Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3581

2026-08-17 Bestuursrecht; Omgevingsrecht LEE 24/3130
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-17
Publicatiedatum
2026-08-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
LEE 24/3130
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing handhavingsverzoek ten aanzien van werkzaamheden in tuin en gebouwde vlonder. College heeft in verweer gewijzigd standpunt ingenomen zowel ten aanzien van werkzaamheden in tuin als ten aanzien van vlonder. College heeft in deze handhavingszaak feitelijke situatie en toepassing bestemmingsplan meerdere malen op verschillende wijze uitgelegd. Bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid, onvoldoende gemotiveerd en in strijd met de rechtszekerheid. Beroep gegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.499 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: LEE 24/3130


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2026 in de zaak tussen

[naam] en mevrouw [naam], uit Groningen, eisers
(gemachtigde: mr. A.A. Westers),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen
(gemachtigde: G.J. Tingen).


Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit Groningen (derde-partij).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers’ handhavingsverzoek dat ziet op (het geluid van) een warmtepomp, een vlonder en tuinwerkzaamheden op het perceel [adres] te Groningen (het perceel). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eisers krijgen dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Op 21 februari 2022 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen wat betreft het geluid van de waterpomp, de omkasting van de installaties en de werkzaamheden aan de tuin en de bouw van de vlonder als een overtreding van het bestemmingsplan aangemerkt. Op 8 april 2022 heeft het college het verzoek om handhaving van eisers ten aanzien van de vlonder echter alsnog afgewezen.



2.1.
Met het besluit op bezwaar van 30 augustus 2022 is het college bij de (volledige) afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven, met een gewijzigde motivering ten aanzien van de vlonder bij het zwembad.



2.2.
Tegen dat besluit is door derde-partij beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep in haar uitspraak van 9 februari 2024 gegrond verklaard, het besluit van 30 augustus 2022 vernietigd voor zover het de handhavingsverzoeken betrof en het college opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak.


3. Met het bestreden besluit van 10 juni 2024 op het bezwaar van eisers wijst het college het handhavingsverzoek toe voor het geluid van de warmtepomp. Ten aanzien van de werkzaamheden aan de tuin en de vlonder bij het zwembad is het college opnieuw bij de afwijzing van de handhavingsverzoeken gebleven.




3.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



3.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.



3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser [naam] en de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en derde-partij.



3.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen de gelegenheid te geven voor nader overleg (mediation). Na ontvangst van het bericht van het mediationbureau dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.





Beoordeling door de rechtbank



Overgangsrecht Omgevingswet


4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Op een verzoek om handhaving dat is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het voor 1 januari 2024 geldende recht van toepassing tot het besluit op het handhavingsverzoek onherroepelijk wordt. Omdat het handhavingsverzoek is ingediend voor 1 januari 2024, blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en aanverwante regelingen van toepassing in deze zaak.



Wat heeft deze rechtbank eerder geoordeeld?


5. In de uitspraak van 9 februari 2024 heeft deze rechtbank ten aanzien van de warmtepomp geoordeeld dat het bestreden besluit onzorgvuldig was voorbereid en niet draagkrachtig was gemotiveerd, vanwege onduidelijkheid over de van toepassing zijnde norm uit het Bouwbesluit en of het college aan de juiste norm had getoetst. Ten aanzien van de werkzaamheden aan de tuin heeft de rechtbank geoordeeld dat het college niet zonder nader onderzoek kon concluderen dat voor de werkzaamheden geen omgevingsvergunning is vereist. Ten aanzien van de vlonder was de rechtbank van oordeel dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat in dit geval handhavend optreden onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.



Het bestreden besluit


6. Met het bestreden besluit wijst het college het handhavingsverzoek toe voor het geluid van de warmtepomp. Op basis van een nieuwe geluidmeting heeft het college een overtreding van de geluidnorm vastgesteld en aan derde-partij een last onder dwangsom opgelegd. Ten aanzien van de werkzaamheden aan de tuin is het college bij de afwijzing van de handhavingsverzoeken gebleven. Volgens het college valt uit de beschikbare foto’s niet af te leiden dat sprake is van vergunningplichtige werkzaamheden. Het college stelt zich daarom op het standpunt dat geen sprake is van een overtreding van het verbod om zonder vergunning aanlegvergunningplichtige werkzaamheden te verrichten. Ten aanzien van de vlonder is het college bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven omdat volgens het college legalisatie mogelijk is.



Kan het bestreden besluit in stand blijven?


7. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, reeds omdat het college in het verweer een gewijzigd standpunt heeft ingenomen zowel ten aanzien van de werkzaamheden in de tuin als ten aanzien van de vlonder. Ten aanzien van de tuinwerkzaamheden stelt het college in het verweer dat in het bestreden besluit op basis van een onjuiste motivering is geweigerd om handhavend op te treden. Het college komt terug op het standpunt dat geen sprake is aanlegvergunningplichtige werkzaamheden en stelt daarbij onder meer dat de omvang van het bestemmingsvlak Tuin (met de aanduiding natuurwaarden) in het bestreden besluit niet juist is beoordeeld. Ten aanzien van de vlonder stelt het college in het verweer dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, omdat de omvang van het bestemmingsvlak Tuin onjuist is bepaald. De rechtbank stelt vast dat ook in deze beroepsprocedure het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onjuist is gemotiveerd.


7.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college in deze handhavingszaak, die al in 2021 is aangevangen, in strijd met de rechtszekerheid heeft gehandeld door de feitelijke situatie en de toepassing van het bestemmingsplan meerdere malen op verschillende wijze uit te leggen. Het is aan het college om naar aanleiding van een handhavingsverzoek een duidelijk (en zoveel mogelijk consequent) standpunt in te nemen over zowel de feitelijke situatie als de toepassing van het bestemmingsplan.




Conclusie en gevolgen


8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid, onvoldoende is gemotiveerd en in strijd is met de rechtszekerheid. Het bestreden besluit is in strijd met 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen ruimte om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit op het bezwaarschrift moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.



8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Dat zijn twee proceshandelingen. De vergoeding bedraagt € 1.868,-.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het besluit van 10 juni 2024;


draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;


veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser;




Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Volk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.












griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Uitspraak van deze rechtbank van 9 februari 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1471


Dat volgt uit artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet


Zie artikel 8.3.1 aanhef en onder a van het bestemmingsplan Hoornse meer, Hoornse Park en Piccardthof