Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3725

2026-04-17 Bestuursrecht 24-2646 en 25-3296
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-04-17
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
24-2646 en 25-3296
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

beroep, verzoek handhaving in verband met parkeren bij een school, belanghebbendheid, strijd met de APV: berm of groenstrook, strijd met bestemmingsplan, geen overtreding van geringe aard

Citeert (17)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (33.210 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen


Bestuursrecht


zaaknummers: LEE 24/2646 en 25/3296


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaken tussen




[eiser 1]




[eiser 2]




[eiser 3]




[eiser 4]




[eiser 5]




[eiser 6]




[eiser 7]




[eiser 8]




[eiser 9]




[eiser 10]




[eiser 11]




[eiser 12] ,

allen uit [plaats]
(gemachtigde: [eiser 1] )




[eiser 13]
, uit [plaats] ,
(gemachtigde: mr. T. Dekker)
eisers,


en



het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats], het college
(gemachtigden: [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ).


Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde belanghebbende] te [plaats 2] .



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over een besluit van het college op het verzoek om handhaving van eisers. Zij hebben het college verzocht handhavend op te treden tegen parkeren in de omgeving van de [naam school] in [plaats] . Bij primair besluit heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen, gedeeltelijk omdat eisers niet als belanghebbende zijn aan te merken en gedeeltelijk omdat geen sprake is van een overtreding. Bij het besluit op bezwaar zijn de bezwaren gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit op bezwaar, waarbij het college de afwijzing van het handhavingsverzoek heeft gehandhaafd.

1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat alleen eisers die zicht hebben op, of in hun straat feitelijke gevolgen ondervinden van, het parkeren belanghebbenden zijn.


1.2. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat het college niet goed heeft gemotiveerd waarom het college het handhavingsverzoek van eisers dat ziet op het parkeren langs de [straatnaam] in strijd met artikel 5:8 van de Algemene Plaatselijke Verordening [plaats] 2023 (APV) afwijst. Ten aanzien van de [straatnaam 2] heeft het college naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat geen sprake is van een overtreding van artikel 5:8 APV, zodat het handhavingsverzoek ten aanzien van de [straatnaam 2] voor dat onderdeel terecht is afgewezen.


1.3. Tot slot oordeelt de rechtbank dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat parkeren binnen de bestemming “Groen” geen overtreding oplevert. Het college heeft echter onvoldoende gemotiveerd dat handhavend optreden tegen parkeren binnen de bestemming “Tuin” onevenredig is.


1.4. Eisers krijgen dus (gedeeltelijk) gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Procesverloop


2. Eisers hebben het college op 1 september 2023 verzocht om handhavend op te treden tegen auto’s die parkeren langs de [straatnaam 2] , De [straatnaam] en de [straatnaam 3] in [plaats] . Dat is volgens hen in strijd met artikel 5:8 van de APV en met de bestemmingen Tuin en Groen.

2.1. Bij primair besluit van 20 oktober 2023 heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen, gedeeltelijk omdat eisers niet als belanghebbenden zijn aan te merken en gedeeltelijk omdat geen sprake is van een overtreding.


2.2. Eisers hebben een bezwaarschrift ingediend.


2.3. Met het bestreden besluit van 8 mei 2024 heeft het college de bezwaren deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.


Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eisers hebben op 6 maart 2026 aanvullende gronden ingediend.


2.4. De rechtbank heeft de beroepen op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 10] , [eiser 1] , [eiser 11] en [eiser 13] , bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Dekker. Voor het college zijn verschenen [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] . Voor derde-partij is verschenen [gemachtigde derde-belanghebbende] , locatieleider van de [naam school]



Beoordeling door de rechtbank




Zijn eisers belanghebbenden en is sprake van een aanvraag?


