Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3531
2026-08-04
Strafrecht; Strafprocesrecht
18-310872-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Schadevergoedingsrechter mag niet toetsen of er sprake is van wettig en overtuigend bewijs. Wel mag de gewezen verdachte de (indertijd bestaande) verdenking tegen worden geworpen en in het billijkheidsoordeel worden betrokken in hoeverre verzoeker de kosten aan zijn eigen gedrag – zoals dat blijkt uit het strafdossier – heeft te wijten. Met het oog op de onschuldpresumptie blijft deze toets echter marginaal en gelet hierop komt de rechtbank in deze zaak tot een toewijzing van het schadeverzoek.”
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.062 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 18-310872-24
raadkamernummer : 26-002655 en 26-002656
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoekster.
Advocaat: mr. E. Albayrak, advocaat te Heerenveen.
Procesverloop
Het Openbaar Ministerie heeft op 16 december 2024 de onderhavige strafzaak - op grond van het feit dat er sprake is van inmiddels gewijzigde omstandigheden voorwaardelijk geseponeerd met een proeftijd van
één jaar. De proeftijd is gaan lopen op 8 januari 2025 en geëindigd op 8 januari 2026.
Op 28 januari 2026 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
schade geleden als gevolg van ondergane inverzekeringstelling tot een bedrag van 480,-
de kosten voor het opstellen en in het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 420,-, eventueel te vermeerderen in het geval van een zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 27 februari 2026, de reactie van de advocaat van 26 maart 2026, de reactie van de officier van justitie van 27 maart 2026 en de aanvulling van de advocaat van 22 mei 2026.
De rechtbank heeft met toestemming van de advocaat en de officier van justitie besloten tot een schriftelijke afdoening van het verzoekschrift.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Ingevolge het bepaalde in artikel 534 Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Het gaat daarbij om de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking voor rekening van verzoeker dienen te worden gelaten dan wel dat deze geheel of gedeeltelijk door de Staat moeten worden gedragen.
Ten aanzien van dat billijkheidsoordeel stelt de rechtbank voorop dat de oordeelsvrijheid van de rechtbank om een verzoek tot vergoeding van schade (deels) af te wijzen op gronden van billijkheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Met het oog op de onschuldpresumptie dient de schadevergoedingsrechter zich te allen tijde zowel in het geval van een vrijspraak als in het geval van een sepot en dus ook een beleidssepot te onthouden van een zelfstandig oordeel dat erop neerkomt dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Wel kan de schadevergoedingsrechter de gewezen verdachte de (indertijd bestaande) verdenking tegenwerpen en in het billijkheidsoordeel betrekken in hoeverre verzoeker de kosten aan zijn eigen gedrag zoals dat blijkt uit het strafdossier heeft te wijten. Met het oog op de onschuldpresumptie blijft deze toets echter marginaal. Het criterium kan en mag dus in ieder geval niet zijn zoals het Openbaar Ministerie in haar standpunt aanhaalt of er sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
In het onderhavige geval werd verzoekster verdacht van het voorhanden hebben van harddrugs. Uit het dossier blijkt kort samengevat dat verzoekster als bijrijder werd aangetroffen in een auto van waaruit drugs werd verkocht. Verzoekster heeft verklaard dat zij inderdaad bij iemand in de auto heeft gezeten die onderweg een aantal drugsdeals had, maar dat zij er zelf niks mee te maken had en dat de aangetroffen drugs niet van haar maar van de bestuurder waren. Ze erkent dat het dom was om bij hem in de auto te blijven zitten, maar ontkent uitdrukkelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd. Uit het proces-verbaal volgt voorts dat de bestuurder bij de politie bekend staat als drugsdealer, maar dat verzoekster zowel door
de politie als door gebruikers die als getuigen zijn gehoord niet eerder samen met deze bestuurder is gezien.
Met het oog op hetgeen hiervoor is genoemd ten aanzien van de onschuldpresumptie, de daaruit voortvloeiende marginale toets waar de rechtbank aan is gebonden met betrekking tot de schuld van verzoekster en de omstandigheid dat de schuld van verzoekster uitdrukkelijk is weersproken, is de rechtbank van oordeel dat verzoekster het voordeel van de twijfel verdient. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen.
