Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3567
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over twee lasten onder dwangsom vanwege het (laten) huisvesten van arbeidsmigranten op het perceel. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college niet bevoegd was om aan eiseres 2, als werkgever van de arbeidsmigranten, een last onder dwangsom op te leggen. Eiseres 2 is weliswaar overtreder omdat de overtreding aan haar kan worden toegerekend, maar zij heeft het niet in haar macht om de overtreding te beëindigen. Verder oordeelt de rechtbank dat de hoogte van de dwangsom en de begunstigingstermijn onvoldoende zijn gemotiveerd. De rechtbank oordeelt dat de begunstigingstermijn op zichzelf niet te kort is gelet op het feit dat het college expliciet rekening houdt met de civiele procedure over de ontruiming. De rechtbank vindt echter dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom op voorhand uitdrukkelijk van een verdere verlenging wordt afgezien, in geval de civielrechtelijke procedure onverhoopt enige vertraging oploopt. Eiseressen krijgen gelijk en het beroep is dus gegrond.
Citeert (12)
- ECLI:NL:RVS:2025:678 Raad van State 05-03-2025
- ECLI:NL:RVS:2022:285 Raad van State 02-02-2022
- ECLI:NL:RVS:2023:2067 Raad van State 31-05-2023
- ECLI:NL:HR:2016:733 Hoge Raad 26-04-2016
- ECLI:NL:RVS:2023:2067 Raad van State 31-05-2023
- ECLI:NL:RVS:2024:2292 Raad van State 06-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2019:2568 Raad van State 24-07-2019
- ECLI:NL:RVS:2026:4270 Raad van State 22-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:118 Raad van State 15-01-2025
- ECLI:NL:RVS:2022:1234 Raad van State 26-04-2022
- ECLI:NL:RVS:2021:471 Raad van State 08-03-2021
- ECLI:NL:RVS:2025:2621 Raad van State 11-06-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (54.083 tekens)
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/3187
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam], uit [plaats], eiseres 1 en
[naam], uit [plaats], eiseres 2,
gezamenlijk: eiseressen
(gemachtigde: mr. N.F. van der Meer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Wolden, (het college)
(gemachtigde: mr. M.W. van Nijendaal).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam], [naam] en [naam],
derde-partij 1 tot en met 48 wonende te [plaats],
(gemachtigde: mr. A.J. ter Wee).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over twee lasten onder dwangsom vanwege het (laten) huisvesten van arbeidsmigranten op het perceel [adres] in [plaats] (het perceel). Eiseressen zijn het niet eens met deze lasten onder dwangsom. Zij voeren een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit over de lasten onder dwangsom.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college niet bevoegd was om aan eiseres 2 een last onder dwangsom op te leggen en dat de hoogte van de dwangsom en de begunstigingstermijn onvoldoende zijn gemotiveerd. Eiseressen krijgen gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het college heeft op 16 december 2024 aan eiseressen elk afzonderlijk een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 23 juli 2025 op het bezwaar van eiseressen is het college bij de lasten onder dwangsom gebleven.
2.1.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Op 27 november 2025 heeft het college aanvullende stukken ingediend.
2.3.
Op 27 februari 2026 hebben eiseressen aanvullende stukken ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseressen vertegenwoordigd door [naam] en hun gemachtigde mr. M.J.F. Nuijens en mr. W. Hogenkamp, het college vertegenwoordigd door [naam] en zijn gemachtigde, mr. M.W. van Nijendaal en de gemachtigde van derde-partijen, mr. A.J. ter Wee.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Vanaf 1 februari 2020 huurt eiseres 1 recreatiebungalows en groepsverblijven op het perceel van [naam]. De door eiseres 1 gehuurde recreatiebungalows en groepsverblijven worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Eiseres 2 is werkgever van de arbeidsmigranten.
3.1.
Op 16 april, 19 juli en 2 oktober 2024 heeft een toezichthouder een controlebezoek gebracht aan het perceel. Daarbij is vastgesteld dat er arbeidsmigranten wonen op het recreatiepark. Een aantal van hen staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
3.2.
Op 9 oktober 2024 heeft het college aan eiseressen bericht dat het voornemens is om aan ieder van hen een last onder dwangsom op te leggen van € 250.000,- ineens, omdat de huisvesting van arbeidsmigranten in strijd is met de recreatiebestemming.
3.3.
Op 31 oktober 2024 hebben eiseressen een zienswijze ingediend tegen de voorgenomen lasten onder dwangsom.
3.4.
Op 27 november 2024 heeft een toezichthouder een controle uitgevoerd en opnieuw geconstateerd dat er arbeidsmigranten op het perceel zijn gehuisvest.
3.5.
Bij besluit van 16 december 2024 is aan beide eiseressen afzonderlijk een last onder dwangsom opgelegd voor het beëindigen van de overtreding(en) van artikel 19.1 van de Omgevingswet. Eiseressen kunnen dit doen door het (laten) huisvesten van arbeidsmigranten op het perceel te beëindigen en beëindigd te houden. Dit moeten eiseressen doen vóór 1 mei 2025. Zij verbeuren elk een dwangsom van € 250.000,- ineens als niet, niet helemaal of niet op tijd wordt voldaan aan de last.
3.6.
Op 21 januari 2025 hebben eiseressen bezwaar gemaakt tegen de lasten onder dwangsom. Tegelijkertijd hebben eiseressen verzocht om uitstel van de begunstigingstermijn tot zes maanden na het besluit op bezwaar.