3. Eisers stellen dat een aantal bezwaarmakers ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het college heeft ten onrechte de ontvankelijkheid afhankelijk gesteld van de vraag of bezwaarmakers zicht hebben op de gestelde overtreding. Eisers wonen en leven in de omgeving. Parkerende ouders blokkeren of belemmeren hun uitritten en zorgen voor chaotische verkeerssituaties in hun woonomgeving. Het college stelt ten onrechte dat eisers zich niet onderscheiden van andere weggebruikers. Gelet op de korte afstanden is duidelijk dat zij allen hinder ondervinden van de verkeer- en parkeersituatie aan de [straatnaam 2] , de [straatnaam] en de [straatnaam 3] . Eisers vinden dat het college ten onrechte stelt dat [eiser 12] geen zicht heeft op de overtredingen. Verder heeft het college de belangen van [eiser 6] , [eiser 7] en [eiser 11] niet meegewogen. Over de [straatnaam 3] hebben eisers aangevoerd dat [eiser 11] en [eiser 10] wel belanghebbenden zijn omdat zij zicht hebben op de [straatnaam 3] .

3.1. Het college stelt dat geen van de eisers gevolgen van enige betekenis ondervindt van geparkeerde auto’s aan de [straatnaam 3] . Er is sprake van een ruime afstand tussen de woonomgeving van eisers en de [straatnaam 3] . Die ligt aan de overkant van het Oranjekanaal en wordt aan het zicht onttrokken door bomen en struiken. Verder geldt voor de [straatnaam 3] dat eisers zich niet onderscheiden van andere weggebruikers. Zij lopen daar niet meer risico dan andere weggebruikers. De belangen van [eiser 6] , [eiser 7] , [naam] en [eiser 12] zijn meegenomen in de besluitonderdelen ten aanzien waarvan zij als belanghebbende zijn aangemerkt. Ten onrechte staat in het bestreden besluit dat [eiser 12] geen zicht heeft op de [straatnaam 2] . Er is sprake van een kennelijke schrijffout; hier had [eiser 10] moeten staan.


3.2. De beroepsgrond van eisers dat zij allen belanghebbende zijn ten aanzien van alle straten slaagt niet. Om als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te kunnen worden aangemerkt moeten eisers een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang hebben dat hen in voldoende mate onderscheidt van anderen. Daarbij dient dit belang rechtstreeks door het besluit te worden geraakt. Verder geldt in het omgevingsrecht dat wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die door een besluit wordt toegestaan, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder ‘gevolgen van enige betekenis’ heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit, omdat het belang zich dan onvoldoende onderscheidt van anderen. Om te bepalen of er gevolgen zijn van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand, zijn van belang de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.


3.3. Gelet op het bovengenoemde criterium zijn eisers naar het oordeel van de rechtbank belanghebbenden voor zover het verzoek om handhaving betrekking heeft op de wegen waaraan zij wonen of waar zij zicht op hebben. Slechts dan ondervinden zij naar het oordeel van de rechtbank gevolgen van enige betekenis als gevolg van het parkeren, hetzij vanwege het zicht daarop hetzij omdat zij hinder ondervinden bij het bereiken of verlaten van hun woning. Ten aanzien van de wegen waaraan eisers niet wonen of waarop zij geen zicht hebben onderscheiden zij zich naar het oordeel van de rechtbank niet van andere weggebruikers. Mogelijk ondervinden zij verder van hun woningen problemen in verband met verkeersdoorstroming, leefbaarheid en gevaarlijke situaties, maar daarin onderscheiden zij zich niet van andere verkeersdeelnemers. Het college heeft daarom terecht overwogen dat eisers, voor zover het verzoek om handhaving ziet op de [straatnaam 3] , allen niet als belanghebbenden zijn aan te merken.


