesloten bij het Nationaal Restauratiefonds is gelegen in het feit dat het om een eigenwoningschuld gaat. Dit is overigens ook de wijze waarop belanghebbende de rente heeft verwerkt in de aangifte. Dat dit deel van de eigenwoningschuld is aangegaan specifiek voor de restauratie van een monumentenpand maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De wet kent geen uitzonderingsbepaling ten aanzien van rente die is betaald op leningen die zijn aangegaan specifiek voor het onderhoud of restauratie van monumentenpanden. Dit betekent dat de aftrekbeperking naar het oordeel van de rechtbank terecht is toegepast.



5.5.
Tegen de beperking van de aftrek van de rente in het kader van de eigenwoningschuld heeft belanghebbende geen afzonderlijke gronden aangevoerd, die kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van hetgeen onder 5.2. is overwogen. De rechtbank ziet overigens ook geen ruimte om voorbij te gaan aan de wettelijk vastgelegde beperking van de renteaftrek.



Verzuimboete

6. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de opgelegde verzuimboete bij de aanslag IB/PVV 2022. Belanghebbende heeft in beroep geen zelfstandige gronden tegen de opgelegde boete aangevoerd. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende buiten de daarvoor in de aanmaning gestelde termijn zijn aangifte IB/PVV 2022 heeft ingediend, acht de rechtbank de opgelegde boete van € 385 passend en geboden. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de opgelegde boete onjuist zijn toegepast, er sprake is van afwezigheid van alle schuld of dat de redelijke termijn met betrekking tot het beslissen op deze boete is overschreden, is het beroep ook voor wat betreft de opgelegde verzuimboete ongegrond.





Conclusie en gevolgen


7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB/PVV 2019 tot en met 2022 en de verzuimboete bij de aanslag IB/PVV 2022 in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Haanstra, griffier.














griffier


rechter








Uitgesproken op 1 september 2026.






Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Artikel 2.10, lid 2, van de Wet IB 2001.


Artikel 2.10, lid 2, van de Wet IB 2001.


Artikel 2.10, lid 2, van de Wet IB 2001.


Artikel 2.10, lid 2, van de Wet IB 2001.


Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Artikel 7:1a van de Awb.


Zie Rechtbank Noord-Nederland, LEE 22/1616, 9 mei 2023, punt 3.


Zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 april 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2089.


Vgl. artikel 120 Grondwet en Hoge Raad 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725.


Vgl. Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:815, Hoge Raad 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3679, r.o. 3.6.2 en 3.6.3 en College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.


Artikel 3:119a Wet IB 2001.