3.7.
Bij besluit van 27 februari 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 1 juli 2025.
3.8.
Op 8 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter de ontruimingsvordering van eiseres 1 tegen de huurders (dat zijn de derde-partijen) toegewezen, maar het vonnis niet bij voorraad uitvoerbaar verklaard. De huurders hebben tegen dat vonnis op 2 juni 2025 hoger beroep ingesteld. Op 4 juni 2025 hebben eiseressen verzocht om nadere verlenging van de begunstigingstermijn tot de dag waarop de huurders, als gevolg van een onherroepelijke uitspraak, de woningen hebben moeten ontruimen.
3.9.
Bij besluit van 12 juni 2025 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 1 november 2025.
3.10.
Bij besluit van 23 juli 2025 heeft het college het bezwaarschrift van eiseressen ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Voor de motivering verwijst het college naar het advies van de bezwaarschriftencommissie. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wijst het college af.
3.11.
Op 1 september 2025 hebben eiseressen beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 23 juli 2025.
3.12.
Op 1 oktober 2025 hebben eiseressen opnieuw verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn tot de dag waarop de huurders, als gevolg van de onherroepelijke uitspraak van het gerechtshof, de woningen hebben moeten verlaten.
3.13.
Bij besluit van 23 oktober 2025 heeft het college het verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn te verlengen, afgewezen. Volgens het college is de termijn van 1 november 2025 redelijk. Het bestaan van privaatrechtelijke procedures vormt geen grond om bestuursrechtelijke handhaving op te schorten. Het verzoek omvat geen nieuwe feiten en omstandigheden die tot nader uitstel zouden moeten leiden.
3.14.
Op 29 oktober 2025 hebben eiseressen een verzoek om voorlopige voorziening ingediend vanwege de naderende afloop van de begunstigingstermijn van 1 november 2025.
3.15.
Bij besluit van 5 november 2025 heeft het college het besluit van 23 oktober 2025 ingetrokken en de begunstigingstermijn verlengd tot en met 1 februari 2026.
3.16.
Op 14 januari 2026 hebben eiseressen verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn.
3.17.
Bij besluit van 27 januari 2026 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot vier weken na de uitspraak in de onderhavige beroepszaak.
3.18.
Het college heeft naar aanleiding van de zitting in een besluit van 8 april 2026 de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de uitspraak van het gerechtshof in de civiele procedure over de ontruimingsvordering, maar uiterlijk tot 31 december 2026. Verder staat in dit besluit uitdrukkelijk vermeld dat verder uitstel niet zal worden verleend.
3.19.
Eiseressen hebben op 20 mei 2026 gereageerd op de verlengde begunstigingstermijn. Uitgaande van de geplande zitting bij het gerechtshof op 2 september 2026 zou de termijn die eindigt op 31 december 2026 volgens hen voldoende kunnen zijn, maar zij maken er bezwaar tegen dat het college reeds bij voorbaat iedere verlenging van die termijn uitdrukkelijk uitsluit.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu gedeeltelijk uit een tijdelijk deel. De regels van de (voormalige) Beheersverordening Buitengebied De Wolden 2023 maken onderdeel uit van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan.
4.1.
Het perceel heeft de bestemming ‘Recreatie – 2’ en mag alleen worden gebruikt voor recreatieverblijven en groepsaccommodaties. Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van bouwwerken voor permanente bewoning.
4.2.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt (onder meer) een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.
4.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
4.4.
Bij handhavingsbesluiten geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden als er sprake is van een overtreding. Dit wordt ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen.
4.5.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, beoordeeld moet worden of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden.
4.6.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Omvang van het geding
5. Na het bestreden besluit van 23 juli 2025 is de daarin opgenomen begunstigingstermijn gewijzigd en verlengd in de besluiten van achtereenvolgens 5 november 2025 (tot en met 1 februari 2026), 27 november 2025 (tot vier weken na de uitspraak in deze beroepszaak) en 8 april 2026 (tot zes weken na de uitspraak van het gerechtshof, maar tot uiterlijk 21 december 2026). Het beroep van eiseressen is van rechtswege ook gericht tegen deze wijzigingsbesluiten, tenzij partijen daar geen belang bij hebben. Omdat de begunstigingstermijn uit het besluit van 5 november 2025 inmiddels is verstreken en de begunstigingstermijn uit het besluit van 27 november 2025 is vervangen door die van het besluit van 8 april 2026, hebben partijen geen belang meer bij een beoordeling van die besluiten. Daarom heeft het beroep van eiseressen geen betrekking op de besluiten van 5 november 2025 en 27 november 2025. Eiseressen hebben nog wel belang bij een beoordeling van de begunstigingstermijn uit het besluit van 8 april 2026. Daarin is de begunstigingstermijn, verlengd tot zes weken na de uitspraak van het gerechtshof in de civiele procedure over de ontruimingsvordering, maar uiterlijk tot 31 december 2026. De rechtbank merkt het besluit van 8 april 2026 aan als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarop het beroep ook betrekking heeft.
Is sprake van een overtreding?
6. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat sprake is van een overtreding. Op het perceel rust op grond van het omgevingsplan de bestemming ‘Recreatie – 2’. De recreatiebungalows en groepsverblijven op het perceel worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Dit gebruik is in strijd met de recreatiebestemming. Anders dan het college meent, levert dit geen overtreding op van het omgevingsplan maar van het bepaalde in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Het college is daarom bevoegd om daartegen handhavend op te treden.
