Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3444
2026-08-13
Strafrecht; Materieel strafrecht
18-284068-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna anderhalf jaar schuldig gemaakt aan handel in cocaïne. Er zijn daarnaast op verschillende momenten verdovende middelen bij hem aangetroffen. De rechtbank acht de dagvaarding met betrekking tot feit 2 nietig en verklaart het openbaar ministerie ten aanzien van feit 1 voor een deel van de ten laste gelegde periode niet-ontvankelijk in de strafvervolging. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, passend en oplegging daarvan geboden is. Het inbeslaggenomen geld wordt verbeurd verklaard. De vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf wordt afgewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2000:AA7309 Hoge Raad 03-10-2000
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (49.048 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18-284068-24
ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18-316612-23, 18-111609-24 vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-107511-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 juli 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.E.R. Geurts, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. F.J. de Lange.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 18-284068-24:
1
hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2020 tot en met 2 oktober 2024 te Emmen meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine en/of MDMA en/of XTC en/of 3CMC en/of 3MMC, zijnde cocaine en/of MDMA en/of XTC en/of 3CMC en/of 3MMC, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2020 tot en met 6 oktober 2024, te Emmen, althans in Nederland meermalen, althans eenmaal van een of meer voorwerpen, te weten een geldbedrag en/of diverse exclusieve merkkleding
Sub a
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf
lid 1
- en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;
3
hij op of omstreeks 4 september 2024 en/of op of omstreeks 14 april 2025 te Emmen, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
op of omstreeks 4 september 2024
ongeveer 3,02 gram MDMA en/of
ongeveer 9,07 gram cocaïne en/of
ongeveer 12,60 gram 3CMC en/of op of omstreeks 14 september 2025
ongeveer 0,94 gram cocaïne,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of cocaïne en/of 3CMC en/of (respectievelijk) ongeveer 4,66 gram en/of 9,07 en 0,94 gram en/of 12,60 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of cocaïne en/of 3CMC, zijnde MDMA en/of cocaïne en/of 3CMC (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4
hij op of omstreeks 4 september 2024 te Emmen, opzettelijk een of meer bankbiljetten van 10 euro dat/die hij, verdachte, zelf heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad.
Parketnummer 18-316612-23:
hij op of omstreeks 14 september 2023 te Emmen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 297,93 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-CMC, zijnde 3-CMCeen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Parketnummer 18-111609-24:
hij op of omstreeks 5 januari 2023 te Emmen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14,35 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Geldigheid van de dagvaarding
Parketnummer 18-284068-24 - feit 2:
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, omdat de in de tenlastelegging opgenomen voorwerpen, die door verdachte witgewassen zouden zijn, onvoldoende feitelijk en geconcretiseerd zijn.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier voldoende blijkt op welke geldbedragen en luxegoederen de tenlastelegging betrekking heeft, zodat de dagvaarding geldig is.
Oordeel van de rechtbank
Een dagvaarding dient een opgave te bevatten van het ten laste gelegde feit met vermelding van tijd en plaats en de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan, zodat de verdachte begrijpt wat hem verweten wordt. Dit volgt uit artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Of aan het vereiste van artikel 261 is voldaan, dient te worden beoordeeld op basis van de bewoordingen waarin de tenlastelegging is gesteld en het dossier waarop zij is gebaseerd.
Aan verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij in een periode van ruim vier jaren een geldbedrag en/of diverse exclusieve merkkleding heeft witgewassen. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat de omschrijving een geldbedrag en/of diverse exclusieve merkkleding onvoldoende bepaald en te algemeen is, zodat het hetgeen verdachte ten laste is gelegd te onduidelijk is om het voor verdachte mogelijk te maken zich hier behoorlijk tegen te verdedigen. Te meer nu het openbaar ministerie een zeer lange pleegperiode ten laste heeft gelegd, mag worden verwacht dat nader wordt gespecificeerd welke geldbedragen en exclusieve merkkleding in deze periode zouden zijn witgewassen. Daarom zal de rechtbank de dagvaarding nietig verklaren met betrekking tot feit 2.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Parketnummer 18-284068-24 - feit 1:
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte op 14 februari 2024 door de rechtbank Noord-Nederland is veroordeeld voor de handel in cocaïne in de periode van 18 juni 2022 tot en met 23 april 2023. De ten laste gelegde periode overlapt de periode waarop de bewezenverklaring en veroordeling in de eerdere zaak betrekking heeft en verdachte kan niet tweemaal voor hetzelfde feit worden vervolgd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Zij heeft aangevoerd dat enkel de periode na 23 april 2023 bewezen kan worden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat verdachte op 14 februari 2024 onherroepelijk door deze rechtbank is veroordeeld voor de handel in cocaïne in de periode van 18 juni 2022 tot en met 23 april 2023. In onderhavige zaak is aan verdachte ten laste gelegd dat hij cocaïne heeft verhandeld in de periode van 11 juli 2020 tot en met 2 oktober 2024. De rechtbank is daarom met de raadsvrouw van oordeel dat er ten aanzien van de handel in cocaïne in de periode van 18 juni 2022 tot en met 23 april 2023 sprake is van een dubbele vervolging in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De rechtbank verklaart het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk in de strafvervolging voor zover de verdenking betrekking heeft op cocaïnehandel in de periode 18 juni 2022 tot en met 23 april 2023.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 18-284068-24 - feiten 1, 3 en 4:
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De onder 1 ten laste gelegde drugshandel kan bewezen worden op grond van de chatgesprekken in de telefoon van verdachte en de verklaringen van de afnemers die als getuigen zijn gehoord. In de chatgesprekken staan prijslijsten met namen van drugs. Omdat de ten laste gelegde pleegperiode overlap heeft met een eerder veroordeling van verdachte, kan de drugshandel slechts bewezen worden ten aanzien van de periode van 24 april 2023 tot en met 2 oktober 2024. De verdenking met betrekking tot het valse geld, zoals onder 4 ten laste is gelegd, kan bewezen worden op basis van de verklaring van verdachte en het feit dat het geld in zijn woning is aangetroffen.
Parketnummer 18-316612-23:
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.
