Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3477
2026-07-14
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11792814 EL EXPL 25-6
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dexia, tussenpersoon, toewijzing schadebedrag
Citeert (16)
- ECLI:NL:HR:2016:2012 Hoge Raad 02-09-2016
- ECLI:NL:HR:2018:1935 Hoge Raad 12-10-2018
- ECLI:NL:RBNNE:2020:2219 Rechtbank Noord-Nederland 24-06-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:8984 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-11-2020
- ECLI:NL:GHARL:2022:5730 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-07-2022
- ECLI:NL:HR:2011:BP4003 Hoge Raad 29-04-2011
- ECLI:NL:HR:2015:1198 Hoge Raad 01-05-2015
- ECLI:NL:HR:2019:590 Hoge Raad 12-04-2019
- ECLI:NL:GHARL:2023:4177 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-05-2023
- ECLI:NL:GHARL:2025:684 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:686 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:687 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:688 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:689 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:379 Gerechtshof Amsterdam 11-02-2025
- ECLI:NL:HR:2023:882 Hoge Raad 09-06-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (33.796 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaak/rolnummer: 11792814 EL EXPL 25-6
Vonnis van 14 juli 2026
inzake
[eiser] en [eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, verwerende partij in het incident,
hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud [eisers] te noemen,
gemachtigde mr. G. van Dijk, werkzaam bij Leaseproces te Amsterdam (postbus 22990, 1100 DL),
tegen
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te (1082 LZ) Amsterdam, Parnassusweg 819,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, eisende partij in het incident,
hierna Dexia te noemen,
gemachtigde USG Legal Professionals B.V. te Amsterdam (Parnassusweg 819, 1082 LZ).
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties;
de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, en eis in het incident, met producties;
de conclusie van repliek, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie en antwoord in het incident, met producties;
de conclusie van dupliek, tevens houdende conclusie van repliek in reconventie en antwoord in het incident; met producties;
de conclusie van dupliek in reconventie, tevens houdende akte uitlaten producties in conventie, met producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald. De uitspraak daarvan is (nader) vastgesteld op heden.
2De feiten
2.1.
Dexia is rechtsopvolgster van Dexia Bank Nederland N.V., Bank Labouchere N.V. en Legio Lease B.V. Waar in het navolgende wordt gesproken over Dexia, wordt hieronder mede verstaan haar rechtsvoorgangsters.
2.2.
[eisers] heeft op 5 september 2000 twee effectenleaseovereenkomsten met Dexia gesloten (genaamd: Capital Effect), onder contractnummers [nummer 1] en [nummer 2] , met een leasesom van € 43.639,20 respectievelijk € 21.820,80 en elk een looptijd van 240 maanden (verder te noemen: de overeenkomsten).
2.3.
De overeenkomsten zijn tussentijds geëindigd en daarbij is een restschuld ontstaan van € 4.492,83. Deze restschuld heeft [eisers] betaald. Dexia heeft op enig moment twee/derde gedeelte, vermeerderd met wettelijke rente, aan [eisers] uitgekeerd.
2.4.
Nadien zijn namens [eisers] meerdere stuitingsbrieven aan Dexia verzonden.
2.5.
Vanaf omstreeks medio 2002 zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde "Dexia Aanbod" en door de zogenaamde "Duisenberg regeling" heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen. Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de "Duisenberg regeling" verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [eisers] heeft door middel van een zogenaamde "opt-out-verklaring" aangegeven niet aan die regeling gebonden te willen zijn.
2.6.
De gemachtigde van [eisers] heeft Dexia hierna bij brief gesommeerd over te gaan tot terugbetaling van alle door [eisers] betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Aan deze sommatie is niet voldaan.
2.7.
Op 9 april 2025 heeft Dexia een bedrag van € 10.971,93 aan [eisers] uitbetaald.
3De vordering in conventie
3.1.
[eisers] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eisers] , op de in de dagvaarding genoemde gronden;
voor recht te verklaren dat [eisers] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eisers] te vergoeden;
Dexia te veroordelen tot betaling aan [eisers] , al hetgeen [eisers] aan Dexia heeft betaald onder de litigieuze overeenkomsten, te vermeerderen met wettelijke rente, telkens vanaf de dag der door [eisers] gedane betalingen althans vanaf de door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening, te voldoen binnen drie weken na betekening van dit vonnis;
Dexia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eisers] conform rapport Voorwerk II, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;
Dexia te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten.
3.2.
Dexia voert verweer.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De vordering in reconventie
4.1.
Dexia vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten:
voor recht te verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [nummer 2] en [nummer 1] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eisers] verschuldigd is;
[eisers] ex artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eisers] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke documenten waar die stellingen aan ontleend zijn;
[eisers] te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
[eisers] voert verweer.
5De beoordeling in het incident
5.1.
Dexia heeft - zonder daarvan melding te maken in de benaming van haar conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, reden waarom deze vordering ten tijde van het indienen van deze conclusie over het hoofd is gezien - een voorwaardelijke incidentele vordering ingediend ex artikel 195 Rv, voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat Dexia de stellingen van [eisers] niet voldoende concreet heeft betwist. In dat geval verzoekt Dexia de kantonrechter om [eisers] te veroordelen om een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eisers] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke documenten waar die stellingen aan ontleend zijn.
5.2.