Was het college bevoegd om aan eiseres 2 een last onder dwangsom op te leggen?
7. Eiseres 2 stelt primair dat zij ten onrechte is aangemerkt als overtreder en dat het college niet bevoegd was om aan haar een last onder dwangsom op te leggen. Daartoe voert eiseres 2 aan dat zij als werkgever van de arbeidsmigranten geen bepalende factor heeft bij de huisvesting. De arbeidsmigranten hebben ieder afzonderlijk een huurovereenkomst gesloten met eiseres 1. Op de zitting heeft eiseres 2 betwist dat de huur wordt ingehouden op het loon, zoals in het bestreden besluit wel is aangenomen. De huur wordt rechtstreeks betaald aan eiseres 1. Subsidiair betoogt eiseres 2 dat zij het niet in haar macht heeft om de overtreding te beëindigen. Zij kan de arbeidsmigranten niet verplichten of dwingen om de accommodaties te verlaten. Zij kan ook niet de huurovereenkomsten met de arbeidsmigranten beëindigen, omdat zij daarbij geen contractspartij is. Verder voert eiseres 2 aan dat zij niet kan voorkomen dat de arbeidsmigranten in de toekomst opnieuw zullen verblijven op het perceel.
8. Het college vindt dat eiseres 2 wel als overtreder kan worden aangemerkt. De overtreding vindt plaats in de bepalende sfeer van eiseres 2. Op de zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat volgens het college is voldaan aan de criteria voor functioneel daderschap. Daartoe voert het college aan dat eiseres 2 als uitzendbureau werknemers werft en huisvesting op het park garandeert via haar organisatie. Dit maakt ook dat de gedraging in het belang is van de uitoefening van de bedrijfsvoering van eiseres 2 en daaraan dienstig is. Zij bepaalt mede het huisvestingsbeleid en er wonen geen andere arbeidsmigranten op het park dan werknemers van eiseres 2. Verder geeft het college aan dat sprake is van een nauwe verbondenheid tussen de vennootschappen. Beide eiseressen hebben dezelfde directeur-grootaandeelhouder en staan op hetzelfde adres ingeschreven in de KvK. Dit betekent dat eiseres 2 wist, of zou moeten weten, dat de huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel niet is toegestaan, aldus het college. Daarmee heeft eiseres 2 aanvaard dat deze overtreding is gepleegd.
9. De beroepsgrond dat eiseres 2 de overtreding niet kan beëindigen slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Kan eiseres 2 als overtreder worden aangemerkt?
9.1.
Onder overtreder wordt verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Dit is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de gedraging is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en daarom als overtreder worden aangemerkt.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres 2 de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de overtreding kan worden toegerekend aan eiseres 2, als werkgever van de arbeidsmigranten. Daarvoor moet volgens rechtspraak van de Afdeling worden beoordeeld aan de hand van de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap uit het zogenoemde Drijfmest-arrest van de Hoge Raad. Pas als kan worden vastgesteld dat eiseres 2 overtreder is, komt de vraag aan de orde of zij het in haar macht heeft de overtreding te beëindigen, omdat haar alleen in dat geval een last onder dwangsom mag worden opgelegd.
9.3.
In het Drijfmest-arrest oordeelde de Hoge Raad dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit als de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn als zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen:
het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,
de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening,
e rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
9.4.
Niet is vereist dat alle of meerdere van de onder a tot en met d genoemde omstandigheden zich voordoen. De overwegingen van de Hoge Raad houden niet in dat vereist is dat de overtreder de overtreding moet kunnen ‘bewerkstelligen’.
9.5.
De rechtbank oordeelt dat het college eiseres 2 terecht als overtreder heeft aangemerkt. Daartoe overweegt de rechtbank dat de verboden gedraging is verricht in de sfeer van eiseres 2. De verboden gedraging past in de normale bedrijfsvoering van eiseres 2, omdat zij als uitzendbureau huisvesting garandeert en regelt voor haar werknemers. Eiseres 2 brengt de arbeidsmigranten daarvoor in contact met eiseres 1. De verboden gedraging was in zoverre ook dienstig aan eiseres 2. Deze aangeboden service van huisvesting kan gunstig zijn voor het werven van buitenlandse uitzendkrachten, doordat zij niet zelf naar huisvesting hoeven te zoeken. Uit verklaringen van bewoners van de recreatiewoning blijkt dat zij in dienst zijn van eiseres 2 en op het park wonen. Ook blijkt uit de toezichtrapporten waarnaar het college verwijst dat eiseres 2 het huisvestingsbeleid bepaalt op het recreatiepark en dat op het park wordt aangegeven dat de regels van eiseres 2 op het terrein gelden. De toezichthouder heeft verder geconstateerd dat uit de arbeidsovereenkomsten blijkt dat eiseres 2 een vergoeding toekent in verband met kosten van dubbele huisvesting en de uitzendkracht in ruil daarvoor afstand doet van een deel van het loon. Ook is er toestemming gevraagd door eiseres 2 om de kosten voor huisvesting van het loon te betalen aan eiseres 1. Op de zitting heeft eiseres 2 deze werkwijze weliswaar betwist, maar dit niet nader onderbouwd aan de hand van bijvoorbeeld huurovereenkomsten. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de kosten voor huisvesting via eiseres 2 worden overgemaakt dan wel ingehouden. Eiseres 2 had gelet op haar bepalende factor in de huisvesting de verboden gedraging kunnen voorkomen door alternatieve huisvesting aan te bieden op een bestemming waarbij permanente bewoning planologisch gezien wel is toegestaan. Van een professioneel uitzendbureau mag immers worden verwacht dat de door haar aangeboden huisvesting voldoet aan wet- en regelgeving, en in dit geval het omgevingsplan. In zoverre kon eiseres 2 erover beschikken of de verboden gedraging kon plaatsvinden. Door de huisvesting op een illegale locatie actief te bevorderen, heeft eiseres 2 als werkgever van de arbeidsmigranten niet de zorg betracht die redelijkerwijs van haar kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de verboden gedraging. De enkele stelling dat zij niet de verhuurder is van het perceel, ontslaat haar niet van haar verantwoordelijkheid.