3.4. Het college heeft terecht overwogen dat eisers [eiser 10] ( [straatnaam] [nummer 1] ) en [eiser 13] ( [straatnaam 4] [nummer 2] ) niet als belanghebbenden zijn aan te merken voor zover het verzoek om handhaving betrekking heeft op de [straatnaam 2] . Ook heeft het college naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat eisers [eiser 1] , ( [straatnaam 5] [nummer 3] ), [omwonende] ( [straatnaam 2] [nummer 4] ), [eiser 5] ( [straatnaam 2] [nummer 4] ), [eiser 2] ( [straatnaam 2] [nummer 5] ) [eiser 9] ( [straatnaam 5] 97), [eiser 4] ( [straatnaam 2] [nummer 7] ), [eiser 3] ( [straatnaam 5] [nummer 8] ) [eiser 8] ( [straatnaam 2] [nummer 9] ) en [eiser 7] ( [straatnaam] [nummer 10] ) geen belanghebbenden zijn bij het handhavingsverzoek met betrekking tot de [straatnaam] .


3.4.1. Voor zover eisers hebben gesteld dat de belangen van [eiser 6] , [eiser 7] , [naam] en [eiser 12] niet zijn meegenomen overweegt de rechtbank dat, zoals het college in het verweerschrift heeft aangegeven, deze belangen zijn meegewogen in de besluitonderdelen ten aanzien waarvan zij als belanghebbende zijn aangemerkt. Verder heeft het college in het verweerschrift aangegeven dat, voor zover in het bestreden besluit is vermeld dat Rossing geen zicht heeft op de [straatnaam 2] , sprake is van een kennelijke schrijffout.


3.4.2. Het college heeft terecht overwogen dat ten aanzien van de eisers die geen belanghebbende zijn, het verzoek om handhaving geen aanvraag is. De brief van 20 oktober 2023 is ten aanzien van hen geen besluit. Het college heeft hun bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard.



Is sprake van een overtreding?


4. Eisers stellen dat sprake is van een overtreding. Volgens eisers zijn de groenstroken langs de [straatnaam 2] en de [straatnaam] aan te merken als groenstrook en mag daar op grond van artikel 5:8 van de APV niet geparkeerd worden. Eisers stellen dat die stroken zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoen als groenstroken en niet als berm. Eisers hebben gewezen op het formaat van de stroken, de daarin aanwezige beplanting, de afgrenzing met de weg met een opsluitband, de aanwezigheid van lantaarnpalen en de omstandigheid dat de groenstrook wordt onderbroken voor uitritten. Eisers maken ten aanzien van de [straatnaam 2] een vergelijking met een zaak die ging over de P.C. Hoofdstraat te Rosmalen. Ten aanzien van de [straatnaam] hebben eisers er verder nog op gewezen dat de bomen in de stroken vallen onder de waardevolle structuur van de gemeente [plaats] waardoor niet aannemelijk is dat sprake is van een berm waar geparkeerd mag worden. Ook hebben eisers gewezen op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, waarin is overwogen dat de Brink in [plaats] in zijn geheel is aan te merken als groenstrook, terwijl de [straatnaam] ook aan de Brink ligt. Eisers stellen dat de uitspraak ook van toepassing is op de groenstroken aan de [straatnaam] en de [straatnaam 2] .

4.1. Daarnaast is parkeren langs de [straatnaam 2] en de [straatnaam] volgens eisers in strijd met het bestemmingsplan. De (groen)stroken langs die wegen hebben in de bestemmingsplannen Emmen, Noordbarge (westzijde van de [straatnaam] ) en Emmen, Bargeres, (oostzijde van de [straatnaam] ) deels de bestemming “Tuin” en deels de bestemming “Groen”. Het parkeren van auto’s in die bestemmingen is niet toegestaan.