De kantonrechter is van oordeel dat het niet mogelijk is om het instellen van een incidentele vordering afhankelijk te stellen van een inhoudelijk oordeel van de rechter. Een kwestie in incident dient van procedurele aard te zijn en kan niet een enkele materiële (voor)vraag behelzen (T&C Rv, Boek I, Titel 2, Afd. 10, inleidende opmerkingen, onder 2). Dexia heeft haar incidentele vordering afhankelijk gesteld van het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van de stelplicht en bewijslast ter beoordeling van een van die vorderingen. Het is aan Dexia om de stellingen van [eisers] voldoende concreet te betwisten. Doet zij dit niet, dan wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Als zij van mening is dat zij voor een gemotiveerde betwisting de beschikking dient te krijgen over bepaalde bescheiden dan had zij daartoe direct een vordering ex artikel 195 Rv moeten indienen. Dat kan niet meer als de kantonrechter daarover al een oordeel heeft gegeven. Dat zou er immers op neerkomen dat Dexia wenst dat de kantonrechter – na een incidentele procedure – op een dergelijk oordeel terugkomt. Daar is een incidentele procedure niet voor bedoeld. De kantonrechter zal Dexia niet-ontvankelijk verklaren in het incident. Om die reden zal Dexia ook worden veroordeeld in de proceskosten in het incident. De proceskosten in het incident aan de zijde van [eisers] worden begroot op € 217,00 voor salaris gemachtigde (1 punt x tarief € 217,00).
6Het geschil in conventie en de beoordeling daarvan
6.1.
Tussen partijen is in de kern genomen in geschil of Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door in strijd te handelen met artikel 41 van de toenmalige Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999). Ten aanzien van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de kantonrechter als volgt.
tussenpersoon
6.2.
[eisers] voert, verkort weergegeven, aan dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren via Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland (hierna: Spaar-Adviescentrum), terwijl Spaar-Adviescentrum als cliëntenremisier zonder vergunning ex artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) niet was toegestaan om [eisers] te adviseren om effectenleaseovereenkomsten met Dexia aan te gaan en Dexia dit wist, althans dit behoorde te weten. Dexia heeft dit betwist.
6.3.
De kantonrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. In 2016 heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 september 2016 (Beckers/Dexia, ECLI:NL:HR:2016:2012) onder meer geoordeeld, samengevat weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Indien de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt, maar ook jegens de afnemer als financieel adviseur is opgetreden en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, schendt Dexia niet alleen haar zorgplicht, maar handelt zij ook in strijd met artikel 41 NR 1999. Dit levert volgens de Hoge Raad een (extra) onrechtmatigheidsgrond op, die Dexia zwaar wordt aangerekend. Dit komt doordat een cliënt die is geadviseerd door een dienstverlener (beleggingsadviseur) minder snel bedacht hoeft te zijn op en zich minder snel uit eigen beweging hoeft te verdiepen in niet vermelde risico's dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct. De Hoge Raad oordeelt daarnaast dat niet hoeft te worden aangetoond dat Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier niet over een vergunning beschikte toen zij ten opzichte van de belegger mede als beleggingsadviseur optrad. Dexia moet als professionele effecteninstelling (geacht worden te) weten dat een cliëntenremisier die tevens adviseert, de grenzen van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 overschrijdt. Daarom lag het ook op haar weg om, als zij wist of behoorde te weten dat Spaar-Adviescentrum mede in de hoedanigheid van beleggingsadviseur was opgetreden, te onderzoeken of Spaar-Adviescentrum over de daartoe benodigde vergunning beschikte. Indien daarvan geen sprake was had Dexia moeten weigeren met de particuliere belegger te contracteren. In zijn arresten van 12 oktober 2018 (Timmermans/Dexia, ECLI:NL:HR:2018:1935) en van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022: 862) bevestigt de Hoge Raad het voorgaande nogmaals uitdrukkelijk.
6.4.
In voornoemd arrest van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat de reikwijdte van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 als volgt dient te worden bepaald:
een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product aanbeveelt;
het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet;
geen vergunning behoeft de tussenpersoon voor het verstrekken van algemene informatie over wat effectenleaseovereenkomsten zijn, en evenmin voor het verstrekken van algemeen advies (waarbij in algemene zin wordt aangeraden een, verder op geen enkele wijze nader bepaalde, effectenleaseovereenkomst te sluiten);
uit de enkele omstandigheid dat een tussenpersoon met de afnemer een aanvraagformulier invult, waarbij in voorkomende gevallen een fondskeuze aangekruist wordt, en dit opstuurt, volgt niet dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.
6.5.
Voor de beoordeling of de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst heeft gedaan, kunnen volgens de Hoge Raad de volgende omstandigheden van belang zijn:
de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet, naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product, zoals een hypothecaire lening, heeft geadviseerd.
6.6.
In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, ook indien voornoemde omstandigheden niet worden vastgesteld, de mogelijkheid bestaat dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als hiervoor genoemd, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.
6.7.