Heeft eiseres 2 het in haar macht om een einde te maken aan de overtreding?
9.6.
Een last onder dwangsom kan uitsluitend worden opgelegd aan de overtreder die het in zijn macht heeft de last uit te voeren, dat wil zeggen de overtreder die in staat is de last uit te voeren. In dit geval is aan eiseres 2 de last opgelegd om het strijdig gebruik blijvend te beëindigen, door het (laten) huisvesten op het perceel van arbeidsmigranten te beëindigen en beëindigd te houden.
9.7.
De rechtbank oordeelt dat eiseres 2 het niet in haar macht heeft om de overtreding te (doen) beëindigen. Weliswaar is eiseres overtreder vanwege haar rol (zie hiervoor) in het ontstaan van de illegale situatie, maar de rechtbank volgt het standpunt van eiseres 2 dat zij geen juridische middelen heeft om de arbeidsmigranten te verplichten om de recreatiewoningen te verlaten. Zij kan niet de huurovereenkomsten met de arbeidsmigranten beëindigen, omdat zij daarbij geen contractspartij is. Mogelijk zou eiseres 2 de arbeidscontracten met de arbeidsmigranten kunnen beëindigen, maar dat zou niet wegnemen dat de arbeidsmigranten zich in hun relatie met eiseres 1 kunnen beroepen op huurbescherming. Het college vindt dat eiseres 2 voor alternatieve huisvesting moet zorgen, maar dat betekent niet dat daarmee de overtreding feitelijk wordt beëindigd. Het staat derde-partijen immers vrij om een eigen afweging te maken om al dan niet in te gaan op dat aanbod. Zij kunnen er, ondanks een alternatief aanbod van eiseres 2, voor kiezen op het park te blijven wonen. Daarbij betrekt de rechtbank dat aan derde-partijen ook alternatieve huisvesting is aangeboden, maar dat derde-partijen hebben aangegeven niet te willen verhuizen en zich beroepen op huurbescherming, onder meer omdat het hen zeer goed bevalt op het park. Dit betekent dat eiseres 2 niet in staat is om de last uit te voeren. Het college was daarom niet bevoegd om aan haar een last onder dwangsom op te leggen.
9.8.
Het beroep is dus in zoverre gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de aan eiseres 2 opgelegde last. Gelet op deze beslissing laat de rechtbank de andere beroepsgronden die eiseres 2 hierover heeft aangevoerd onbesproken.
Is sprake van concreet zicht op legalisatie?
10. Eiseressen voeren aan dat het college van handhavend optreden had moeten afzien, omdat er concreet zicht is op legalisatie. Eiseres 1 heeft op 22 september 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd ter legalisering van het strijdig gebruik. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd en heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd. Daartegen liep ten tijde van het bestreden besluit een hogerberoepsprocedure. Volgens eiseressen had de omgevingsvergunning moeten worden verleend, zodat aan hen ten onrechte wordt tegengeworpen dat sprake is van een overtreding, althans dat geen sprake zou zijn van concreet zicht op legalisatie.
11. Het college geeft aan dat het lopende hoger beroep onvoldoende is om concreet zicht op legalisatie aan te nemen. Bovendien zag de aangevraagde en geweigerde tijdelijke omgevingsvergunning op een periode tot 1 februari 2025. Dit betekent dat zelfs al zou die omgevingsvergunning zijn verleend, de termijn inmiddels is verstreken. Er is op dit moment geen sprake van een nieuwe of herhaalde aanvraag. Daarom kan legalisatie volgens het college feitelijk geen effect meer hebben, omdat het college op de aanvraag van 22 september 2021 dient te beslissen.
12. Deze beroepsgrond slaagt niet.
12.1.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie op grond waarvan het college had moeten afzien van handhavend optreden. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie aanwezig is. In dit geval is het college niet bereid om mee te werken aan legalisatie van het strijdig gebruik. Dit heeft geresulteerd in een geweigerde omgevingsvergunning. Anders dan eiseressen hebben betoogd, is het enkele gegeven dat er nog hoger beroep loopt tegen het weigeringsbesluit geen reden om aan te nemen dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Daar komt bij dat deze weigering ziet op een tijdelijke omgevingsvergunning (tot 1 februari 2025) en er geen aanvraag ligt die ziet op legalisatie na die datum. Tot slot heeft de Afdeling in de uitspraak van 22 juli 2026 het hoger beroep ongegrond verklaard.
Is handhaving onevenredig?