4.2. Het college stelt dat geen sprake is van een overtreding. Volgens het college moeten de stroken worden aangemerkt als berm en niet als groenstrook en is parkeren in de berm niet verboden. Volgens vaste jurisprudentie is van belang hoe de strook door de gemiddelde weggebruiker ervaren wordt. In dit geval zijn de stroken niet ingericht als groenvoorziening en maken zij een niet-onderhouden indruk. Ook omdat er al jaren geparkeerd wordt ziet de gemiddelde weggebruiker de stroken als een berm. Een aangelegde trottoirband betekent niet meteen dat sprake is van een groenstrook. Ook is niet doorslaggevend wie het stuk groen onderhoudt. Het college wijst daarvoor op een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 februari 2021. Ten aanzien van de [straatnaam] heeft het college nog aangegeven dat aan de ene zijde bermverharding is aangebracht en aan de andere zijde een lage trottoirband. Dat zijn aanwijzingen dat sprake is van een berm. Verder staat in de bomenlijst dat sprake is van wegbeplanting. De vergelijking met de Brink gaat niet op. De Brink is een echte brink met een eigen functie en inrichting met diverse voorzieningen en toestellen. De stroken zijn aan te merken als berm en de berm behoort tot de weg en daarvoor geldt geen parkeerverbod. Daarom is geen sprake van een overtreding van artikel 5:8 van de APV.


4.3. Parkeren binnen de bestemming “Groen” is volgens het college niet in strijd met het bestemmingsplan. Weliswaar is het aanleggen van parkeervoorzieningen niet toegestaan binnen de bestemming “Groen”, maar er geldt geen verbod om te parkeren.
Het college erkent dat parkeren in de bestemming “Tuin” niet is toegestaan. Maar volgens het college is handhaving onevenredig omdat slechts een klein deel van de auto in de bestemming “Tuin” staat.


4.4. De rechtbank overweegt als volgt.



Is parkeren aan de [straatnaam 2] en de [straatnaam] in strijd met de APV?



4.4.1. Uit artikel 5:8 van de APV volgt dat het is verboden een auto te parkeren op een groenstrook. Dit verbod geldt niet voor de weg, waaronder ook de berm valt. Dit is ook niet in geschil. Voor de vraag of sprake is van een overtreding van artikel 5:8 van de APV is daarom van belang of de betreffende stroken moeten worden aangemerkt als een berm of als een groenstrook.


4.4.2. De APV en de Wegenverkeerswetgeving kennen geen definitie van de begrippen “berm” en “groenstrook”. Volgens vaste jurisprudentie is voor het onderscheid tussen een “groenstrook” en een “berm” van belang hoe het terrein zich voordoet voor de gemiddelde weggebruiker. Dit betreft een beoordeling van alle relevante feiten en omstandigheden.


4.4.3. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de stroken langs de [straatnaam 2] te worden aangemerkt als berm. Daarvoor is met name van belang dat sprake is van zeer smalle stroken grond aan weerzijden van de [straatnaam 2] , die niet ogen alsof ze een zelfstandige functie hebben. Het gras is dof van kleur en er zitten kale stukken in. Er is geen beplanting aangebracht. De gemiddelde weggebruiker zal naar het oordeel van de rechtbank denken dat deze stroken grond dienen voor het passeren, manoeuvreren en/of parkeren van voertuigen. Dat een opsluitrand of stoepband aanwezig is maakt niet dat enkel daarom reeds sprake is van een groenstrook.Wie het onderhoud pleegt van de strook is evenmin van doorslaggevend belang. Ook is niet slechts de grootte van de strook op zichzelf doorslaggevend voor de conclusie dat sprake is van een groenstrook of berm.
De verwijzing door Peeks naar de P.C. Hoofdstraat in Rosmalen leidt niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van gelijke gevallen. Nog los van de toestand van de stroken is er, anders dan bij de P.C. Hoofdstraat in Rosmalen, op de stroken bij de [straatnaam 2] geen beplanting in een herhaald patroon en is er geen voetpad aangelegd. Voor zover wordt geparkeerd in de stroken langs de [straatnaam 2] is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake van een overtreding van artikel 5:8 van de APV. Het verzoek om handhaving is in zoverre terecht afgewezen.