Met inachtneming van het vorenstaande overweegt de kantonrechter als volgt. Niet in geschil is dat Spaar-Adviescentrum is opgetreden als effectenbemiddelaar. Een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling wordt ook cliëntenremisier genoemd. Cliëntenremisiers zoals Spaar-Adviescentrum waren uit hoofde van artikel 12 van de Vrijstellingsregeling Wte 1995 vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 7 lid 1 Wte 1995, om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling als Dexia. Op grond van artikel 21 lid 1 Wte 1995 moesten effectenbemiddelaars die van de vergunningplicht waren vrijgesteld, worden ingeschreven in het in dit artikel genoemde register. Voornoemde vrijstelling was slechts beperkt tot werkzaamheden als cliëntenremisier. De effecteninstelling die wist of behoorde te weten dat een cliëntenremisier een aangebrachte belegger vergunningplichtige diensten heeft verleend zonder over de noodzakelijke vergunning te beschikken en deze belegger niettemin als cliënt accepteert, handelt in strijd met artikel 41 NR 1999 en daarmee onrechtmatig jegens die belegger.
6.8.
De kantonrechter zal voor het antwoord op de vraag of sprake is van schending van artikel 41 NR 1999 dienen te beoordelen of Spaar-Adviescentrum haar vrijstelling te buiten is gegaan en vergunningplichtige diensten heeft verleend, alsmede of Dexia dit wist of behoorde te weten. Vast staat tussen partijen dat Spaar-Adviescentrum niet over een vergunning ex artikel 7 lid 1 Wte 1995 beschikte.
6.9.
[eisers] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[eisers] werd door Spaar-Adviescentrum ongevraagd telefonisch benaderd. De medewerker van Spaar-Adviescentrum stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eisers] door te nemen met een financieel adviseur van Spaar-Adviescentrum. [eisers] heeft hiermee ingestemd.
Tijdens het gesprek heeft de adviseur van Spaar-Adviescentrum, de heer [adviseur] (hierna te noemen: adviseur), geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eisers] Zo is met de adviseur gesproken over het inkomen, het spaargeld en de gezinssituatie van [eisers] Tevens is met de adviseur gesproken over de spaarrekening voor de dochter van [eisers] , die hij had geopend bij de geboorte van zijn dochter en waar hij sindsdien maandelijks een bedrag op stortte. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eisers] om vermogen op te bouwen voor de studie van hun dochter en haar verdere toekomstplannen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en adviseerde [eisers] om twee Capital Effect producten van Bank Labouchere af te sluiten, namelijk één Capital Effect overeenkomst met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 19.200,00 en één Capital Effect met maandelijkse termijnen van ongeveer NLG 200,00. De adviseur adviseerde om het totale bedrag van de spaarrekening van de dochter van [eisers] aan te wenden voor de vooruitbetaling. Voor de maandelijkse betalingen kon [eisers] het bedrag aan maandelijks inkomen aanwenden dat hij normaal gesproken maandelijks opzij zette op de spaarrekening van zijn dochter. Op deze manier zou [eisers] volgens de adviseur veel meer rendement behalen dan wanneer het geld op een spaarrekening zou blijven staan, en zou [eisers] een mooi bedrag opbouwen voor de studie en toekomst van zijn dochter.
De adviseur heeft [eisers] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [eisers] op deze risico’s gewezen was, had hij de Capital Effect overeenkomsten nooit afgesloten.
[eisers] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eisers] het advies van de adviseur opgevolgd. Conform het advies van de adviseur heeft [eisers] één Capital Effect overeenkomst met een vooruitbetaling van NLG 19.233,10 en één Capital Effect met maandelijkse termijnen van NLG 200,36 afgesloten. De aanvraag voor de Capital Effect overeenkomsten is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend.
6.10.
[eisers] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht: de aanvraagformulieren en de overeenkomsten.
aanhoudingsverzoek
6.11.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de - door haar zo genoemde - ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
6.12.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
6.13.
Dexia heeft tegen de bewuste overwegingen (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vaststellingsplicht rust, en
dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
6.14.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eisers] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eisers] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eisers] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eisers] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vaststellingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
6.15.
Dexia heeft voorts betwist dat zij wist of moest weten dat Spaar-Adviescentrum beleggingsadvies gaf, dat mede inhield een effectenleaseovereenkomst met Dexia te sluiten. De kantonrechter overweegt omtrent de wetenschap van Dexia als volgt.
6.16.
In vergelijkbare zaken bij deze rechtbank, waaronder een vonnis van 24 juni 2020 (rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ECLI:NL:RBNNE:2020:2219), alsmede in vergelijkbare zaken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waaronder de arresten van 3 november 2020 (bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2020:8984), is wetenschap bij Dexia aangenomen in zaken waarin onder meer Spaar Select en NBG Finance hebben geadviseerd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zijn oordeel bevestigd in een recent arrest van 5 juli 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:5730). De kantonrechter is van oordeel dat die overwegingen over de wetenschap van Dexia ook hier van toepassing zijn (zie onder meer rechtsoverwegingen 5.28 en 5.29 van het vonnis van 24 juni 2020). Weliswaar betreft het hier een andere adviseur, te weten Spaar-Adviescentrum, maar de kantonrechter ziet gelet op de door [eisers] geschetste en door Dexia onvoldoende weersproken werkwijze van Spaar-Adviescentrum geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. Hetgeen Dexia in deze procedure overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat Dexia wist en in ieder geval had behoren te weten dat er vergunningplichtig advies werd gegeven.
aansprakelijkheid Dexia
6.17.
Omdat Dexia ondanks het voorgaande toch met [eisers] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eisers] onrechtmatig gehandeld. De onder a. en b. gevorderde verklaringen voor recht acht de kantonrechter daarom toewijsbaar. Omdat de aansprakelijkheid van Dexia met het voorgaande al is vastgesteld, kan de stelling van [eisers] dat Dexia haar precontractuele zorgplichten heeft geschonden door [eisers] niet in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen voor het risico van een restschuld en door geen onderzoek te doen naar de inkomens- en vermogenspositie van [eisers] als particuliere belegger, verder onbesproken blijven.
schade
6.18.