13. Eiseressen stellen zich op het standpunt dat handhaving onevenredig is. Het besluit maakt dat alle bewoners hun woning uiterlijk 1 november 2025 zullen moeten verlaten, terwijl er geen alternatieve huisvesting kan worden gevonden binnen die termijn. Hierdoor raken de bewoners dakloos ten gunste van een niet rendabel vakantiepark dat niet meer levensvatbaar is. Daarvoor verwijzen eiseressen naar het vitaliteitsonderzoek van ZKA consultants uit 2016. Verder betogen eiseressen dat handhaving niet past bij de duidelijke wens van het kabinet om alle mogelijke woonoplossingen aan te grijpen in tijden van woningnood. Eiseressen verwijzen naar de brief van 19 december 2024 van de minister van Volksverhuizing en Ruimtelijke Ordening aan alle colleges van B&W, waarin de colleges van burgemeester en wethouders nadrukkelijk worden aangespoord om, in afwachting van een voorgenomen instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving, te voorkomen dat permanente bewoners van recreatiewoningen hun woonruimte verliezen.
14. Het college voert aan dat handhaving niet onevenredig is. Het algemeen belang bij herstel van de planologische orde weegt zwaarder dan het belang bij het (nog langer) voortzetten van het gebruik. Het college en de gemeenteraad hebben al eerder de gewenste ontwikkeling naar vitalisering van het vakantiepark kenbaar gemaakt. Momenteel zijn investeerders en ontwikkelaars terughoudend door de huisvesting van arbeidsmigranten. In het ZKA-vitaliteitsonderzoek uit 2016 is destijds geadviseerd om voor maximaal zes jaar tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten toe te staan. Het rapport biedt geen steun voor permanente bewoning, maar benadrukt juist het tijdelijke karakter ervan. Het college geeft aan dat de landelijke woningnood en de voorgestelde regeling van de minister niets afdoen aan de planologische situatie. Het is slechts een aansporing van de minister. Daarnaast vraagt het college zich af of de arbeidsmigranten wel aanspraak zouden kunnen maken op de voorgestelde regeling, omdat de arbeidsmigranten in principe hun hoofdverblijf elders hebben. Zij komen daarom niet zonder woonruimte te zitten.
15. Deze beroepsgrond slaagt niet.
15.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is. De rechtbank stelt voorop dat op het park een recreatieve bestemming rust. Dat het park al langere tijd niet-recreatief wordt gebruikt doet aan die bestemming niet af. Ook het enkele feit dat er financiële investeringen nodig zijn om het park weer geschikt te maken voor legaal recreatief gebruik, doet aan de evenredigheid van de handhaving niet af. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het vitaliteitsonderzoek uit 2016 volgt dat het park op dat moment niet interessant was voor investeerders omdat de erfpachtovereenkomst nog maar zes jaar liep. Om die reden moest een tijdelijk alternatief worden gevonden en alleen daarom is geadviseerd om er tijdelijk arbeidsmigranten te huisvesten. Met het aflopen van de erfpachtovereenkomst kan weer een nieuwe langdurende erfpachtovereenkomst worden afgesloten en wordt het park daarmee mogelijk weer interessant voor nieuwe investeerders. Het college heeft op de zitting toegelicht dat momenteel sprake is van een impasse om het park te revitaliseren, omdat het park in de huidige illegale staat met huurders voor potentiële investeerders niet gunstig is. De overtreding zal daarvoor eerst moeten worden beëindigd, zodat toekomstige ontwikkelingen verder kunnen worden verkend. Daarnaast overweegt de rechtbank dat er inmiddels een nieuwe begunstigingstermijn geldt tot in beginsel 31 december 2026. Naar het oordeel van de rechtbank biedt deze termijn, met inachtneming van wat daarover hierna wordt overwogen, voldoende tijd om alternatieve huisvesting te vinden, met name gezien het feit dat eiseressen al sinds het voornemen op 9 oktober 2024 wisten dat het college voornemens was om tegen de permanente bewoning handhavend op te treden.
15.2.
Verder oordeelt de rechtbank dat de brief van 19 december 2024 van de minister ook niet maakt dat handhaving onevenredig is. De rechtbank stelt voorop dat de brief van de minister een oproep is aan colleges om alvast, in afwachting van de uitwerking en invoering van de instructieregel, niet handhavend op te treden. De afweging om voorlopig al dan niet af te zien van handhavend optreden ligt echter nog volledig bij het college en niet bij de minister. Deze brief is, anders dan eiseressen menen, niet juridisch bindend voor het college. Het college mag dus een eigen afweging maken om al dan niet gehoor te geven aan de oproep van de minister. Het college heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat het onzeker is wat de precieze inhoud van de instructieregel zal zijn en of derde-partijen in aanmerking zouden komen om te blijven wonen in de recreatiewoning. Het is op dit moment volgens het college te vroeg om daarop vooruit te lopen. De rechtbank kan dit volgen en het college heeft daarom in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn handhavende bevoegdheid.
Is de dwangsom te hoog?