Parketnummer 18-111609-24:
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer 18-284068-24 - feiten 1, 3 en 4:
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en onder 4 ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdenking van het onder 1 ten laste gelegde betreft het dealen in middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Zowel 3MMC en 3CMC waren niet de gehele ten laste gelegde pleegperiode strafbaar gesteld en in chatgesprekken van de periode na de strafbaarstelling van deze drugs kan niet worden herleid dat het specifiek om 3MMC en 3CMC gaat. Bovendien zijn de middelen die verkocht zouden zijn nooit getest. Dat is juist bij designerdrugs van belang, omdat het vaak andere stoffen bevat dan hetgeen aangeboden wordt.
Daarnaast blijkt niet uit de chatgesprekken dat daadwerkelijk cocaïne en MDMA is verkocht. Het bewijs voor de verdenking blijkt ook niet uit de getuigenverklaringen in het dossier. Getuige [getuige 1] heeft een foto van zijn dealer getoond, maar dat is niet verdachte. Getuige [getuige 2] verklaart dat het niet altijd duidelijk was welk middel geleverd werd.
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde kan niet bewezen worden dat verdachte het oogmerk had om het valse geld als echt en onvervalst uit te geven. Het ging slechts om twintig euro en verdachte liet vaker spullen in zijn woning liggen.
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Parketnummer 18-316612-23:
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Parketnummer 18-111609-24:
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-284068-24 - vrijspraak feit 4
De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken en overweegt daartoe het volgende.
Verdachte heeft verklaard dat hij het valse geld van een vriend heeft gekregen, simpelweg niet de moeite heeft genomen om het geld weg te gooien en niet de bedoeling had om het uit te geven. Uit deze verklaring van verdachte blijkt weliswaar dat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van het valse geld, maar niet dat hij de bankbiljetten voorhanden heeft gehad met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven. Nu op basis van andere bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat hij dat oogmerk wel heeft gehad, dient vrijspraak te volgen.
Parketnummer 18-284068-24 - feit 1
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 30 juli 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Het klopt dat met rook en sos cocaïne wordt bedoeld.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 november 2024, opgenomen op pagina 210 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024241467 en 2025096895 d.d. 7 mei 2025, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant]:
Door medewerkers van het digitale platform Noord-Nederland werd de data forensisch veiliggesteld van Apple iPhone XR, IMEI1 [nummer] . De gsm werd op zondag 4 september 2024 in beslag genomen onder de verdachte genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001.
In betreffende telefoon stonden in totaal 22 user accounts. Aan deze user accounts is een username verbonden. Deze usernames betroffen onder andere:
[account 1] ;
[account 2] .
Door mij werd een onderzoek ingesteld naar chatgesprekken.
19 07-2024 20:27
Van
Inhoud
[account 2]
Prijslijst:
Coke (nieuwe spullen, betere kwaliteit)
1 -50
3-140
5 - 220
10-400
1708-2024 17:40
Van
Inhoud
[account 1]
Ik heb zelf sos
[account 3]
Voor hoeveel heb je. Dan maken we een andere deal
[account 1]
Wat voor deal wou je maken
[account 3]
Jij rijdt op en neer naar [plaats] . Doe maar 300 euro.
[account 1]
voor 335 kan t dan betaal ik kms zelf en benzine van
daar anders verdien ik er max 50 op.
[account 3]
Is goed.
2108-2024 20:17
Van
Inhoud
[account 1]
Nieuwe binnen beste spullen nu te vinden testen
kan niet goed geld terug.
[account 1]
Nieuwe sos binnen top spul.
21-09-2024 19:42
Van
Inhoud
[account 1]
Ben weer actief sos [account 2]
[account 4]
Kan je via tikkie
[account 1]
Hoeveel
[account 4]
2
[account 1]
Is er geen pinautomaat in de buurt dat we ff samen heen
rijden.
[account 4]
Die zijn dicht in [plaats] .
[account 2]
Tikkie wordt geregeld.
2308-2024 22:04
Van
Inhoud
[account 5]
Heb je goeie
[account 1]
Topspul. Hoeveel?
[account 5]
Eerst 50 moet wel weten als het top is
[account 1]
15 min
24 08-2024 15:39
Van
Inhoud
[account 1]
Actief
[account 5]
Kun je [plaats] komen
[account 1]
Hvl
[account 5]
50
[account 1]
15 m
2807-2024 12:49
Van
Inhoud
[account 1]
Goudenpijl actie. Sos Vanaf 2 hele 40 p/s. 3M 5G - 40
[account 6]
Je kan geen tikkie sturen of wel
[account 1]
Wat was je nodig dan
[account 6]
Sowieso 1e.
[account 1]
Wat is adres?
[account 6]
[adres]
[account 1]
Is goed. Probeer 20 min.
2208-2024 16:12
Van
Inhoud
[account 7]
Actief?
[account 1]
Heb goeie rook.
[account 7]
Wat is de prik dan voor kleinste hoeveel
[account 1]
Wat ben je nodig
[account 7]
Beetje rook ja
[account 1]
Hoeveel
[account 7]
Kom naar schuur als je kan? Overleggen we daar
[account 1]
Kom eraan
2708-2024 03:32
Van
Inhoud
[account 8]
Nog wel actief dus?
[account 1]
Hoeveel en waar
[account 8]
30 rook 20 neus
[account 1]
Ik heb alleen 50 neus of 20/40/50 rook
[account 8]
Kun je 40 neus doen en 40 rook
[account 1]
Ik ga zo doen 50 neus en dan geef ik je 4 voor 30 rook
[account 8]
Is goed
[account 1]
15/20 min
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 april 2025, opgenomen op pagina 303 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2].
Aan [getuige 2] werd medegedeeld dat zijn naam naar voren was gekomen bij een politieonderzoek naar de handel in verdovende middelen. Uit dit onderzoek was naar voren gekomen dat [getuige 2] in de
periode 8 augustus 2020 tot en met 2 oktober 2024 voor ruim 4000 euro overgemaakt middels zogenaamde tikkies vanaf zijn bankrekening naar de bankrekening van een dealer.
V: Hoe noem jij de dealer?
A: [verdachte]
V: Hoe noemt hij zichzelf?
A: [verdachte]
V: Over welke periode bestel jij al verdovende middelen bij [verdachte] ?
A: Het is ongeveer in de coronatijd of vlak daarna is begonnen. Ik denk ongeveer 2020 of zoiets. V: Wat voor verdovende middelen bestel jij bij hem?
A: Wit poeder, ik ging uit van cocaïne.
V: Hoe vaak bestelde jij cocaïne bij [verdachte] ?