[eisers] stelt, verkort weergegeven, dat Dexia gehouden is om de gehele schade van [eisers] te vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente. Door het handelen van Dexia heeft [eisers] effectenleaseovereenkomsten afgesloten die bij een juist handelen van Dexia niet waren afgesloten. De schade die [eisers] daardoor heeft geleden bestaat volgens [eisers] uit (a) de inleg in de overeenkomsten en (b) de restschuld na afloop van de overeenkomsten. [eisers] vordert vergoeding van deze schadeposten en stelt dat het causaal verband voor wat betreft deze schadeposten gegeven is. Wel mag het eventueel ontvangen dividend in mindering worden gebracht op de geleden schade.
6.19.
Volgens Dexia dient, samengevat weergegeven, in het kader van de schadeverdeling rekening te worden gehouden met de eigen schuld van [eisers] Aan beleggen zijn risico's verbonden. Artikel 41 NR 1999 strekt er niet toe om beleggers te beschermen tegen bewust aanvaarde risico's. Bij het vaststellen van de voor vergoeding in aanmerking komende schade dient, op basis van de artikelen 6:95-97 BW en 6:100 BW, naast dividend en batig saldo, eveneens rekening te worden gehouden met het fiscale voordeel dat [eisers] heeft genoten. Volgens Dexia bedraagt het fiscale voordeel dat [eisers] heeft genoten € 1.187,57. Daarnaast dient het bedrag van € 3.959,28 dat Dexia aan [eisers] heeft gerestitueerd op de vordering van [eisers] in mindering te worden gebracht.
6.20.
De kantonrechter overweegt, in navolging van het vonnis van deze rechtbank van 24 juni 2020, dat het door Dexia gedane beroep op eigen schuld van [eisers] Dexia in dit geval niet kan baten. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer voornoemde arresten Beckers/Dexia en Timmermans/Dexia) eist de billijkheid in beginsel - in geval van schending van artikel 41 NR 1999 - dat bij de verdeling van de schade over de benadeelde particuliere belegger en Dexia op de voet van artikel 6:101 BW, de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last (zie HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003) voor de afnemer vormden.
6.21.
Dit betekent dat Dexia in het onderhavige geval gehouden is om de gevorderde inleg in de effectenleaseovereenkomsten en de restschuld van [eisers] te vergoeden. Partijen zijn het erover eens dat eventueel ontvangen dividend in mindering mag worden gebracht op de geleden schade. Ook zijn partijen het erover eens dat [eisers] een fiscaal voordeel van € 1.187,56 genoten. Voorts heeft [eisers] niet betwist dat het aan hem gerestitueerde bedrag van € 3.959,28 op de vordering in mindering moet worden gebracht. [eisers] heeft bij repliek aangevoerd dat dit leidt tot een schadebedrag van € 11.983,67. Dexia heeft dit bedrag bij dupliek betwist, omdat [eisers] het bedrag van € 10.971,93 dat op 9 april 2025 aan hem is uitbetaald niet heeft meegenomen in zijn berekening. Volgens Dexia bestond dit bedrag voor € 6.196,46 uit rente en strekt daarom nog een bedrag van € 4.775,47 in mindering op de schade van [eisers] Met [eisers] is de kantonrechter van oordeel dat, nu Dexia de berekening van het bedrag van € 10.971,93 niet heeft onderbouwd, niet van de juistheid van het door haar opgevoerde bedrag aan wettelijke rente kan worden uitgegaan en dat het bedrag van € 10.971,93 in mindering strekt op het schadebedrag van € 11.983,67 vermeerderd met wettelijke rente.
6.22.
De door [eisers] gevorderde wettelijke rente over de geleden schade, telkens vanaf de dag dat [eisers] aan Dexia heeft betaald, acht de kantonrechter toewijsbaar (zie het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198).
6.23.
De kantonrechter zal daarom het bedrag van € 11.983,67, vermeerderd met de wettelijke rente toewijzen, waarop in mindering strekt het bedrag van € 10.971,93.
buitengerechtelijke kosten
6.24.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
proceskosten
6.25.
Dexia zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden vastgesteld op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 434,00 (2 punten x tarief € 217,00)
- nakosten € 100,00
totaal € 768,47
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
7De beoordeling in reconventie
7.1.
De in conventie toegewezen vergoeding van schade staat in de weg aan de gevorderde verklaring voor recht dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [eisers] De vordering in reconventie zal daarom worden afgewezen.
7.2.
Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden vastgesteld op € 434,00 aan salaris gemachtigde (2 punten × € 217,00).
