Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3450
Inhoudsindicatie
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Daarbij gaat het om de aanvraag voor de kosten van kinderopvang. De rechtbank overweegt dat de kosten van deze voorziening alleen financieel kunnen worden gedragen met een inkomen op minimumniveau in het geval de betrokkene ook een kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst ontvangt. Voor een dergelijke toeslag komen alleen werkenden in aanmerking. Daarom kan niet worden gesproken van een voorziening die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is. Voor deze zaak betekent dit dat het college de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat kinderopvang is aan te merken als een algemeen gebruikelijke voorziening. Het beroep is gegrond. Het college moet een nieuw besluit nemen. (Opmerking: deze uitspraak is op 3 juli 2026 door de rechter gecorrigeerd in de zin dat in rechtsoverwegingen 7.1 en 7.2 'Uwv' is vervangen door 'college')
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2019:3535 Centrale Raad van Beroep 20-11-2019
- ECLI:NL:CRVB:2024:1362 Centrale Raad van Beroep 03-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.020 tekens)
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1835
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026 in de zaak tussen
[naam] uit [woonplaats] eiseres
(gemachtigde: mr. I.E. Mussche),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel
(gemachtigden C. Jongsma-Raap en M. Waal).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Daarbij gaat het om de aanvraag voor de kosten van kinderopvang. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat kinderopvang geen algemeen gebruikelijke voorziening is. Eiseres krijgt gelijk en beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met een besluit van 20 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres om een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang afgewezen.
2.1
Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift tegen het primaire besluit.
2.2
Met een besluit van 3 juni 2025 heeft het college het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft aangegeven dat het beroep zich ook richt tegen het besluit van 3 juni 2025 (het bestreden besluit).
2.3
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college. De partner van eiseres [partner] was tevens aanwezig bij de zitting. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst in verband met een nadere beoordeling door het college of er sprake was van de situatie dat eiseres de kosten van kinderopvang niet kon dragen. Voor die beoordeling heeft eiseres op 12 januari 2026 aanvullende stukken overgelegd. Op deze stukken heeft het college op 6 februari 2026 gereageerd. Eiseres heeft op 3 maart 2026 nog een reactie gegeven.
2.3
Partijen hebben toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om een behandeling van het beroep op een nadere zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Totstandkoming van het besluit
3. Eiseres is eind 2022 ernstig ziek geworden na een ziekenhuisopname in verband met een longaandoening. Tijdens het verblijf op de Intensive Care is bij haar het Post Intensive Care Syndroom opgetreden. Eiseres werkte in de periode van 1 februari 2023 tot en met 31 december 2023 niet. Eiseres heeft een Wmo-aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang.
3.1
Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen.
3.2
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorziening te treffen. Eiseres heeft beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift.
3.3
Met het bestreden besluit van heeft het college, conform het advies van de commissie bezwaarschriften, op het bezwaar beslist.
Het standpunt van het college
4. Het college vindt dat het geen maatwerkvoorziening hoeft te verstrekken. Volgens het college is kinderopvang een algemeen gebruikelijke voorziening. Er is sprake van gebruikelijke zorg voor de kinderen, welke binnen een gestructureerd huishouden valt en is op te lossen. De inzet van de partner van eiseres en kinderopvang maakt dat er geen compensatieplicht is vanuit de Wmo 2015.
Het standpunt van eiseres
5. Eiseres voert aan dat er in haar concrete geval geen sprake is van een algemene of algemeen gebruikelijke voorziening, omdat zij de kosten van de kinderopvang in de periode van 1 februari 2023 tot en met 31 december 2023 niet kon betalen. Zij kreeg in die periode geen kinderopvangtoeslag. Daarom is er geen sprake van een algemeen gebruikelijke voorziening die door iemand met een minimuminkomen betaald kan worden.
Beoordeling door de rechtbank
6. Ter zitting is vastgesteld dat de rechtbank geen uitspraak hoeft te doen over het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift.
De rechtbank dient in dit geding nog te beoordelen of het college terecht de aanvraag van eiseres om een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang heeft afgewezen. Het gaat in dit geding om de periode van 1 februari 2023 tot en met 31 december 2023. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres vanwege haar beperkingen is aangewezen op kinderopvang.
6.1
In artikel 2.3.5, derde lid van de Wmo 2015 is bepaald dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening (…) voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
6.2
De gemeenteraad van de gemeente Tytsjerksteradiel heeft voor het verstrekken van maatwerkvoorzieningen meer specifieke regels gesteld in de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2023, welke nader zijn uitgewerkt in de Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Tytsjerksteradiel 2023.
6.3
De Centrale Raad van Beroep heeft nader uiteengezet en gespecificeerd hoe in de Wmo 2015 invulling dient te worden gegeven aan het begrip algemeen gebruikelijk. De Centrale Raad van beroep heeft in een uitspraak van 20 november 2019 voor het eerst geoordeeld dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel onder de Wmo 2015 als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt als deze niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en deze financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Deze lijn wordt ook in latere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep gehanteerd.
6.4
Niet in geschil is dat aan de eerste drie voorwaarden is voldaan. Het geschil spitst zich toe op de vraag of aan de vierde voorwaarde is voldaan, namelijk of de kosten van kinderopvang financieel kunnen worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.
Deze voorwaarde dient zo te worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten.
6.5
De rechtbank is van oordeel dat kinderopvang volgens deze maatstaf niet algemeen gebruikelijk is. De rechtbank overweegt hiertoe dat de kosten van deze voorziening alleen financieel kunnen worden gedragen met een inkomen op minimumniveau in het geval de betrokkene ook een kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst ontvangt. Voor een dergelijke toeslag komen alleen werkenden in aanmerking komen. Niet-werkenden zijn daarvan uitgesloten. Daarom kan niet worden gesproken van een voorziening die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is.
6.6
Voor deze zaak betekent dit dat het college de aanvraag van eiseres ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat kinderopvang is aan te merken als een algemeen gebruikelijke voorziening. Dit betekent dat eiseres in de periode van 1 februari 2023 tot en met 31 december 2023 in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor de kosten van kinderopvang.
Conclusie en gevolgen
7. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het college moet een nieuw besluit nemen op het bezwaarschrift van eiseres. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt.
7.1
Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het griffierecht aan eiseres vergoeden.
7.2
De rechtbank zal het Uwv veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (2 punten voor indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere reactie met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1 (zaak van gemiddeld gewicht).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 3 juni 2025:
bepaalt dat het college binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt het college in de kosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-;
bepaalt dat het college aan eiseres het betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te tekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 20 november 2019 met het kenmerk: ECLI:NL:CRVB:2019:3535
en de uitspraken van 3 juli 2024, met de kenmerken ECLI:NL:CRVB:2024:1362 en
ECLI:CRVB:2024:1364