A. Ik denk wel bijna ieder weekend. V: Wie bracht de cocaïne dan?
A: [verdachte] kwam ook wel zelf afleveren.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2025, opgenomen op pagina 293 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant]:
Op 6 januari 2025, hoorde ik [account 5] ,
geboren [geboortedatum] 1979.
V: Wie is [naam] ?
A: Dat is de persoon, waar het geld naartoe is gegaan Zijn bankrekeningnummer is [rekeningnummer] V: Waarom ontvangt hij zoveel geld van jou?
A: Dat is de dealer, waar wij de cocaïne van hebben gekocht.
Nadat ik het verhoor had afgerond, verklaarde de verdachte uit eigen beweging: “ [naam] is niet zijn echte naam. De persoon die achter deze naam zit is [verdachte] en komt uit [plaats] . Deze [verdachte] gebruikt de naam [naam] om drugs te verkopen en waar ik drugs van koop.”
Bewijsoverweging
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen overweegt de rechtbank het volgende. Nu de rechtbank het openbaar ministerie ten aanzien van cocaïnehandel in de ten laste gelegde periode van 18 juni 2022 tot en met 23 april 2023 niet-ontvankelijk heeft verklaard in de strafvervolging, dient beoordeeld te worden of bewezen kan worden dat verdachte cocaïne heeft verhandeld in de periode 11 juli 2020 tot en met 17 juni 2022 en 24 april 2023 tot en met 2 oktober 2024. Daarnaast moet de rechtbank beoordelen of bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld in MDMA, XTC, 3CMC en 3MMC in de periode 11 juli 2020 tot en met 2 oktober 2024.
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode handelde in MDMA, XTC, 3CMC en/of 3MMC. Uit de chatgesprekken is niet te herleiden dat verdachte MDMA en/of XTC heeft verkocht. Het enkele gegeven dat deze middelen op een prijslijst worden genoemd, acht de rechtbank voor een bewezenverklaring onvoldoende. Ten aanzien van 3CMC en 3MMC is de rechtbank met de
raadsvrouw van oordeel dat deze designerdrugs niet de gehele periode strafbaar waren gesteld als middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Vanaf het moment dat deze drugs wel op lijst I stonden, acht de rechtbank de chatgesprekken niet concreet genoeg om met zekerheid te concluderen dat verdachte deze drugs toen heeft verhandeld. Verdachte zal daarom voor het verhandelen van deze verdovende middelen partieel worden vrijgesproken.
De rechtbank ziet voor cocaïnehandel in de periode 11 juli 2020 tot en met 17 juni 2022 geen bewijs in het dossier, zodat verdachte ook van dit onderdeel zal worden vrijgesproken. Dat een getuige heeft verklaard aan het begin van de coronaperiode drugs te hebben gekocht bij verdachte, acht de rechtbank onvoldoende voor wettig en overtuigend bewijs voor deze periode.
De rechtbank is van oordeel dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld in cocaïne in de periode 24 april 2023 tot en met 2 oktober 2024. Uit de chatgesprekken in de telefoon die onder verdachte in beslag is genomen, blijkt dat verdachte in deze periode cocaïne verkocht aan verschillende afnemers. Dit wordt ook bevestigd door afnemers, die verdachte aanwijzen als de persoon die aan hen de drugs heeft verkocht. De prijslijsten van verdovende middelen en de berichten in de telefoon waarin verdachte kenbaar maakte weer actief te zijn, bevestigen ook dat verdachte in verdovende middelen handelde.
Alles afwegende brengt het hiervoor overwogene de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan handel in cocaïne in de periode 24 april 2023 tot en met 2 oktober 2024.
Parketnummer 18-284068-24 - feit 3
De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 juli 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 14 april 2025, opgenomen op pagina 469 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024241467 d.d. 7 mei 2025, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakte kennisgeving van inbeslagneming d.d. 14 april 2025, opgenomen op pagina 503 e.v. van voornoemd dossier;
4, een naar wettelijk voorschrift opgemaakte kennisgeving van inbeslagneming d.d. 4 september 2024, opgenomen op pagina 86 van voornoemd dossier;
5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 16 mei 2025, opgenomen als aanvullend proces-verbaal bij voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] ;
6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 1 oktober 2024, opgenomen op pagina 106 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
7. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.05.01.090 (aanvraag 001) d.d. 1
mei 2025, opgemaakt door ing. A.B.M. van Esch - de Bruin op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
8. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.05.01.090 (aanvraag 006) d.d. 13 mei 2025, opgemaakt door ing M. Visser - van Leeuwen op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
9. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.09.18.155 (aanvraag 002) d.d. 17 oktober 2024, opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
10. een naar wettelijk voorschrift opgemaakte kennisgeving van inbeslagneming d.d. 4 september 2024, opgenomen op pagina 90 van voornoemd dossier;
11. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.09.18.155 (aanvraag 001) d.d. 19 september 2024, opgemaakt door ing. P.H. Walinga op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
12. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.05.01.090 (aanvraag 005) d.d. 1 mei 2025, opgemaakt door ing. N. van Doorn op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
13. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.05.01.090 (aanvraag 004) d.d. 1 mei 2025, opgemaakt door ing. A.B.M. van Esch - de Bruin op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
14. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.05.01.090 (aanvraag 003) d.d. 1 mei 2025, opgemaakt door ing. A.B.M. van Esch - de Bruin op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.
Parketnummer 18-316612-23:
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 juli 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2023, opgenomen op pagina 19 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023246304 d.d. 29 december 2023, inhoudend het relaas van o.a. verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakte kennisgeving van inbeslagneming d.d. 14 september 2023, opgenomen op pagina 98 van voornoemd dossier;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 4 december 2023, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.01.02.175 (aanvraag 001) d.d. 25 januari 2024, opgemaakt door ing. C.M.M. Diever Heezen op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.