4.4.4. De stroken aan de [straatnaam] moeten naar het oordeel van de rechtbank wel worden aangemerkt als groenstroken. Daarvoor is van belang dat de stroken breed zijn (ongeveer even breed als de weg zelf), overwegend een goed onderhouden indruk maken en dat beplanting is aangeplant (waaronder ook jonge aanplant) in een herhaald patroon. Dat, zoals het college heeft aangevoerd, aan de ene zijde bermverharding is aangebracht en aan de andere zijde een lage trottoirband, maakt niet dat reeds daardoor sprake is van een berm. Voor zover wordt geparkeerd in de stroken langs de [straatnaam] is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een overtreding. Het college heeft daarom het handhavingsverzoek van eisers ten aanzien van de [straatnaam] ten onrechte afgewezen met als motivering dat geen sprake is van een overtreding van artikel 5:8 van de APV. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:46 en 7:12 van de Awb. Het besluit moet worden vernietigd en het college dient opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.



Is parkeren aan de [straatnaam 2] en de [straatnaam] in strijd met het bestemmingsplan?



4.4.5. In de bestemmingsplannen “ Emmen , Noordbarge” (westzijde [straatnaam] ) en “ Emmen , Bargeres” (oostzijde [straatnaam] ) hebben de stroken langs de [straatnaam 2] en [straatnaam] de bestemmingen “Groen”. De bestemming “Groen” langs de [straatnaam 2] heeft een breedte die varieert en van maximaal 1,5 meter bedraagt. Direct daarachter begint de bestemming “Tuin”.


4.4.6. De gronden met de bestemming “Groen” zijn op grond van de planregels onder meer bestemd voor groenvoorzieningen. Gelet op de artikelen 1.42 en 1.58 van de planvoorschriften valt een berm hier ook onder. Het parkeren in deze stroken, voor zover voorzien van de bestemming Groen is daarom niet in strijd met de planregels. De planregels van het bestemmingsplan Emmen, Bargeres laten (aan de oostzijde van de [straatnaam] ) de aanleg van parkeervoorzieningen zelfs toe.


4.4.7. Over parkeren binnen de bestemming “Tuin” overweegt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat dit een overtreding is en dat het college bevoegd is om daartegen handhavend op te treden.


4.4.8. Als sprake is van een overtreding, dan moet een bestuursorgaan in de regel gebruik maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. Dit ter bescherming van het algemeen belang. Dit wordt ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.


4.4.9. Het college stelt zich op het standpunt dat sprake is van een overtreding van geringe aard en dat handhavend optreden daarom onevenredig is. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Mogelijk staat een auto maar voor een klein deel in de bestemming “Tuin”, maar die overtreding doet zich, omdat het aan de [straatnaam 2] (ook) gaat om brengende en halende ouders, meerdere malen per dag voor. Het gaat om overtredingen die zich zeer regelmatig voordoen. Uit foto’s blijkt dat ter plaatse van de toegangsweg naar de school in de bestemming “Tuin” een soort van structurele parkeervoorziening is ingericht of ontstaan. Daarnaast geldt dat niet van handhavend optreden kan worden afgezien, uitsluitend omdat sprake zou zijn van een overtreding van geringe ernst en aard. De rechtbank overweegt dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het college een belangenafweging heeft gemaakt, waarbij het de belangen van eisers en het algemeen belang tegen de belangen van de overtreders (waaronder mogelijk ook de eigenaren van de grond die hun ‘tuin’ in strijd met de bestemming laten gebruiken) heeft afgewogen. Het college heeft bijvoorbeeld niet gesteld of onderbouwd waarom handhavend optreden tegen parkeren in de bestemming “Tuin” van het college een zware inspanning zou vragen of voor de overtreders onevenredig bezwarend zou zijn. Dat laatste lijkt ook niet aannemelijk omdat de school waar de ouders hun kinderen brengen en halen volgens het college over voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein beschikt en er dus geen reden lijkt te zijn om te parkeren in de bestemming “Tuin”. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd.