8De beslissing
De kantonrechter
in het incident
8.1.
verklaart Dexia niet-ontvankelijk;
8.2.
veroordeelt Dexia in de kosten van het incident aan de zijde van [eisers] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 217,00;
in conventie
8.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld;
8.4.
verklaart voor recht dat [eisers] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eisers] te vergoeden;
8.5.
veroordeelt Dexia tot betaling van de door [eisers] geleden schade ter hoogte van € 11.938,67, te vermeerderen met wettelijke rente, telkens vanaf de dag der door [eisers] gedane betalingen tot aan de dag van volledige betaling, waarop in mindering strekt € 10.971,93 en het resterende bedrag te voldoen binnen drie weken na betekening van dit vonnis;
8.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden vastgesteld op € 768,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Dexia niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
8.7.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
8.8.
verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de veroordelingen in 8.5, 8.6 en 8.7;
8.9.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
8.10.
wijst de vordering af;
8.11.
veroordeelt Dexia in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden vastgesteld op € 434,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Bootsma, kantonrechter, en op 14 juli 2026 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.
typ: 692/wj
Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaak/rolnummer: 11792814 EL EXPL 25-6
Vonnis van 14 juli 2026
inzake
[eiser] en [eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, verwerende partij in het incident,
hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud [eisers] te noemen,
gemachtigde mr. G. van Dijk, werkzaam bij Leaseproces te Amsterdam (postbus 22990, 1100 DL),
tegen
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te (1082 LZ) Amsterdam, Parnassusweg 819,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, eisende partij in het incident,
hierna Dexia te noemen,
gemachtigde USG Legal Professionals B.V. te Amsterdam (Parnassusweg 819, 1082 LZ).
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties;
de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, en eis in het incident, met producties;
de conclusie van repliek, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie en antwoord in het incident, met producties;
de conclusie van dupliek, tevens houdende conclusie van repliek in reconventie en antwoord in het incident; met producties;
de conclusie van dupliek in reconventie, tevens houdende akte uitlaten producties in conventie, met producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald. De uitspraak daarvan is (nader) vastgesteld op heden.
2De feiten
2.1.
Dexia is rechtsopvolgster van Dexia Bank Nederland N.V., Bank Labouchere N.V. en Legio Lease B.V. Waar in het navolgende wordt gesproken over Dexia, wordt hieronder mede verstaan haar rechtsvoorgangsters.
2.2.
[eisers] heeft op 5 september 2000 twee effectenleaseovereenkomsten met Dexia gesloten (genaamd: Capital Effect), onder contractnummers [nummer 1] en [nummer 2] , met een leasesom van € 43.639,20 respectievelijk € 21.820,80 en elk een looptijd van 240 maanden (verder te noemen: de overeenkomsten).
2.3.
De overeenkomsten zijn tussentijds geëindigd en daarbij is een restschuld ontstaan van € 4.492,83. Deze restschuld heeft [eisers] betaald. Dexia heeft op enig moment twee/derde gedeelte, vermeerderd met wettelijke rente, aan [eisers] uitgekeerd.
2.4.
Nadien zijn namens [eisers] meerdere stuitingsbrieven aan Dexia verzonden.
2.5.
Vanaf omstreeks medio 2002 zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde "Dexia Aanbod" en door de zogenaamde "Duisenberg regeling" heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen. Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de "Duisenberg regeling" verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [eisers] heeft door middel van een zogenaamde "opt-out-verklaring" aangegeven niet aan die regeling gebonden te willen zijn.
2.6.
De gemachtigde van [eisers] heeft Dexia hierna bij brief gesommeerd over te gaan tot terugbetaling van alle door [eisers] betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Aan deze sommatie is niet voldaan.
2.7.
Op 9 april 2025 heeft Dexia een bedrag van € 10.971,93 aan [eisers] uitbetaald.
3De vordering in conventie
3.1.
[eisers] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eisers] , op de in de dagvaarding genoemde gronden;
voor recht te verklaren dat [eisers] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eisers] te vergoeden;
Dexia te veroordelen tot betaling aan [eisers] , al hetgeen [eisers] aan Dexia heeft betaald onder de litigieuze overeenkomsten, te vermeerderen met wettelijke rente, telkens vanaf de dag der door [eisers] gedane betalingen althans vanaf de door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening, te voldoen binnen drie weken na betekening van dit vonnis;
Dexia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eisers] conform rapport Voorwerk II, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;
Dexia te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten.
3.2.
Dexia voert verweer.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De vordering in reconventie
4.1.
Dexia vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten:
voor recht te verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [nummer 2] en [nummer 1] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eisers] verschuldigd is;
[eisers] ex artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eisers] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke documenten waar die stellingen aan ontleend zijn;
[eisers] te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
[eisers] voert verweer.
5De beoordeling in het incident
5.1.
Dexia heeft - zonder daarvan melding te maken in de benaming van haar conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, reden waarom deze vordering ten tijde van het indienen van deze conclusie over het hoofd is gezien - een voorwaardelijke incidentele vordering ingediend ex artikel 195 Rv, voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat Dexia de stellingen van [eisers] niet voldoende concreet heeft betwist. In dat geval verzoekt Dexia de kantonrechter om [eisers] te veroordelen om een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eisers] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke documenten waar die stellingen aan ontleend zijn.
5.2.