Parketnummer 18-111609-24:
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 juli 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2023, opgenomen op pagina 84 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023005257 d.d. 27 november 2023, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 23 januari 2023, opgenomen op pagina 122 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1 en 3 ten laste gelegde onder parketnummer 18-284068-24 en het onder parketnummers 18-316612-23 en 18-111609-24 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 18-284068-24:
1
hij in de periode van 24 april 2023 tot en met 2 oktober 2024 te Emmen meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
hij op 4 september 2024 of op 14 april 2025 te Emmen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
ongeveer 3,02 gram MDMA en
ongeveer 9,07 gram cocaïne en
ongeveer 12,60 gram 3CMC en
ongeveer 0,94 gram cocaïne,
zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Parketnummer 18-316612-23:
hij op 14 september 2023 te Emmen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 297,93 gram 3-CMC, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Parketnummer 18-111609-24:
hij op 5 januari 2023 te Emmen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14,35 gram MDMA, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 18-284068-24:
1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
3. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Parketnummer 18-316612-23:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Parketnummer 18-111609-24:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummers 18-284068-24, 18-316612-23 en 18-111609-24 wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd het bevel schorsing van de voorlopige hechtenis bij datum van de uitspraak op te heffen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft blijkens het reclasseringsrapport van 28 april 2026 zijn leven op orde en dreigt hetgeen hij nu heeft opgebouwd te verliezen bij het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast is in de parketnummers 18-316612-23 en 18-111609-24 sprake van een schending van de redelijke termijn. Bovendien hadden deze zaken gelijktijdig met een eerdere zaak behandeld kunnen worden, zodat artikel 63 Sr van toepassing is. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies van 28 april 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna anderhalf jaar schuldig gemaakt aan handel in cocaïne. Er zijn daarnaast op verschillende momenten verdovende middelen bij hem aangetroffen. De handel in harddrugs heeft niet alleen schadelijke gevolgen voor drugsgebruikers, maar draagt ook bij aan diverse andere vormen van criminaliteit. Drugscriminaliteit heeft daarmee een ontwrichtende en ondermijnende werking in de samenleving.
De rechtbank weegt bovendien mee dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor handel in cocaïne, terwijl hij de handel in verboden middelen na zijn veroordeling onverminderd en zonder onderbreking heeft voortgezet. Ook nadat de politie twee keer zijn woning had doorzocht en verschillende soorten drugs had aangetroffen, zag verdachte geen aanleiding om zijn criminele activiteiten te staken. De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer aan en neemt verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij tijdens zijn proeftijd niet alleen opnieuw de fout in is gegaan, maar kennelijk niet eens het voornemen heeft gehad zijn criminele activiteiten te staken.
Persoon van verdachte
De reclassering heeft een rapport over verdachte uitgebracht, waarin het volgende is beschreven. Sinds februari 2024 staat verdachte onder reclasseringstoezicht wegens een eerdere veroordeling voor soortgelijk delictgedrag. Psychiatrisch gezien is sprake van een autismespectrumstoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. De reclassering acht het positief dat verdachte openstaat voor gedragsverandering en een psychologische behandeling. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf zonder aanvullende voorwaarden, waarbij ervan uit wordt gegaan dat het huidige reclasseringstoezicht met de bijbehorende bijzondere voorwaarden wordt gecontinueerd.
Op te leggen straf
De ernst van de feiten en de lange pleegperiode waarbinnen de feiten zijn begaan, rechtvaardigen niets anders dan oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor de hoogte daarvan heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS. Verdachte heeft zeventien maanden gehandeld in verdovende middelen. Naar eigen zeggen heeft hij daar zoveel geld mee verdiend dat hij bij tijd en wijle niet wist wat hij met het geld moest doen. Daarentegen is er sprake van een overschrijding van de
redelijke termijn ten aanzien van de ten laste gelegde feiten in parketnummers 18-316612-23 en 18-111609-24. De rechtbank zal met deze schending rekening houden in die zin dat zij een lagere gevangenisstraf aan verdachte zal opleggen dan zij in beginsel passend acht en houdt daarbij rekening met de percentages zoals door de Hoge Raad zijn vastgesteld.1 Bovendien is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 63 Sr.
De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, passend en oplegging daarvan geboden is. De op te leggen straf is daarmee lager dan de door de officier van justitie geëiste straf, omdat de rechtbank minder heeft bewezenverklaard, dan waarvan de officier van justitie uitgaat.
Opheffing van de schorsing de voorlopige hechtenis
De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een vrijheidsbenemende sanctie op zichzelf onvoldoende is om over te gaan tot de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.2 Ook bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis overstijgt dient sprake te zijn van een omstandigheid die de opheffing van de schorsing noodzakelijk maakt. Bij dergelijke omstandigheden moet volgens de memorie van toelichting onder meer worden gedacht aan het niet naleven van de aan de schorsing verbonden voorwaarden of het zeer toenemen van het gevaar voor vlucht of herhaling.3
De rechtbank overweegt dat niet gebleken is van enige omstandigheid die de opheffing van de schorsing noodzakelijk maakt en zal de door de officier van justitie gevorderde opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis niet bevelen.
Beslag
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in parketnummer 18-284068-24 onder 1 in beslag genomen geld, verbeurd dient te worden verklaard. Het geld is met criminele activiteiten verdiend.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de inbeslaggenomen goederen terug te geven aan verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het inbeslaggenomen geldbedrag van 2.040,- vatbaar voor verbeurdverklaring nu dit geldbedrag aan verdachte toebehoort en aannemelijk is dat dit geldbedrag is verkregen door middel van de handel in verdovende middelen zoals bewezen verklaard onder 1 ten aanzien van parketnummer18-284068-24.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 14 februari 2024 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 254 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 29 februari 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 7 juli 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Nu de bewezen verklaarde feiten 1 en 3 onder parketnummer 18-284068-24 zijn begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. Gelet op hetgeen ter terechtzitting is behandeld en het lopende reclasseringstoezicht dat is gekoppeld aan deze voorwaardelijke straf en de rechtbank voortzetting van het lopende toezicht -ook na de detentieperiode- wenselijk acht, ziet de rechtbank aanleiding om de vordering af te wijzen. Het bestaande reclasseringstoezicht kan daarmee worden gecontinueerd.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en
de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft het onder 2 ten laste gelegde met betrekking tot parketnummer 18-284068-24;
Verklaart de officier van justitie partieel niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder parketnummer 18-284068-24 onder 1 ten laste gelegde, voor zover de tenlastelegging ziet op cocaïnehandel in de periode 18 juni 2022 tot en met 23 april 2023;
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18-284068-24 onder 4 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;
Verklaart het onder parketnummer 18-284068-24 onder 1 en 3 ten laste gelegde en het onder parketnummers 18-316612-23 en 18-111609-24 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen en nog niet teruggegeven goed, te weten:
- 370 EUR (omschrijving: PL0100-2024241467-G1751107);
- 1670 EUR (omschrijving: PL0100-2024241467-G1751428).