16. Eiseressen vinden de opgelegde dwangsom van in totaal € 500.000,- te hoog. De hoogte staat niet in redelijke verhouding tot de zwaarte van de gestelde overtreding en het financiële gewin dat hiermee gepaard gaat. Het college heeft ten onrechte aangenomen dat zowel eiseres 1 als eiseres 2 afzonderlijk een financieel voordeel hebben van € 240.000,- bij de huisvesting. Dit is niet het geval. Daarnaast heeft het college bij het bepalen van de hoogte ten onrechte rekening gehouden met de maximale bezetting van 100 huurders. In werkelijkheid zijn er slechts 55 huurders en niet 100 huurders, zoals bij een volledige bezetting het geval zou zijn. Tot slot merken eiseressen op dat de bezwaarschriftencommissie in haar advies de hoogte van de dwangsom van € 25.000,- voldoende onderbouwd en redelijk vinden in plaats van € 250.000,- ineens. Daarom is het niet te volgen dat het college vasthoudt aan het dwangsombedrag van € 250.000,- aan ieder van hen.
17. Het college geeft aan dat de hoogte van de dwangsom gebaseerd is op het financieel voordeel van het verboden gebruik en dat de dwangsom proportioneel is. Het college is niet bekend met de financiële afwikkeling tussen eiseres 1 en eiseres 2, maar zij halen beide financieel voordeel uit de illegale situatie. Dat er op dit moment 55 huurders zijn doet daar niet aan af omdat het er morgen weer 100 kunnen zijn, aldus het college. Als het dwangsombedrag te laag is, is de prikkel niet hoog genoeg om de situatie te beëindigen. Het bedrag van € 25.000,- in het advies van de bezwaarschriftencommissie is een kennelijke verschrijving.
18. De rechtbank stelt voorop dat het college ten onrechte aan eiseres 2 een last onder dwangsom heeft opgelegd. Dit betekent dat de beoordeling van de hoogte van de dwangsom zich beperkt tot de last onder dwangsom die is opgelegd aan eiseres 1. Daarbij gaat de rechtbank uit van het dwangsombedrag van € 250.000,-. De rechtbank volgt het college dat het bedrag van € 25.000,- in het advies een kennelijke verschrijving is, omdat het gaat om een feitelijke beschrijving van de dwangsom.
18.1.
Voor de hoogte van de dwangsom geldt dat de dwangsom in redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Een bestuursorgaan komt daarom bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsruimte toe. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde dwangsom wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels.
18.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit de hoogte van het dwangsombedrag onvoldoende heeft gemotiveerd. In het bestreden besluit volstaat het college met de verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, waarin daarover alleen maar staat dat de hoogte passend is en in verhouding staat tot het financiële voordeel dat met de overtreding wordt behaald. In het verweerschrift voegt het college daar een uitgebreidere motivering aan toe, namelijk dat de hoogte van de dwangsom is gebaseerd op een volledige huurbezetting van maximaal 100 plekken. Op de zitting heeft het college toegelicht dat daarbij is uitgegaan van een wekelijks huurbedrag van € 100,-. Dit levert een maandelijkse huuropbrengst op van € 40.000,- per maand. Over een periode van zes maanden, gelijk aan de eerste begunstigingstermijn, is dit een totaalbedrag van € 240.000,-. Daarom acht het college een dwangsom van € 250.000,- gerechtvaardigd.
18.3.
De rechtbank overweegt dat het college de hoogte van de dwangsom na de aanvulling in het verweerschrift en op de zitting voldoende inzichtelijk en toereikend heeft gemotiveerd. Volgens vaste rechtspraak geldt dat het economisch voordeel van het laten voortduren van de overtreding niet exact hoeft te worden bepaald. Volstaan kan worden met een globale schatting van de te verwachten winst bij het niet voldoen aan de last. Het dwangsombedrag houdt, in verhouding tot de huuropbrengsten die eiseres 1 met de illegale verhuur heeft verkregen, een voldoende prikkel in om een einde te maken aan de overtreding. De motivering in het bestreden besluit is op zichzelf onvoldoende en zodoende te algemeen geformuleerd. De beroepsgrond gericht tegen de motivering van de hoogte van het dwangsombedrag slaagt. De rechtbank oordeelt dat het motiveringsgebrek met de aanvulling in het verweerschrift en de toelichting op de zitting is hersteld, zodat de rechtbank aanleiding ziet om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.
Is de begunstigingstermijn uit het besluit van 8 april 2026 te kort?
19. Eiseressen stellen dat de begunstigingstermijn die, na het besluit van 8 april 2026, uiterlijk eindigt op 31 december 2026 mogelijk te kort is. Dat zal afhankelijk zijn van de datum en de inhoud van de uitspraak van het gerechtshof in het hoger beroep over de ontruimingsvordering. Volgens eiseressen is het op dit moment onmogelijk is om huurders op een korte termijn te ontruimen. Het hoger beroep van de huurders tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 8 mei 2025, waarin de ontruimingsvordering is toegewezen, staat daaraan in de weg, omdat dat vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Dit betekent dat het exploot (van 26 mei 2025) waarin de ontruiming is bevolen, zonder werking blijft en de uitkomst van het hoger beroep moet worden afgewacht
20. Het college vindt dat zij een redelijke begunstigingstermijn heeft gehanteerd. Een privaatrechtelijke belemmering om de huurovereenkomsten op te zeggen, komt voor rekening van de overtreder. Daarvoor verwijst het college naar een uitspraak van de Afdeling. Het college wil in redelijkheid voorkomen dat de huurders zonder alternatief worden achtergelaten, maar tegelijkertijd een einde brengen aan de situatie. Maar eiseressen zijn al sinds de weigering van de aanvraag om de omgevingsvergunning op de hoogte dat de gemeente de situatie niet langer wil laten duren. Er moet volgens het college worden gekeken naar alternatieve huisvesting om de overtreding te beëindigen. Het college heeft daarvoor een locatie aangedragen in Gees. Het is niet duidelijk welke alternatieven zijn of worden onderzocht door eiseressen.