De kantonrechter is van oordeel dat het niet mogelijk is om het instellen van een incidentele vordering afhankelijk te stellen van een inhoudelijk oordeel van de rechter. Een kwestie in incident dient van procedurele aard te zijn en kan niet een enkele materiële (voor)vraag behelzen (T&C Rv, Boek I, Titel 2, Afd. 10, inleidende opmerkingen, onder 2). Dexia heeft haar incidentele vordering afhankelijk gesteld van het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van de stelplicht en bewijslast ter beoordeling van een van die vorderingen. Het is aan Dexia om de stellingen van [eisers] voldoende concreet te betwisten. Doet zij dit niet, dan wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Als zij van mening is dat zij voor een gemotiveerde betwisting de beschikking dient te krijgen over bepaalde bescheiden dan had zij daartoe direct een vordering ex artikel 195 Rv moeten indienen. Dat kan niet meer als de kantonrechter daarover al een oordeel heeft gegeven. Dat zou er immers op neerkomen dat Dexia wenst dat de kantonrechter – na een incidentele procedure – op een dergelijk oordeel terugkomt. Daar is een incidentele procedure niet voor bedoeld. De kantonrechter zal Dexia niet-ontvankelijk verklaren in het incident. Om die reden zal Dexia ook worden veroordeeld in de proceskosten in het incident. De proceskosten in het incident aan de zijde van [eisers] worden begroot op € 217,00 voor salaris gemachtigde (1 punt x tarief € 217,00).
6Het geschil in conventie en de beoordeling daarvan
6.1.
Tussen partijen is in de kern genomen in geschil of Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door in strijd te handelen met artikel 41 van de toenmalige Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999). Ten aanzien van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de kantonrechter als volgt.
tussenpersoon
6.2.
[eisers] voert, verkort weergegeven, aan dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren via Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland (hierna: Spaar-Adviescentrum), terwijl Spaar-Adviescentrum als cliëntenremisier zonder vergunning ex artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) niet was toegestaan om [eisers] te adviseren om effectenleaseovereenkomsten met Dexia aan te gaan en Dexia dit wist, althans dit behoorde te weten. Dexia heeft dit betwist.
6.3.
De kantonrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. In 2016 heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 september 2016 (Beckers/Dexia, ECLI:NL:HR:2016:2012) onder meer geoordeeld, samengevat weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Indien de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt, maar ook jegens de afnemer als financieel adviseur is opgetreden en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, schendt Dexia niet alleen haar zorgplicht, maar handelt zij ook in strijd met artikel 41 NR 1999. Dit levert volgens de Hoge Raad een (extra) onrechtmatigheidsgrond op, die Dexia zwaar wordt aangerekend. Dit komt doordat een cliënt die is geadviseerd door een dienstverlener (beleggingsadviseur) minder snel bedacht hoeft te zijn op en zich minder snel uit eigen beweging hoeft te verdiepen in niet vermelde risico's dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct. De Hoge Raad oordeelt daarnaast dat niet hoeft te worden aangetoond dat Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier niet over een vergunning beschikte toen zij ten opzichte van de belegger mede als beleggingsadviseur optrad. Dexia moet als professionele effecteninstelling (geacht worden te) weten dat een cliëntenremisier die tevens adviseert, de grenzen van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 overschrijdt. Daarom lag het ook op haar weg om, als zij wist of behoorde te weten dat Spaar-Adviescentrum mede in de hoedanigheid van beleggingsadviseur was opgetreden, te onderzoeken of Spaar-Adviescentrum over de daartoe benodigde vergunning beschikte. Indien daarvan geen sprake was had Dexia moeten weigeren met de particuliere belegger te contracteren. In zijn arresten van 12 oktober 2018 (Timmermans/Dexia, ECLI:NL:HR:2018:1935) en van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022: 862) bevestigt de Hoge Raad het voorgaande nogmaals uitdrukkelijk.
6.4.
In voornoemd arrest van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat de reikwijdte van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 als volgt dient te worden bepaald:
een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product aanbeveelt;
het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet;
geen vergunning behoeft de tussenpersoon voor het verstrekken van algemene informatie over wat effectenleaseovereenkomsten zijn, en evenmin voor het verstrekken van algemeen advies (waarbij in algemene zin wordt aangeraden een, verder op geen enkele wijze nader bepaalde, effectenleaseovereenkomst te sluiten);
uit de enkele omstandigheid dat een tussenpersoon met de afnemer een aanvraagformulier invult, waarbij in voorkomende gevallen een fondskeuze aangekruist wordt, en dit opstuurt, volgt niet dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.
6.5.
Voor de beoordeling of de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst heeft gedaan, kunnen volgens de Hoge Raad de volgende omstandigheden van belang zijn:
de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet, naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product, zoals een hypothecaire lening, heeft geadviseerd.
6.6.
In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, ook indien voornoemde omstandigheden niet worden vastgesteld, de mogelijkheid bestaat dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als hiervoor genoemd, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.
6.7.
Met inachtneming van het vorenstaande overweegt de kantonrechter als volgt. Niet in geschil is dat Spaar-Adviescentrum is opgetreden als effectenbemiddelaar. Een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling wordt ook cliëntenremisier genoemd. Cliëntenremisiers zoals Spaar-Adviescentrum waren uit hoofde van artikel 12 van de Vrijstellingsregeling Wte 1995 vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 7 lid 1 Wte 1995, om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling als Dexia. Op grond van artikel 21 lid 1 Wte 1995 moesten effectenbemiddelaars die van de vergunningplicht waren vrijgesteld, worden ingeschreven in het in dit artikel genoemde register. Voornoemde vrijstelling was slechts beperkt tot werkzaamheden als cliëntenremisier. De effecteninstelling die wist of behoorde te weten dat een cliëntenremisier een aangebrachte belegger vergunningplichtige diensten heeft verleend zonder over de noodzakelijke vergunning te beschikken en deze belegger niettemin als cliënt accepteert, handelt in strijd met artikel 41 NR 1999 en daarmee onrechtmatig jegens die belegger.