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
18-107511-23:
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 14 februari 2024.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Baluah, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. N.J. Aarts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 augustus 2026.
Mr. R. Baluah is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. ECLI:NL:HR:2000:AA7309.
2 ECLI:NLPHR:2025:267.
3 Kamerstukken II 1913/14, 286, nr.3, p. 86.
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18-284068-24
ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18-316612-23, 18-111609-24 vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-107511-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 juli 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.E.R. Geurts, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. F.J. de Lange.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 18-284068-24:
1
hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2020 tot en met 2 oktober 2024 te Emmen meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine en/of MDMA en/of XTC en/of 3CMC en/of 3MMC, zijnde cocaine en/of MDMA en/of XTC en/of 3CMC en/of 3MMC, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2020 tot en met 6 oktober 2024, te Emmen, althans in Nederland meermalen, althans eenmaal van een of meer voorwerpen, te weten een geldbedrag en/of diverse exclusieve merkkleding
Sub a
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf
lid 1
- en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;
3
hij op of omstreeks 4 september 2024 en/of op of omstreeks 14 april 2025 te Emmen, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
op of omstreeks 4 september 2024
ongeveer 3,02 gram MDMA en/of
ongeveer 9,07 gram cocaïne en/of
ongeveer 12,60 gram 3CMC en/of op of omstreeks 14 september 2025
ongeveer 0,94 gram cocaïne,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of cocaïne en/of 3CMC en/of (respectievelijk) ongeveer 4,66 gram en/of 9,07 en 0,94 gram en/of 12,60 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of cocaïne en/of 3CMC, zijnde MDMA en/of cocaïne en/of 3CMC (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4
hij op of omstreeks 4 september 2024 te Emmen, opzettelijk een of meer bankbiljetten van 10 euro dat/die hij, verdachte, zelf heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad.
Parketnummer 18-316612-23:
hij op of omstreeks 14 september 2023 te Emmen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 297,93 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-CMC, zijnde 3-CMCeen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Parketnummer 18-111609-24:
hij op of omstreeks 5 januari 2023 te Emmen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14,35 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Geldigheid van de dagvaarding
Parketnummer 18-284068-24 - feit 2:
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, omdat de in de tenlastelegging opgenomen voorwerpen, die door verdachte witgewassen zouden zijn, onvoldoende feitelijk en geconcretiseerd zijn.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier voldoende blijkt op welke geldbedragen en luxegoederen de tenlastelegging betrekking heeft, zodat de dagvaarding geldig is.
Oordeel van de rechtbank
Een dagvaarding dient een opgave te bevatten van het ten laste gelegde feit met vermelding van tijd en plaats en de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan, zodat de verdachte begrijpt wat hem verweten wordt. Dit volgt uit artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Of aan het vereiste van artikel 261 is voldaan, dient te worden beoordeeld op basis van de bewoordingen waarin de tenlastelegging is gesteld en het dossier waarop zij is gebaseerd.
Aan verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij in een periode van ruim vier jaren een geldbedrag en/of diverse exclusieve merkkleding heeft witgewassen. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat de omschrijving een geldbedrag en/of diverse exclusieve merkkleding onvoldoende bepaald en te algemeen is, zodat het hetgeen verdachte ten laste is gelegd te onduidelijk is om het voor verdachte mogelijk te maken zich hier behoorlijk tegen te verdedigen. Te meer nu het openbaar ministerie een zeer lange pleegperiode ten laste heeft gelegd, mag worden verwacht dat nader wordt gespecificeerd welke geldbedragen en exclusieve merkkleding in deze periode zouden zijn witgewassen. Daarom zal de rechtbank de dagvaarding nietig verklaren met betrekking tot feit 2.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Parketnummer 18-284068-24 - feit 1:
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte op 14 februari 2024 door de rechtbank Noord-Nederland is veroordeeld voor de handel in cocaïne in de periode van 18 juni 2022 tot en met 23 april 2023. De ten laste gelegde periode overlapt de periode waarop de bewezenverklaring en veroordeling in de eerdere zaak betrekking heeft en verdachte kan niet tweemaal voor hetzelfde feit worden vervolgd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Zij heeft aangevoerd dat enkel de periode na 23 april 2023 bewezen kan worden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat verdachte op 14 februari 2024 onherroepelijk door deze rechtbank is veroordeeld voor de handel in cocaïne in de periode van 18 juni 2022 tot en met 23 april 2023. In onderhavige zaak is aan verdachte ten laste gelegd dat hij cocaïne heeft verhandeld in de periode van 11 juli 2020 tot en met 2 oktober 2024. De rechtbank is daarom met de raadsvrouw van oordeel dat er ten aanzien van de handel in cocaïne in de periode van 18 juni 2022 tot en met 23 april 2023 sprake is van een dubbele vervolging in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De rechtbank verklaart het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk in de strafvervolging voor zover de verdenking betrekking heeft op cocaïnehandel in de periode 18 juni 2022 tot en met 23 april 2023.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 18-284068-24 - feiten 1, 3 en 4:
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De onder 1 ten laste gelegde drugshandel kan bewezen worden op grond van de chatgesprekken in de telefoon van verdachte en de verklaringen van de afnemers die als getuigen zijn gehoord. In de chatgesprekken staan prijslijsten met namen van drugs. Omdat de ten laste gelegde pleegperiode overlap heeft met een eerder veroordeling van verdachte, kan de drugshandel slechts bewezen worden ten aanzien van de periode van 24 april 2023 tot en met 2 oktober 2024. De verdenking met betrekking tot het valse geld, zoals onder 4 ten laste is gelegd, kan bewezen worden op basis van de verklaring van verdachte en het feit dat het geld in zijn woning is aangetroffen.
Parketnummer 18-316612-23:
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.
Parketnummer 18-111609-24:
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer 18-284068-24 - feiten 1, 3 en 4:
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en onder 4 ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdenking van het onder 1 ten laste gelegde betreft het dealen in middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Zowel 3MMC en 3CMC waren niet de gehele ten laste gelegde pleegperiode strafbaar gesteld en in chatgesprekken van de periode na de strafbaarstelling van deze drugs kan niet worden herleid dat het specifiek om 3MMC en 3CMC gaat. Bovendien zijn de middelen die verkocht zouden zijn nooit getest. Dat is juist bij designerdrugs van belang, omdat het vaak andere stoffen bevat dan hetgeen aangeboden wordt.