21. Deze beroepsgrond slaagt.
21.1.
De rechtbank stelt vast dat het college op 8 april 2026 de begunstigingstermijn van de aan eiseressen opgelegde lasten onder dwangsom heeft verlengd tot zes weken na de uitspraak van het gerechtshof in de civiele procedure over de ontruimingsvordering (de mondelinge behandeling in die zaak is bepaald op 2 september 2026) maar uiterlijk tot 31 december 2026. In het besluit van 8 april 2026 staat dat met het opnemen van een uiterste einddatum wordt voorkomen dat de bestuursrechtelijke handhaving voor onbepaalde tijd afhankelijk wordt van het verdere verloop van de civiele procedure. Het college merkt deze verlenging nadrukkelijk aan als de laatste verlenging van de begunstigingstermijn.
21.2.
Een begunstigingstermijn strekt ertoe de overtreder de gelegenheid te bieden de overtreding te beëindigen zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Als uitgangspunt geldt dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag zijn dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn komt het bestuursorgaan enige vrijheid toe.
21.3.
De rechtbank oordeelt dat de begunstigingstermijn op zichzelf niet te kort is gelet op het feit dat het college expliciet rekening houdt met de civiele procedure over de ontruiming. De rechtbank acht het aannemelijk dat binnen zes weken de woningen kunnen worden ontruimd, als het vonnis van 8 mei 2025 door het gerechtshof wordt bekrachtigd. De rechtbank vindt echter dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom op voorhand uitdrukkelijk van een verdere verlenging wordt afgezien. De rechtbank begrijpt in algemene zin het standpunt van het college dat de prikkelwerking van een last onder dwangsom afneemt naarmate de begunstigingstermijn verder wordt verlengd, maar in dit concrete geval doet die situatie zich niet voor. Daarbij is van belang dat eiseres 1 welwillend en voldoende voortvarend heeft gepoogd aan de last te voldoen. Zij heeft op 31 januari 2025 de ontruiming aangezegd en is daarover, nadat de huurders zich beriepen op huurbescherming, op 9 april 2025 een procedure gestart bij de voorzieningenrechter, die eindigde met het vonnis van 8 mei 2025. De rechtbank stelt vast dat het college met de gewijzigde begunstigingstermijn expliciet – en ook bij eerdere verlengingen daarvan – heeft willen aansluiten bij de civiele procedure door de uitkomst daarvan af te wachten. Niet valt in te zien waarom na een aantal aan de civiele procedure gekoppelde verlengingen, de laatste fase van de civiele procedure niet meer kan worden afgewacht. Ook heeft het college niet goed duidelijk kunnen maken hoe eiseres 1 aan de last kan voldoen als de huurders zich op huurbescherming beroepen en het ontruimingsvonnis van de voorzieningenrechter niet kan worden uitgevoerd. Als de civielrechtelijke procedure onverhoopt enige vertraging oploopt, valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom van een verdere verlenging geen sprake kan zijn. In zoverre heeft het college het besluit niet deugdelijk gemotiveerd. De verwijzing door het college naar de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2021 doet daar niet aan af. In die uitspraak oordeelde de Afdeling dat het bestaan van een huurovereenkomst niet betekent dat de verhuurder het niet in zijn macht heeft om aan een last te voldoen. Dat klopt, maar daar gaat het hier niet om. De stelling van eiseres 1 is immers niet dat zij het niet in haar macht heeft om aan de last te voldoen, maar dat het college bij het bepalen van de begunstigingstermijn rekening moet houden met de noodzakelijke civiele ontruimingsprocedure.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep van eiseres 2 is gegrond omdat het college niet bevoegd was om haar een last onder dwangsom op te leggen. Het beroep van eiseres 1 is gegrond omdat de hoogte van de dwangsom (in het besluit van 23 juli 2025) en de begunstigingstermijn (in het besluit van 8 april 2026) niet deugdelijk zijn gemotiveerd. Eiseressen krijgen op deze punten dus gelijk. Dit betekent dat de bestreden besluiten in zoverre niet in stand kunnen blijven. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten in zoverre. Voor het overige is het beroep ongegrond.
22.1.
De rechtbank zal het primaire besluit van 16 december 2024 dat is gericht aan eiseres 2 herroepen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Eiseres 2 hoeft dus niet te voldoen aan die last en het college hoeft niet opnieuw te beslissen op de bezwaren van eiseres 2.
22.2.
Het college heeft de motivering van de hoogte van de dwangsom in het verweerschrift en op de zitting aangevuld. De motivering is naar het oordeel van de rechtbank met die aanvulling deugdelijk. Met het oog op definitieve geschilbeslechting laat de rechtbank daarom de rechtsgevolgen van dat deel van het bestreden besluit van 23 juli 2025 in stand.
22.3.
De rechtbank ziet aanleiding zelf te voorzien in de zaak over de last die is gericht aan eiseres 1. Vernietiging van het besluit van 8 april 2026 zou er anders toe leiden dat de daarvóór geldende begunstigingstermijn weer gaat gelden, waardoor eiseres 1 per saldo slechter af zou zijn. De rechtbank bepaalt de begunstigingstermijn op zes weken na de uitspraak van het gerechtshof in de civiele procedure over de ontruimingsvordering en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 8 april 2026.
