Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3434
2026-07-23
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
11985900 bu verz 25-2451
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wahv. Een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone)). Dat verderop aan het Eemskanaal aan de rechterkant aan de waterzijde een einde betaald parkeren zone bord staat geplaatst, maakt niet dat het parkeerverbod aan de linkerkant van het Eemskanaal geen gelding meer heeft. Het parkeerverbod wordt hiermee niet opgeheven. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat er pas sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel als zonder geldige reden ten nadele van de betrokkene wordt afgeweken van geldende beleid. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hier sprake van is. Beroep ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326 Gerechtshof Leeuwarden 08-10-2003
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.037 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 271768292
zaaknummer: 11985900 BU VERZ 25-2451
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 23 juli 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats].
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone))’, verricht op 22 januari 2025, om 15:21 uur, op het Eemskanaal in Groningen, met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 23 juli 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. R.A. van der Velde.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Zij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom zij dat doet.
Standpunten
2. Betrokkene geeft aan dat er in januari 2025 extra streng is gecontroleerd in het gebied waar hij bekeurd is. Enkele maanden later wordt er niet meer in deze straat gecontroleerd, omdat de gemeente Groningen en de handhavers niet met zekerheid kunnen vaststellen of parkeren op de zijde waar betrokkene stond is toegestaan. Deze informatie heeft betrokkene telefonisch ontvangen en in persoonlijke gesprekken met handhavers die in deze straat fietsten. Betrokkene voert aan dat hij al 1,5 jaar op een antwoord op zijn vragen van de gemeente Groningen afdeling Parkeerbeleid wacht, maar dat hij maar geen terugkoppeling krijgt. Daarnaast heeft betrokkene 23 bestuurders gevraagd of zij wisten dat er bekeurd werd. Allen gaven aan hier al maanden of jaren hun auto te parkeren zonder ooit beboet te zijn. Op de zitting heeft betrokkene aangevoerd dat zijn collega’s aan hem vertelde dat het een vrije zone is waar geparkeerd mag worden. Betrokkene voert aan dat de borden verkeerd of onzichtbaar zijn geplaatst, wat voor onduidelijkheid zorgt. Ook staan er auto’s geparkeerd op grasvelden en bij in- en uitgangen van bouwverkeer, terwijl hier niet voor wordt bekeurd. Dit alles maakt naar het oordeel van betrokkene dat de situatie ter plaatse heel onduidelijk is en dat er, als er daadwerkelijk een parkeerverbod geldt, er consequent op gecontroleerd moet worden. Door betrokkene zijn op de zitting verschillende foto’s van de situatie ter plaatse overgelegd.
3. Door de vertegenwoordigster is aangevoerd dat zij het standpunt van de officier van justitie wil handhaven. Zij heeft de kantonrechter verzocht het beroep ongegrond te verklaren.
Overwegingen
4. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.
4.1.
Uit de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht blijkt dat het bord E1 ingevolge het RVV 1990 is geplaatst aan de zijde van de weg waar het voertuig van betrokkene stond geparkeerd. De verbalisant verklaart dat bij het constateren van het feit werd vastgesteld dat er gedurende een tijd ongeveer tien minuten geen activiteit met betrekking tot het voertuig plaatsvond, zodat er geen sprake was van onmiddellijk laden of lossen van goederen, dan wel het in of uit laten stappen van personen. De tekst/aanduiding op het (onder)bord luidde: ma t/m vr 9-18h. De verbalisant verklaart geen voor dat gebied geldige ontheffing te hebben waargenomen. Naast de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht, bevat het dossier vier foto’s van de gedraging, waarop het voertuig van betrokkene met kenteken [kenteken] zichtbaar is.
4.2.