Daarnaast blijkt niet uit de chatgesprekken dat daadwerkelijk cocaïne en MDMA is verkocht. Het bewijs voor de verdenking blijkt ook niet uit de getuigenverklaringen in het dossier. Getuige [getuige 1] heeft een foto van zijn dealer getoond, maar dat is niet verdachte. Getuige [getuige 2] verklaart dat het niet altijd duidelijk was welk middel geleverd werd.
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde kan niet bewezen worden dat verdachte het oogmerk had om het valse geld als echt en onvervalst uit te geven. Het ging slechts om twintig euro en verdachte liet vaker spullen in zijn woning liggen.
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Parketnummer 18-316612-23:
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Parketnummer 18-111609-24:
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-284068-24 - vrijspraak feit 4
De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken en overweegt daartoe het volgende.
Verdachte heeft verklaard dat hij het valse geld van een vriend heeft gekregen, simpelweg niet de moeite heeft genomen om het geld weg te gooien en niet de bedoeling had om het uit te geven. Uit deze verklaring van verdachte blijkt weliswaar dat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van het valse geld, maar niet dat hij de bankbiljetten voorhanden heeft gehad met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven. Nu op basis van andere bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat hij dat oogmerk wel heeft gehad, dient vrijspraak te volgen.
Parketnummer 18-284068-24 - feit 1
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 30 juli 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Het klopt dat met rook en sos cocaïne wordt bedoeld.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 november 2024, opgenomen op pagina 210 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024241467 en 2025096895 d.d. 7 mei 2025, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant]:
Door medewerkers van het digitale platform Noord-Nederland werd de data forensisch veiliggesteld van Apple iPhone XR, IMEI1 [nummer] . De gsm werd op zondag 4 september 2024 in beslag genomen onder de verdachte genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001.
In betreffende telefoon stonden in totaal 22 user accounts. Aan deze user accounts is een username verbonden. Deze usernames betroffen onder andere:
[account 1] ;
[account 2] .
Door mij werd een onderzoek ingesteld naar chatgesprekken.
19 07-2024 20:27
Van
Inhoud
[account 2]
Prijslijst:
Coke (nieuwe spullen, betere kwaliteit)
1 -50
3-140
5 - 220
10-400
1708-2024 17:40
Van
Inhoud
[account 1]
Ik heb zelf sos
[account 3]
Voor hoeveel heb je. Dan maken we een andere deal
[account 1]
Wat voor deal wou je maken
[account 3]
Jij rijdt op en neer naar [plaats] . Doe maar 300 euro.
[account 1]
voor 335 kan t dan betaal ik kms zelf en benzine van
daar anders verdien ik er max 50 op.
[account 3]
Is goed.
2108-2024 20:17
Van
Inhoud
[account 1]
Nieuwe binnen beste spullen nu te vinden testen
kan niet goed geld terug.
[account 1]
Nieuwe sos binnen top spul.
21-09-2024 19:42
Van
Inhoud
[account 1]
Ben weer actief sos [account 2]
[account 4]
Kan je via tikkie
[account 1]
Hoeveel
[account 4]
2
[account 1]
Is er geen pinautomaat in de buurt dat we ff samen heen
rijden.
[account 4]
Die zijn dicht in [plaats] .
[account 2]
Tikkie wordt geregeld.
2308-2024 22:04
Van
Inhoud
[account 5]
Heb je goeie
[account 1]
Topspul. Hoeveel?
[account 5]
Eerst 50 moet wel weten als het top is
[account 1]
15 min
24 08-2024 15:39
Van
Inhoud
[account 1]
Actief
[account 5]
Kun je [plaats] komen
[account 1]
Hvl
[account 5]
50
[account 1]
15 m
2807-2024 12:49
Van
Inhoud
[account 1]
Goudenpijl actie. Sos Vanaf 2 hele 40 p/s. 3M 5G - 40
[account 6]
Je kan geen tikkie sturen of wel
[account 1]
Wat was je nodig dan
[account 6]
Sowieso 1e.
[account 1]
Wat is adres?
[account 6]
[adres]
[account 1]
Is goed. Probeer 20 min.
2208-2024 16:12
Van
Inhoud
[account 7]
Actief?
[account 1]
Heb goeie rook.
[account 7]
Wat is de prik dan voor kleinste hoeveel
[account 1]
Wat ben je nodig
[account 7]
Beetje rook ja
[account 1]
Hoeveel
[account 7]
Kom naar schuur als je kan? Overleggen we daar
[account 1]
Kom eraan
2708-2024 03:32
Van
Inhoud
[account 8]
Nog wel actief dus?
[account 1]
Hoeveel en waar
[account 8]
30 rook 20 neus
[account 1]
Ik heb alleen 50 neus of 20/40/50 rook
[account 8]
Kun je 40 neus doen en 40 rook
[account 1]
Ik ga zo doen 50 neus en dan geef ik je 4 voor 30 rook
[account 8]
Is goed
[account 1]
15/20 min
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 april 2025, opgenomen op pagina 303 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2].
Aan [getuige 2] werd medegedeeld dat zijn naam naar voren was gekomen bij een politieonderzoek naar de handel in verdovende middelen. Uit dit onderzoek was naar voren gekomen dat [getuige 2] in de
periode 8 augustus 2020 tot en met 2 oktober 2024 voor ruim 4000 euro overgemaakt middels zogenaamde tikkies vanaf zijn bankrekening naar de bankrekening van een dealer.
V: Hoe noem jij de dealer?
A: [verdachte]
V: Hoe noemt hij zichzelf?
A: [verdachte]
V: Over welke periode bestel jij al verdovende middelen bij [verdachte] ?
A: Het is ongeveer in de coronatijd of vlak daarna is begonnen. Ik denk ongeveer 2020 of zoiets. V: Wat voor verdovende middelen bestel jij bij hem?
A: Wit poeder, ik ging uit van cocaïne.
V: Hoe vaak bestelde jij cocaïne bij [verdachte] ?
A. Ik denk wel bijna ieder weekend. V: Wie bracht de cocaïne dan?
A: [verdachte] kwam ook wel zelf afleveren.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2025, opgenomen op pagina 293 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant]:
Op 6 januari 2025, hoorde ik [account 5] ,
geboren [geboortedatum] 1979.
V: Wie is [naam] ?