22.4.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseressen vergoeden en krijgen eiseressen ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseressen een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Dat zijn twee proceshandelingen. Voort kent de rechtbank een half punt toe voor het beroepschrift tegen het wijzigingsbesluit van 8 april 2026. De proceskostenvergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,-.
22.5.
Omdat de bezwaren van eiseressen ten onrechte ongegrond zijn verklaard en hun beroep leidt tot materieel andere besluiten en herroeping van het besluit dat was gericht aan eiseres 2, hebben eiseressen ook recht op vergoeding van de kosten in bezwaar. Voor het indienen van het bezwaarschrift en de aanwezigheid bij de hoorzitting (2 punten á € 666,- per punt), ontvangen zij € 1.332,-.
22.6.
In totaal moet het college aan eiseressen dus een bedrag van € 3.667,- aan (proces)kosten voldoen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 23 juli 2025 voor zover het college daarin heeft beslist dat de last onder dwangsom aan eiseres 2 in stand wordt gelaten;
herroept de last onder dwangsom van 16 december 2024 voor zover deze aan eiseres 2 is opgelegd en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
vernietigt het bestreden besluit van 23 juli 2025 voor zover het ziet op het bezwaar van eiseres 1 wat betreft de motivering van de hoogte van het dwangsombedrag;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit over de hoogte van de dwangsom in stand blijven;
vernietigt het bestreden besluit van 8 april 2026 voor zover het de begunstigingstermijn betreft;
bepaalt de begunstigingstermijn op zes weken, te rekenen vanaf de dag na de uitspraak van het gerechtshof in de civiele procedure over de ontruimingsvordering en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 8 april 2026.
veroordeelt het college tot een betaling aan eiseressen van het door hen betaalde griffierecht van € 385,- en proceskosten van € 3.667,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E.C. Garcea, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026
griffier
Rechter
(de griffier is verhinderd te ondertekenen)
Een kopie van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Omgevingswet
Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
een omgevingsplanactiviteit,
een rijksmonumentenactiviteit,
een ontgrondingsactiviteit,
een stortingsactiviteit op zee,
en Natura 2000-activiteit,
een jachtgeweeractiviteit,
een valkeniersactiviteit,
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Omgevingsplan (tijdelijke deel: beheersverordening Buitengebied de Wolden 2023)
Artikel 19 Recreatie - 2
19.1
Bestemmingsomschrijving
De op voor 'Recreatie - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
recreatieverblijven;
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'voorzieningengebouwen' voorzieningen ten dienste van de verblijfsrecreatie, waaronder:
sanitaire voorzieningen;
etailhandel;
dienstverlening;
sportvoorzieningen en recreatieve voorzieningen;
horeca in de vorm van kantines en/of restaurants;
wonen ten behoeve van het bedrijf;
groepsaccommodaties, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'groepsaccommodatie';
met dien verstande dat:
een strook van 10 m vanaf de bestemmingsgrens uitsluitend is bestemd voor groenvoorzieningen (opgaande beplanting bestaande uit inheemse struiken, heesters, bomen, geen gras);
met daaraan ondergeschikt
dagrecreatieve voorzieningen;
parkeervoorzieningen;
met de daarbij behorende:
tuinen, erven en terreinen;
groenvoorzieningen en bebossing;
wegen en paden;
water;
gebouwen ten behoeve van de verblijfsrecreatie;
aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning;
bijgebouwen bij recreatieverblijven;
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
19.5
Specifieke gebruiksregels
Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:
het gebruik van bouwwerken, uitgezonderd de bedrijfswoningen, voor permanente bewoning;
het gebruik van gronden voor nieuwe recreatiewoningen (anders dan verbouw van bestaande recreatiewoningen) anders dan met een centrale bedrijfsmatige exploitatie;
het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horecadoeleinden, zodanig dat de gezamenlijke horecavloeroppervlakte per bestemmingsvlak meer dan 300 m² bedraagt, tenzij de bestaande gezamenlijke horecavloeroppervlakte meer bedraagt in welk geval de gezamenlijke horecavloeroppervlakte per bestemmingsvlak niet meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte.
Dit moet zijn het omgevingsplan, zoals het college heeft gerectificeerd in een besluit van 27 februari 2025. Ter zitting is besproken dat het gaat om overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met het omgevingsplan en artikel 19.1 van de Beheersverordening buitengebied De Wolden 2023
Dit volgt uit artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet in samenhang met artikel 22.1 van de Ow.
Dit volgt uit artikel 19.1 van de Beheersverordening.
Dit volgt uit artikel 19.5 van de Beheersverordening.
Dit volgt uit artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.
Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067.
HR Drijfmest arrest, ECLI:NL:HR:2016:733.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067, r.o. 7.5.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2292.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2568.
ECLI:NL:RVS:2026:4270.
Het college heeft met het besluit van 8 april 2026 de begunstigingstermijn gewijzigd en verlengd tot uiterlijk 31 december 2026.
2024-00000954969
Eiseressen bedoelen vermoedelijk “Volkshuisvesting”.
Rechtsoverweging 9.7 van deze uitspraak.
Dit volgt uit artikel 5:32b, derde lid, van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:118, r.o. 5.2.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1234, r.o. 4.2.
Uitspraak van 8 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:471.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2621.
In de zin van artikel 8:72, derde lid, sub a, van de Awb.