6.8.
De kantonrechter zal voor het antwoord op de vraag of sprake is van schending van artikel 41 NR 1999 dienen te beoordelen of Spaar-Adviescentrum haar vrijstelling te buiten is gegaan en vergunningplichtige diensten heeft verleend, alsmede of Dexia dit wist of behoorde te weten. Vast staat tussen partijen dat Spaar-Adviescentrum niet over een vergunning ex artikel 7 lid 1 Wte 1995 beschikte.
6.9.
[eisers] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[eisers] werd door Spaar-Adviescentrum ongevraagd telefonisch benaderd. De medewerker van Spaar-Adviescentrum stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eisers] door te nemen met een financieel adviseur van Spaar-Adviescentrum. [eisers] heeft hiermee ingestemd.
Tijdens het gesprek heeft de adviseur van Spaar-Adviescentrum, de heer [adviseur] (hierna te noemen: adviseur), geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eisers] Zo is met de adviseur gesproken over het inkomen, het spaargeld en de gezinssituatie van [eisers] Tevens is met de adviseur gesproken over de spaarrekening voor de dochter van [eisers] , die hij had geopend bij de geboorte van zijn dochter en waar hij sindsdien maandelijks een bedrag op stortte. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eisers] om vermogen op te bouwen voor de studie van hun dochter en haar verdere toekomstplannen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en adviseerde [eisers] om twee Capital Effect producten van Bank Labouchere af te sluiten, namelijk één Capital Effect overeenkomst met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 19.200,00 en één Capital Effect met maandelijkse termijnen van ongeveer NLG 200,00. De adviseur adviseerde om het totale bedrag van de spaarrekening van de dochter van [eisers] aan te wenden voor de vooruitbetaling. Voor de maandelijkse betalingen kon [eisers] het bedrag aan maandelijks inkomen aanwenden dat hij normaal gesproken maandelijks opzij zette op de spaarrekening van zijn dochter. Op deze manier zou [eisers] volgens de adviseur veel meer rendement behalen dan wanneer het geld op een spaarrekening zou blijven staan, en zou [eisers] een mooi bedrag opbouwen voor de studie en toekomst van zijn dochter.
De adviseur heeft [eisers] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [eisers] op deze risico’s gewezen was, had hij de Capital Effect overeenkomsten nooit afgesloten.
[eisers] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eisers] het advies van de adviseur opgevolgd. Conform het advies van de adviseur heeft [eisers] één Capital Effect overeenkomst met een vooruitbetaling van NLG 19.233,10 en één Capital Effect met maandelijkse termijnen van NLG 200,36 afgesloten. De aanvraag voor de Capital Effect overeenkomsten is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend.
6.10.
[eisers] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht: de aanvraagformulieren en de overeenkomsten.
aanhoudingsverzoek
6.11.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de - door haar zo genoemde - ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
6.12.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
6.13.
Dexia heeft tegen de bewuste overwegingen (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vaststellingsplicht rust, en
dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
6.14.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eisers] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eisers] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eisers] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eisers] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vaststellingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
6.15.
Dexia heeft voorts betwist dat zij wist of moest weten dat Spaar-Adviescentrum beleggingsadvies gaf, dat mede inhield een effectenleaseovereenkomst met Dexia te sluiten. De kantonrechter overweegt omtrent de wetenschap van Dexia als volgt.
6.16.
In vergelijkbare zaken bij deze rechtbank, waaronder een vonnis van 24 juni 2020 (rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ECLI:NL:RBNNE:2020:2219), alsmede in vergelijkbare zaken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waaronder de arresten van 3 november 2020 (bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2020:8984), is wetenschap bij Dexia aangenomen in zaken waarin onder meer Spaar Select en NBG Finance hebben geadviseerd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zijn oordeel bevestigd in een recent arrest van 5 juli 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:5730). De kantonrechter is van oordeel dat die overwegingen over de wetenschap van Dexia ook hier van toepassing zijn (zie onder meer rechtsoverwegingen 5.28 en 5.29 van het vonnis van 24 juni 2020). Weliswaar betreft het hier een andere adviseur, te weten Spaar-Adviescentrum, maar de kantonrechter ziet gelet op de door [eisers] geschetste en door Dexia onvoldoende weersproken werkwijze van Spaar-Adviescentrum geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. Hetgeen Dexia in deze procedure overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat Dexia wist en in ieder geval had behoren te weten dat er vergunningplichtig advies werd gegeven.
aansprakelijkheid Dexia
6.17.
Omdat Dexia ondanks het voorgaande toch met [eisers] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eisers] onrechtmatig gehandeld. De onder a. en b. gevorderde verklaringen voor recht acht de kantonrechter daarom toewijsbaar. Omdat de aansprakelijkheid van Dexia met het voorgaande al is vastgesteld, kan de stelling van [eisers] dat Dexia haar precontractuele zorgplichten heeft geschonden door [eisers] niet in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen voor het risico van een restschuld en door geen onderzoek te doen naar de inkomens- en vermogenspositie van [eisers] als particuliere belegger, verder onbesproken blijven.
schade
6.18.