A: Dat is de persoon, waar het geld naartoe is gegaan Zijn bankrekeningnummer is [rekeningnummer] V: Waarom ontvangt hij zoveel geld van jou?
A: Dat is de dealer, waar wij de cocaïne van hebben gekocht.
Nadat ik het verhoor had afgerond, verklaarde de verdachte uit eigen beweging: “ [naam] is niet zijn echte naam. De persoon die achter deze naam zit is [verdachte] en komt uit [plaats] . Deze [verdachte] gebruikt de naam [naam] om drugs te verkopen en waar ik drugs van koop.”
Bewijsoverweging
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen overweegt de rechtbank het volgende. Nu de rechtbank het openbaar ministerie ten aanzien van cocaïnehandel in de ten laste gelegde periode van 18 juni 2022 tot en met 23 april 2023 niet-ontvankelijk heeft verklaard in de strafvervolging, dient beoordeeld te worden of bewezen kan worden dat verdachte cocaïne heeft verhandeld in de periode 11 juli 2020 tot en met 17 juni 2022 en 24 april 2023 tot en met 2 oktober 2024. Daarnaast moet de rechtbank beoordelen of bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld in MDMA, XTC, 3CMC en 3MMC in de periode 11 juli 2020 tot en met 2 oktober 2024.
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode handelde in MDMA, XTC, 3CMC en/of 3MMC. Uit de chatgesprekken is niet te herleiden dat verdachte MDMA en/of XTC heeft verkocht. Het enkele gegeven dat deze middelen op een prijslijst worden genoemd, acht de rechtbank voor een bewezenverklaring onvoldoende. Ten aanzien van 3CMC en 3MMC is de rechtbank met de
raadsvrouw van oordeel dat deze designerdrugs niet de gehele periode strafbaar waren gesteld als middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Vanaf het moment dat deze drugs wel op lijst I stonden, acht de rechtbank de chatgesprekken niet concreet genoeg om met zekerheid te concluderen dat verdachte deze drugs toen heeft verhandeld. Verdachte zal daarom voor het verhandelen van deze verdovende middelen partieel worden vrijgesproken.
De rechtbank ziet voor cocaïnehandel in de periode 11 juli 2020 tot en met 17 juni 2022 geen bewijs in het dossier, zodat verdachte ook van dit onderdeel zal worden vrijgesproken. Dat een getuige heeft verklaard aan het begin van de coronaperiode drugs te hebben gekocht bij verdachte, acht de rechtbank onvoldoende voor wettig en overtuigend bewijs voor deze periode.
De rechtbank is van oordeel dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld in cocaïne in de periode 24 april 2023 tot en met 2 oktober 2024. Uit de chatgesprekken in de telefoon die onder verdachte in beslag is genomen, blijkt dat verdachte in deze periode cocaïne verkocht aan verschillende afnemers. Dit wordt ook bevestigd door afnemers, die verdachte aanwijzen als de persoon die aan hen de drugs heeft verkocht. De prijslijsten van verdovende middelen en de berichten in de telefoon waarin verdachte kenbaar maakte weer actief te zijn, bevestigen ook dat verdachte in verdovende middelen handelde.
Alles afwegende brengt het hiervoor overwogene de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan handel in cocaïne in de periode 24 april 2023 tot en met 2 oktober 2024.
Parketnummer 18-284068-24 - feit 3
De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 juli 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 14 april 2025, opgenomen op pagina 469 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024241467 d.d. 7 mei 2025, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakte kennisgeving van inbeslagneming d.d. 14 april 2025, opgenomen op pagina 503 e.v. van voornoemd dossier;
4, een naar wettelijk voorschrift opgemaakte kennisgeving van inbeslagneming d.d. 4 september 2024, opgenomen op pagina 86 van voornoemd dossier;
5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 16 mei 2025, opgenomen als aanvullend proces-verbaal bij voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] ;
6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 1 oktober 2024, opgenomen op pagina 106 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
7. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.05.01.090 (aanvraag 001) d.d. 1
mei 2025, opgemaakt door ing. A.B.M. van Esch - de Bruin op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
8. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.05.01.090 (aanvraag 006) d.d. 13 mei 2025, opgemaakt door ing M. Visser - van Leeuwen op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
9. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.09.18.155 (aanvraag 002) d.d. 17 oktober 2024, opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
10. een naar wettelijk voorschrift opgemaakte kennisgeving van inbeslagneming d.d. 4 september 2024, opgenomen op pagina 90 van voornoemd dossier;
11. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.09.18.155 (aanvraag 001) d.d. 19 september 2024, opgemaakt door ing. P.H. Walinga op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
12. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.05.01.090 (aanvraag 005) d.d. 1 mei 2025, opgemaakt door ing. N. van Doorn op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
13. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.05.01.090 (aanvraag 004) d.d. 1 mei 2025, opgemaakt door ing. A.B.M. van Esch - de Bruin op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
14. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.05.01.090 (aanvraag 003) d.d. 1 mei 2025, opgemaakt door ing. A.B.M. van Esch - de Bruin op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.
Parketnummer 18-316612-23:
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 juli 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2023, opgenomen op pagina 19 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023246304 d.d. 29 december 2023, inhoudend het relaas van o.a. verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakte kennisgeving van inbeslagneming d.d. 14 september 2023, opgenomen op pagina 98 van voornoemd dossier;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 4 december 2023, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.01.02.175 (aanvraag 001) d.d. 25 januari 2024, opgemaakt door ing. C.M.M. Diever Heezen op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.