Beslissing
De rechtbank kent aan verzoekster ten laste van de Staat een vergoeding toe van 900,-.
Deze beslissing is gegeven door mr. J. de Vroome, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers-Peters, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van 900,- (zegge: negenhonderdeuro), over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Terpstra Albayrak Strafrechtadvocaten, onder vermelding van [dossiernummer] .
Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 18-310872-24
raadkamernummer : 26-002655 en 26-002656
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoekster.
Advocaat: mr. E. Albayrak, advocaat te Heerenveen.
Procesverloop
Het Openbaar Ministerie heeft op 16 december 2024 de onderhavige strafzaak - op grond van het feit dat er sprake is van inmiddels gewijzigde omstandigheden voorwaardelijk geseponeerd met een proeftijd van
één jaar. De proeftijd is gaan lopen op 8 januari 2025 en geëindigd op 8 januari 2026.
Op 28 januari 2026 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
schade geleden als gevolg van ondergane inverzekeringstelling tot een bedrag van 480,-
de kosten voor het opstellen en in het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 420,-, eventueel te vermeerderen in het geval van een zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 27 februari 2026, de reactie van de advocaat van 26 maart 2026, de reactie van de officier van justitie van 27 maart 2026 en de aanvulling van de advocaat van 22 mei 2026.
De rechtbank heeft met toestemming van de advocaat en de officier van justitie besloten tot een schriftelijke afdoening van het verzoekschrift.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Ingevolge het bepaalde in artikel 534 Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Het gaat daarbij om de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking voor rekening van verzoeker dienen te worden gelaten dan wel dat deze geheel of gedeeltelijk door de Staat moeten worden gedragen.
Ten aanzien van dat billijkheidsoordeel stelt de rechtbank voorop dat de oordeelsvrijheid van de rechtbank om een verzoek tot vergoeding van schade (deels) af te wijzen op gronden van billijkheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Met het oog op de onschuldpresumptie dient de schadevergoedingsrechter zich te allen tijde zowel in het geval van een vrijspraak als in het geval van een sepot en dus ook een beleidssepot te onthouden van een zelfstandig oordeel dat erop neerkomt dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Wel kan de schadevergoedingsrechter de gewezen verdachte de (indertijd bestaande) verdenking tegenwerpen en in het billijkheidsoordeel betrekken in hoeverre verzoeker de kosten aan zijn eigen gedrag zoals dat blijkt uit het strafdossier heeft te wijten. Met het oog op de onschuldpresumptie blijft deze toets echter marginaal. Het criterium kan en mag dus in ieder geval niet zijn zoals het Openbaar Ministerie in haar standpunt aanhaalt of er sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
In het onderhavige geval werd verzoekster verdacht van het voorhanden hebben van harddrugs. Uit het dossier blijkt kort samengevat dat verzoekster als bijrijder werd aangetroffen in een auto van waaruit drugs werd verkocht. Verzoekster heeft verklaard dat zij inderdaad bij iemand in de auto heeft gezeten die onderweg een aantal drugsdeals had, maar dat zij er zelf niks mee te maken had en dat de aangetroffen drugs niet van haar maar van de bestuurder waren. Ze erkent dat het dom was om bij hem in de auto te blijven zitten, maar ontkent uitdrukkelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd. Uit het proces-verbaal volgt voorts dat de bestuurder bij de politie bekend staat als drugsdealer, maar dat verzoekster zowel door
de politie als door gebruikers die als getuigen zijn gehoord niet eerder samen met deze bestuurder is gezien.
Met het oog op hetgeen hiervoor is genoemd ten aanzien van de onschuldpresumptie, de daaruit voortvloeiende marginale toets waar de rechtbank aan is gebonden met betrekking tot de schuld van verzoekster en de omstandigheid dat de schuld van verzoekster uitdrukkelijk is weersproken, is de rechtbank van oordeel dat verzoekster het voordeel van de twijfel verdient. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen.
Beslissing
De rechtbank kent aan verzoekster ten laste van de Staat een vergoeding toe van 900,-.
Deze beslissing is gegeven door mr. J. de Vroome, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers-Peters, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van 900,- (zegge: negenhonderdeuro), over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Terpstra Albayrak Strafrechtadvocaten, onder vermelding van [dossiernummer] .