[eisers] stelt, verkort weergegeven, dat Dexia gehouden is om de gehele schade van [eisers] te vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente. Door het handelen van Dexia heeft [eisers] effectenleaseovereenkomsten afgesloten die bij een juist handelen van Dexia niet waren afgesloten. De schade die [eisers] daardoor heeft geleden bestaat volgens [eisers] uit (a) de inleg in de overeenkomsten en (b) de restschuld na afloop van de overeenkomsten. [eisers] vordert vergoeding van deze schadeposten en stelt dat het causaal verband voor wat betreft deze schadeposten gegeven is. Wel mag het eventueel ontvangen dividend in mindering worden gebracht op de geleden schade.
6.19.
Volgens Dexia dient, samengevat weergegeven, in het kader van de schadeverdeling rekening te worden gehouden met de eigen schuld van [eisers] Aan beleggen zijn risico's verbonden. Artikel 41 NR 1999 strekt er niet toe om beleggers te beschermen tegen bewust aanvaarde risico's. Bij het vaststellen van de voor vergoeding in aanmerking komende schade dient, op basis van de artikelen 6:95-97 BW en 6:100 BW, naast dividend en batig saldo, eveneens rekening te worden gehouden met het fiscale voordeel dat [eisers] heeft genoten. Volgens Dexia bedraagt het fiscale voordeel dat [eisers] heeft genoten € 1.187,57. Daarnaast dient het bedrag van € 3.959,28 dat Dexia aan [eisers] heeft gerestitueerd op de vordering van [eisers] in mindering te worden gebracht.
6.20.
De kantonrechter overweegt, in navolging van het vonnis van deze rechtbank van 24 juni 2020, dat het door Dexia gedane beroep op eigen schuld van [eisers] Dexia in dit geval niet kan baten. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer voornoemde arresten Beckers/Dexia en Timmermans/Dexia) eist de billijkheid in beginsel - in geval van schending van artikel 41 NR 1999 - dat bij de verdeling van de schade over de benadeelde particuliere belegger en Dexia op de voet van artikel 6:101 BW, de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last (zie HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003) voor de afnemer vormden.
6.21.
Dit betekent dat Dexia in het onderhavige geval gehouden is om de gevorderde inleg in de effectenleaseovereenkomsten en de restschuld van [eisers] te vergoeden. Partijen zijn het erover eens dat eventueel ontvangen dividend in mindering mag worden gebracht op de geleden schade. Ook zijn partijen het erover eens dat [eisers] een fiscaal voordeel van € 1.187,56 genoten. Voorts heeft [eisers] niet betwist dat het aan hem gerestitueerde bedrag van € 3.959,28 op de vordering in mindering moet worden gebracht. [eisers] heeft bij repliek aangevoerd dat dit leidt tot een schadebedrag van € 11.983,67. Dexia heeft dit bedrag bij dupliek betwist, omdat [eisers] het bedrag van € 10.971,93 dat op 9 april 2025 aan hem is uitbetaald niet heeft meegenomen in zijn berekening. Volgens Dexia bestond dit bedrag voor € 6.196,46 uit rente en strekt daarom nog een bedrag van € 4.775,47 in mindering op de schade van [eisers] Met [eisers] is de kantonrechter van oordeel dat, nu Dexia de berekening van het bedrag van € 10.971,93 niet heeft onderbouwd, niet van de juistheid van het door haar opgevoerde bedrag aan wettelijke rente kan worden uitgegaan en dat het bedrag van € 10.971,93 in mindering strekt op het schadebedrag van € 11.983,67 vermeerderd met wettelijke rente.
6.22.
De door [eisers] gevorderde wettelijke rente over de geleden schade, telkens vanaf de dag dat [eisers] aan Dexia heeft betaald, acht de kantonrechter toewijsbaar (zie het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198).
6.23.
De kantonrechter zal daarom het bedrag van € 11.983,67, vermeerderd met de wettelijke rente toewijzen, waarop in mindering strekt het bedrag van € 10.971,93.
buitengerechtelijke kosten
6.24.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
proceskosten
6.25.
Dexia zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden vastgesteld op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 434,00 (2 punten x tarief € 217,00)
- nakosten € 100,00
totaal € 768,47
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
7De beoordeling in reconventie
7.1.
De in conventie toegewezen vergoeding van schade staat in de weg aan de gevorderde verklaring voor recht dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [eisers] De vordering in reconventie zal daarom worden afgewezen.
7.2.
Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden vastgesteld op € 434,00 aan salaris gemachtigde (2 punten × € 217,00).
8De beslissing
De kantonrechter
in het incident
8.1.
verklaart Dexia niet-ontvankelijk;
8.2.
veroordeelt Dexia in de kosten van het incident aan de zijde van [eisers] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 217,00;
in conventie
8.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld;
8.4.
verklaart voor recht dat [eisers] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eisers] te vergoeden;
8.5.
veroordeelt Dexia tot betaling van de door [eisers] geleden schade ter hoogte van € 11.938,67, te vermeerderen met wettelijke rente, telkens vanaf de dag der door [eisers] gedane betalingen tot aan de dag van volledige betaling, waarop in mindering strekt € 10.971,93 en het resterende bedrag te voldoen binnen drie weken na betekening van dit vonnis;
8.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden vastgesteld op € 768,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Dexia niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
8.7.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
8.8.
verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de veroordelingen in 8.5, 8.6 en 8.7;
8.9.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
8.10.
wijst de vordering af;
8.11.
veroordeelt Dexia in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden vastgesteld op € 434,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Bootsma, kantonrechter, en op 14 juli 2026 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.
typ: 692/wj
Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.