Parketnummer 18-111609-24:
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 juli 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2023, opgenomen op pagina 84 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023005257 d.d. 27 november 2023, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 23 januari 2023, opgenomen op pagina 122 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1 en 3 ten laste gelegde onder parketnummer 18-284068-24 en het onder parketnummers 18-316612-23 en 18-111609-24 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 18-284068-24:
1
hij in de periode van 24 april 2023 tot en met 2 oktober 2024 te Emmen meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
hij op 4 september 2024 of op 14 april 2025 te Emmen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
ongeveer 3,02 gram MDMA en
ongeveer 9,07 gram cocaïne en
ongeveer 12,60 gram 3CMC en
ongeveer 0,94 gram cocaïne,
zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Parketnummer 18-316612-23:
hij op 14 september 2023 te Emmen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 297,93 gram 3-CMC, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Parketnummer 18-111609-24:
hij op 5 januari 2023 te Emmen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14,35 gram MDMA, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 18-284068-24:
1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
3. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Parketnummer 18-316612-23:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Parketnummer 18-111609-24:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummers 18-284068-24, 18-316612-23 en 18-111609-24 wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd het bevel schorsing van de voorlopige hechtenis bij datum van de uitspraak op te heffen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft blijkens het reclasseringsrapport van 28 april 2026 zijn leven op orde en dreigt hetgeen hij nu heeft opgebouwd te verliezen bij het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast is in de parketnummers 18-316612-23 en 18-111609-24 sprake van een schending van de redelijke termijn. Bovendien hadden deze zaken gelijktijdig met een eerdere zaak behandeld kunnen worden, zodat artikel 63 Sr van toepassing is. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies van 28 april 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna anderhalf jaar schuldig gemaakt aan handel in cocaïne. Er zijn daarnaast op verschillende momenten verdovende middelen bij hem aangetroffen. De handel in harddrugs heeft niet alleen schadelijke gevolgen voor drugsgebruikers, maar draagt ook bij aan diverse andere vormen van criminaliteit. Drugscriminaliteit heeft daarmee een ontwrichtende en ondermijnende werking in de samenleving.
De rechtbank weegt bovendien mee dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor handel in cocaïne, terwijl hij de handel in verboden middelen na zijn veroordeling onverminderd en zonder onderbreking heeft voortgezet. Ook nadat de politie twee keer zijn woning had doorzocht en verschillende soorten drugs had aangetroffen, zag verdachte geen aanleiding om zijn criminele activiteiten te staken. De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer aan en neemt verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij tijdens zijn proeftijd niet alleen opnieuw de fout in is gegaan, maar kennelijk niet eens het voornemen heeft gehad zijn criminele activiteiten te staken.
Persoon van verdachte
De reclassering heeft een rapport over verdachte uitgebracht, waarin het volgende is beschreven. Sinds februari 2024 staat verdachte onder reclasseringstoezicht wegens een eerdere veroordeling voor soortgelijk delictgedrag. Psychiatrisch gezien is sprake van een autismespectrumstoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. De reclassering acht het positief dat verdachte openstaat voor gedragsverandering en een psychologische behandeling. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf zonder aanvullende voorwaarden, waarbij ervan uit wordt gegaan dat het huidige reclasseringstoezicht met de bijbehorende bijzondere voorwaarden wordt gecontinueerd.
Op te leggen straf
De ernst van de feiten en de lange pleegperiode waarbinnen de feiten zijn begaan, rechtvaardigen niets anders dan oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor de hoogte daarvan heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS. Verdachte heeft zeventien maanden gehandeld in verdovende middelen. Naar eigen zeggen heeft hij daar zoveel geld mee verdiend dat hij bij tijd en wijle niet wist wat hij met het geld moest doen. Daarentegen is er sprake van een overschrijding van de
redelijke termijn ten aanzien van de ten laste gelegde feiten in parketnummers 18-316612-23 en 18-111609-24. De rechtbank zal met deze schending rekening houden in die zin dat zij een lagere gevangenisstraf aan verdachte zal opleggen dan zij in beginsel passend acht en houdt daarbij rekening met de percentages zoals door de Hoge Raad zijn vastgesteld.1 Bovendien is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 63 Sr.
De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, passend en oplegging daarvan geboden is. De op te leggen straf is daarmee lager dan de door de officier van justitie geëiste straf, omdat de rechtbank minder heeft bewezenverklaard, dan waarvan de officier van justitie uitgaat.
Opheffing van de schorsing de voorlopige hechtenis
De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een vrijheidsbenemende sanctie op zichzelf onvoldoende is om over te gaan tot de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.2 Ook bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis overstijgt dient sprake te zijn van een omstandigheid die de opheffing van de schorsing noodzakelijk maakt. Bij dergelijke omstandigheden moet volgens de memorie van toelichting onder meer worden gedacht aan het niet naleven van de aan de schorsing verbonden voorwaarden of het zeer toenemen van het gevaar voor vlucht of herhaling.3
De rechtbank overweegt dat niet gebleken is van enige omstandigheid die de opheffing van de schorsing noodzakelijk maakt en zal de door de officier van justitie gevorderde opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis niet bevelen.
Beslag
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in parketnummer 18-284068-24 onder 1 in beslag genomen geld, verbeurd dient te worden verklaard. Het geld is met criminele activiteiten verdiend.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de inbeslaggenomen goederen terug te geven aan verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het inbeslaggenomen geldbedrag van 2.040,- vatbaar voor verbeurdverklaring nu dit geldbedrag aan verdachte toebehoort en aannemelijk is dat dit geldbedrag is verkregen door middel van de handel in verdovende middelen zoals bewezen verklaard onder 1 ten aanzien van parketnummer18-284068-24.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 14 februari 2024 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 254 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 29 februari 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 7 juli 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Nu de bewezen verklaarde feiten 1 en 3 onder parketnummer 18-284068-24 zijn begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. Gelet op hetgeen ter terechtzitting is behandeld en het lopende reclasseringstoezicht dat is gekoppeld aan deze voorwaardelijke straf en de rechtbank voortzetting van het lopende toezicht -ook na de detentieperiode- wenselijk acht, ziet de rechtbank aanleiding om de vordering af te wijzen. Het bestaande reclasseringstoezicht kan daarmee worden gecontinueerd.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en
de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft het onder 2 ten laste gelegde met betrekking tot parketnummer 18-284068-24;
Verklaart de officier van justitie partieel niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder parketnummer 18-284068-24 onder 1 ten laste gelegde, voor zover de tenlastelegging ziet op cocaïnehandel in de periode 18 juni 2022 tot en met 23 april 2023;
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18-284068-24 onder 4 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;
Verklaart het onder parketnummer 18-284068-24 onder 1 en 3 ten laste gelegde en het onder parketnummers 18-316612-23 en 18-111609-24 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen en nog niet teruggegeven goed, te weten:
- 370 EUR (omschrijving: PL0100-2024241467-G1751107);
- 1670 EUR (omschrijving: PL0100-2024241467-G1751428).
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
18-107511-23:
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 14 februari 2024.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Baluah, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. N.J. Aarts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 augustus 2026.
Mr. R. Baluah is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. ECLI:NL:HR:2000:AA7309.
2 ECLI:NLPHR:2025:267.
3 Kamerstukken II 1913/14, 286, nr.3, p. 86.