In hetgeen door betrokkene is aangevoerd, ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Het verweer dat de situatie ter plaatse onduidelijk is waardoor betrokkene in de veronderstelling was dat hij zich niet in een parkeerverbod bevond en hij daardoor op de onderhavige plek mocht parkeren, volgt de kantonrechter niet. Op Google Maps is te zien dat aan de linkerkant van het Eemskanaal, ter hoogte van de zijstraat naar links naar het Balgat, een duidelijk bord E1 staat geplaatst met het onderbord “ma t/m vr 9-18h”. Het bord E1 heeft enkel gelding aan de kant van de weg waar het bord staat geplaatst. Het voertuig van betrokkene stond geparkeerd ná het bord E1, aan de linkerkant van het Eemskanaal, tegenover de waterkant. Gelet op vorenstaande bevond het voertuig van betrokkene zich binnen het parkeerverbod. Dat verderop aan het Eemskanaal aan de rechterkant aan de waterzijde een einde betaald parkeren zone bord staat geplaatst, maakt niet dat het parkeerverbod aan de linkerkant van het Eemskanaal geen gelding meer heeft. Het parkeerverbod wordt hiermee niet opgeheven. De kantonrechter overweegt dat de verbalisant fysiek ter plaatse was, het bord E1 heeft waargenomen en hij dit bord heeft gecontroleerd op deugdelijkheid. Alhoewel de kantonrechter begrip heeft voor de moeite die betrokkene heeft gestoken in het om opheldering vragen bij de gemeente, is de kantonrechter van oordeel dat de bebording voldoende duidelijk is geplaatst op de pleeglocatie, waardoor betrokkene op de hoogte had moeten en kunnen zijn van het parkeerverbod.
4.3.
Ten aanzien van het verweer dat andere voertuigen op de betreffende plek een lange periode hebben gestaan en nooit zijn beboet, overweegt de kantonrechter dat het de discretionaire bevoegdheid van de verbalisant is om in concrete gevallen naar aanleiding van een gebleken gedraging een boete op te leggen of daarvan af te zien. Dat andere voertuigen niet beboet zijn, betekent niet dat de betrokkene in dit geval, waarin vaststaat dat de gedraging is verricht, van een boete gevrijwaard zou moeten blijven. Ten aanzien van het verweer van betrokkene dat er consequent gecontroleerd moet worden door de handhaving, overweegt de kantonrechter dat betrokkene zich hiertoe dient te richten tot de gemeente. De kantonrechter overweegt tot slot dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat er pas sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel als zonder geldige reden ten nadele van de betrokkene wordt afgeweken van geldende beleid. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hier sprake van is.
4.4.
Alles overwegende is de kantonrechter van oordeel dat de boete terecht is opgelegd en ziet in de door betrokkene aangevoerde omstandigheden geen aanleiding de boete te matigen dan wel op nihil te stellen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Conclusie
De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Waarvan proces-verbaal,
R. de Hoop, griffier mr. V.A.G. van Dijk, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.
Vgl. Hof Leeuwarden 8 oktober 2003, ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 271768292
zaaknummer: 11985900 BU VERZ 25-2451
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 23 juli 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats].
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone))’, verricht op 22 januari 2025, om 15:21 uur, op het Eemskanaal in Groningen, met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 23 juli 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. R.A. van der Velde.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Zij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom zij dat doet.
Standpunten
2. Betrokkene geeft aan dat er in januari 2025 extra streng is gecontroleerd in het gebied waar hij bekeurd is. Enkele maanden later wordt er niet meer in deze straat gecontroleerd, omdat de gemeente Groningen en de handhavers niet met zekerheid kunnen vaststellen of parkeren op de zijde waar betrokkene stond is toegestaan. Deze informatie heeft betrokkene telefonisch ontvangen en in persoonlijke gesprekken met handhavers die in deze straat fietsten. Betrokkene voert aan dat hij al 1,5 jaar op een antwoord op zijn vragen van de gemeente Groningen afdeling Parkeerbeleid wacht, maar dat hij maar geen terugkoppeling krijgt. Daarnaast heeft betrokkene 23 bestuurders gevraagd of zij wisten dat er bekeurd werd. Allen gaven aan hier al maanden of jaren hun auto te parkeren zonder ooit beboet te zijn. Op de zitting heeft betrokkene aangevoerd dat zijn collega’s aan hem vertelde dat het een vrije zone is waar geparkeerd mag worden. Betrokkene voert aan dat de borden verkeerd of onzichtbaar zijn geplaatst, wat voor onduidelijkheid zorgt. Ook staan er auto’s geparkeerd op grasvelden en bij in- en uitgangen van bouwverkeer, terwijl hier niet voor wordt bekeurd. Dit alles maakt naar het oordeel van betrokkene dat de situatie ter plaatse heel onduidelijk is en dat er, als er daadwerkelijk een parkeerverbod geldt, er consequent op gecontroleerd moet worden. Door betrokkene zijn op de zitting verschillende foto’s van de situatie ter plaatse overgelegd.