Overige gronden



4.4.10. Eisers hebben aangevoerd dat het controlerapport van 13 september 2023 niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Er zijn slechts foto’s van de [straatnaam 2] , niet van de [straatnaam] en de [straatnaam 3] . Verder heeft de toezichthouder geen eigen onderzoek gedaan naar de vraag of sprake is van een groenstrook of berm, de beleidsadviseur heeft bepaald dat sprake is van een berm. Niet duidelijk is of de beleidsadviseur onderzoek heeft verricht. Tot slot kloppen de opgemeten breedtes van de strook aan de [straatnaam 2] niet.


4.4.11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het rapport niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Een toezichthouder van de gemeente heeft ter plaatse onderzoek gedaan naar de feitelijke situatie, daarvan foto’s gemaakt en relevante documenten (waaronder het bestemmingsplan) bestudeerd. Dat geen foto’s zijn gemaakt van alle straten en situaties, maakt het onderzoek niet onzorgvuldig. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met het rapport voldoende zicht gekregen op de situatie ter plaatse, de parkeerbewegingen en de feitelijke uitstraling en het gebruik van de gronden. Eisers zijn het duidelijk niet eens met de conclusies van het rapport, maar dat maakt het rapport op zichzelf niet onzorgvuldig of onvolledig.


4.4.12. Eisers hebben in beroep verder nog aangevoerd dat het handhavingsverzoek ook ziet op het (niet willen) plaatsen van keien langs de [straatnaam] . Verder hebben eisers gesteld dat op grond van artikel 5 van de Wegenverkeerswet niet mag worden geparkeerd voor in- of uitritten. Ook hebben eisers gesteld dat op grond van het Bouwbesluit 2012 en de omgevingsvergunning voor de school de (toegangs)weg (naar de school) een breedte van 4,5 meter moet hebben en dat op grond van de CROW-richtlijnen een minimale vrije doorrijruimte van 3,5 moet worden gehanteerd. Gelet hierop dient volledig in de berm te worden geparkeerd, maar dit is onmogelijk.


4.4.13. Deze gronden slagen niet. Zij vallen buiten de omvang van het geding. Ter zitting is besproken dat het verzoek om handhaving dat ten grondslag ligt aan deze procedure ziet op het nemen van een bestuursdwang- of dwangsombesluit en niet op feitelijk handelen (zoals controles door bijzonder opsporingsambtenaren (BOA’s) of het plaatsen van keien of paaltjes). De afwijzing van een verzoek om feitelijk te handelen is immers geen besluit in de zin van de Awb. Voor wat betreft artikel 5 van de Wegenverkeerswet is het college geen bevoegd gezag. Tot slot staat de (verplichte) breedte van de toegangsweg naar de school los van de concrete vraag of parkeren langs de [straatnaam 2] en de [straatnaam] in strijd is met artikel 5:8 van de APV of het bestemmingsplan. De breedte van die toegangsweg kan, bijvoorbeeld met het oog op de bereikbaarheid voor hulpdiensten, wel een element zijn bij de afweging of wel of niet handhavend moet worden opgetreden tegen een parkeerovertredingen, maar daarover zal nadere besluitvorming moeten plaatsvinden



Conclusie en gevolgen


5. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:46 en 7:12 van de Awb. Het college heeft namelijk niet goed gemotiveerd waarom het het handhavingsverzoek van eisers ten aanzien van het parkeren in de groenstroken langs de [straatnaam] en het parkeren in de bestemming Tuin aan de [straatnaam 2] heeft afgewezen. De rechtbank vernietigt daarom in zoverre het bestreden besluit.