3. Door de vertegenwoordigster is aangevoerd dat zij het standpunt van de officier van justitie wil handhaven. Zij heeft de kantonrechter verzocht het beroep ongegrond te verklaren.
Overwegingen
4. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.
4.1.
Uit de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht blijkt dat het bord E1 ingevolge het RVV 1990 is geplaatst aan de zijde van de weg waar het voertuig van betrokkene stond geparkeerd. De verbalisant verklaart dat bij het constateren van het feit werd vastgesteld dat er gedurende een tijd ongeveer tien minuten geen activiteit met betrekking tot het voertuig plaatsvond, zodat er geen sprake was van onmiddellijk laden of lossen van goederen, dan wel het in of uit laten stappen van personen. De tekst/aanduiding op het (onder)bord luidde: ma t/m vr 9-18h. De verbalisant verklaart geen voor dat gebied geldige ontheffing te hebben waargenomen. Naast de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht, bevat het dossier vier foto’s van de gedraging, waarop het voertuig van betrokkene met kenteken [kenteken] zichtbaar is.
4.2.
In hetgeen door betrokkene is aangevoerd, ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Het verweer dat de situatie ter plaatse onduidelijk is waardoor betrokkene in de veronderstelling was dat hij zich niet in een parkeerverbod bevond en hij daardoor op de onderhavige plek mocht parkeren, volgt de kantonrechter niet. Op Google Maps is te zien dat aan de linkerkant van het Eemskanaal, ter hoogte van de zijstraat naar links naar het Balgat, een duidelijk bord E1 staat geplaatst met het onderbord “ma t/m vr 9-18h”. Het bord E1 heeft enkel gelding aan de kant van de weg waar het bord staat geplaatst. Het voertuig van betrokkene stond geparkeerd ná het bord E1, aan de linkerkant van het Eemskanaal, tegenover de waterkant. Gelet op vorenstaande bevond het voertuig van betrokkene zich binnen het parkeerverbod. Dat verderop aan het Eemskanaal aan de rechterkant aan de waterzijde een einde betaald parkeren zone bord staat geplaatst, maakt niet dat het parkeerverbod aan de linkerkant van het Eemskanaal geen gelding meer heeft. Het parkeerverbod wordt hiermee niet opgeheven. De kantonrechter overweegt dat de verbalisant fysiek ter plaatse was, het bord E1 heeft waargenomen en hij dit bord heeft gecontroleerd op deugdelijkheid. Alhoewel de kantonrechter begrip heeft voor de moeite die betrokkene heeft gestoken in het om opheldering vragen bij de gemeente, is de kantonrechter van oordeel dat de bebording voldoende duidelijk is geplaatst op de pleeglocatie, waardoor betrokkene op de hoogte had moeten en kunnen zijn van het parkeerverbod.
4.3.
Ten aanzien van het verweer dat andere voertuigen op de betreffende plek een lange periode hebben gestaan en nooit zijn beboet, overweegt de kantonrechter dat het de discretionaire bevoegdheid van de verbalisant is om in concrete gevallen naar aanleiding van een gebleken gedraging een boete op te leggen of daarvan af te zien. Dat andere voertuigen niet beboet zijn, betekent niet dat de betrokkene in dit geval, waarin vaststaat dat de gedraging is verricht, van een boete gevrijwaard zou moeten blijven. Ten aanzien van het verweer van betrokkene dat er consequent gecontroleerd moet worden door de handhaving, overweegt de kantonrechter dat betrokkene zich hiertoe dient te richten tot de gemeente. De kantonrechter overweegt tot slot dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat er pas sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel als zonder geldige reden ten nadele van de betrokkene wordt afgeweken van geldende beleid. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hier sprake van is.
4.4.
Alles overwegende is de kantonrechter van oordeel dat de boete terecht is opgelegd en ziet in de door betrokkene aangevoerde omstandigheden geen aanleiding de boete te matigen dan wel op nihil te stellen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Conclusie
De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Waarvan proces-verbaal,
R. de Hoop, griffier mr. V.A.G. van Dijk, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.
Vgl. Hof Leeuwarden 8 oktober 2003, ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326.