5.1. Omdat het beroep gegrond is moet het griffierecht aan eisers in de zaak LEE 24/2646 worden vergoed. Omdat Peeks voor het later ingediende eigen beroep geen griffierecht heeft betaald, heeft hij geen recht op vergoeding van het griffierecht in de zaak LEE 25/3296. Omdat Peeks eerst na het indienen van het beroep een gemachtigde heeft aangesteld die niet (mede) het initiële beroepschrift heeft ingediend, heeft Peeks alleen recht op een proceskostenvergoeding ter hoogte van € 934,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 934,-).



Beslissing



De rechtbank:



verklaart de beroepen gegrond;


vernietigt het besluit van 8 mei 2024;


draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers in de zaak LEE 24/2646 moet vergoeden;


bepaalt dat het college aan eiser Peeks (LEE 25/3296) de proceskosten ten bedrage van € 934,- moet vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. F.K. Heiting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.








Griffier


rechter






Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Regelgeving



Algemene Plaatselijke Verordening [plaats] 2023



Artikel 1:1 Begripsbepalingen


k. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).



Artikel 5:8 Groenvoorziening




Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen staan of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.


Dit verbod is niet van toepassing op:



a. de weg;
b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;
c. voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.





Wegenverkeerswet 1994


Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders blijkt, verstaan onder:
b. wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen, en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.


Artikel 5
Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.





Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)


Artikel 10
1. Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.




Bestemmingsplan [plaats] , Noordbarge


Artikel 11 (Groen)



11.1

Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. groenvoorzieningen;
b. water;
c. ter plaatse van de aanduiding 'houtwal', mede voor behoud van opgaande beplanting.
met bijbehorende:
d. andere bouwwerken;
e. sport- en speelgelegenheden;
f. fiets- en voetpaden;
g. toegangswegen, in- en uitritten.
h. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.




Artikel 1.42 Groenvoorziening:

een (openbaar)gebied, dat is ingericht als berm, park, groenstrook, beplantingsstrook, grasveld, plantsoen, sport- en speelveldjes en dergelijke, welke voor het gehele jaar of een groot deel van het jaar voor het publiek algemeen toegankelijk moet zijn.




artikel 21 Tuin




21.1


Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:



tuin;


ter plaatse van de aanduiding 'houtwal', mede voor behoud van opgaande beplanting;


met bijbehorende:
andere bouwwerken.





Bestemmingsplan [plaats] , Bargeres


Artikel 5 Groen



5.1

Bestemmingsomschrijving
De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. groen(voorziening);
b. park;
c. plantsoen;
d. water;
e. houtwal ter plaatse van de aanduiding houtwal;
f. multifunctioneel sportveld ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van groen - multifunctioneel sportveld.
met bijbehorende:
g. andere bouwwerken;
h. sport- en speelgelegenheden;
i. fiets- en voetpaden;
j. parkeervoorzieningen;
k. toegangswegen in- en uitritten;
l. geluidswerende voorzieningen;
m. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.




Artikel 1.58 groenvoorziening:
een (openbaar)gebied, dat is ingericht als berm, park, groenstrook, beplantingsstrook, grasveld, plantsoen, sport- en speelveldjes en dergelijke, welke voor het gehele jaar of een groot deel van het jaar voor het publiek algemeen toegankelijk moet zijn;






Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2050


Onder verwijzing naar de uitspraken van de AbRS van 12 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:388) en 23 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2271)


Uitspraak van de AbRS van 6 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1001)


Als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb


Arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juli 2027, ECLI:NL:GHARL:2017:6064


Uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 september 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:3911)


Uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:3716)


ECLI:NL:GHARL:2021:1747


Dat volgt uit artikel 1:1 sub k, van de APV en artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994


De uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 februari 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:1734)


De uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 februari 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1747) en 21 februari 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:1682)


De uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 oktober 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:10142) en 23 februari 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1747)


De uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 mei 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:5254)


Artikel 5.1 sub j van het bestemmingsplan [plaats] , Bargeres


De uitspraak van de AbRS van 4 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2529)


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de AbRS van 21 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1943 en 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:227