Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3403
2026-08-07
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
LEE 25/2911
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
PW - het college mocht een bedrag van eisers terugvorderen omdat zij achteraf bedragen aan loonheffing hebben ontvangen van de Belastingdienst - het college heeft door een ongelukkige fout in het geautomatiseerd systeem de volledige loonheffing afgedragen - eisers hebben uiteindelijke precies gekregen waar zij recht op hadden - bijstand is een netto uitkering - de gemeente heeft recht op de teruggave van de teveel betaalde belasting -het college heeft het terugvorderingsbesluit dan ook in redelijkheid met toepassing van de PW genomen - het beroep is ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2020:1537 Centrale Raad van Beroep 21-07-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.076 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2911
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
1. [eiser]eiser) en
2. [eiseres]eiseres),
beiden uit [woonplaats] ,
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. J.D. Nijenhuis),
en
het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen, het college
(gemachtigde: B. Wiersma).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van bijstand van eisers over het jaar 2023. Zij hebben over dat jaar van de Belastingdienst een bedrag van € 6.143,00 teruggekregen. Eisers zijn het met die terugvordering niet eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de terugvordering in stand kan blijven. Eisers krijgen daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond.
Totstandkoming van het besluit en procesverloop
2. Eisers krijgen bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een echtpaar. Ook kregen zij, naast hun studiefinanciering, aanvullende bijzondere bijstand van € 120,38 per maand voor de meerkosten van levensonderhoud. Vanaf 1 augustus 2023 kregen eisers een bedrag van netto € 1.738,02 bijstand per maand. Daarop is het normbedrag voor studiefinanciering van € 950,59 gekort.
2.1.
Op 2 oktober 2024 hebben eisers op verzoek van het college hun belastingaanslag over 2023 ingeleverd. Daaruit blijkt dat over dat jaar eiser een bedrag van € 3.072,00 en eiseres een bedrag van € 3.071,00 terug hebben gekregen, omdat het college de algemene heffingskorting niet heeft toegepast maar de volledige loonheffing aan de Belastingdienst heeft afgedragen.
2.2.
Met het besluit van 9 oktober 2024 heeft het college over het jaar 2023 een bedrag
aan bijstand van € 6.143,00 (onbelast) van eisers teruggevorderd; dat heeft het gedaan met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW. Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.3.
Met het besluit van 1 juli 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
2.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers (per telefoon) en de gemachtigde van het college.
Standpunten van partijen
3. Eisers voeren aan dat niet duidelijk is waarom zij over bijna het hele jaar 2022 en het gehele jaar 2023 een aanvullende uitkering kregen naast de studiefinanciering. Verder heeft het college het de ene keer over de ‘algemene heffingskorting’ en de andere keer over de ‘loonheffingskorting’. Het kan heel wel zijn dat eisers uiteindelijk precies hebben gekregen waar zij recht op hadden; maar dan moet college met een duidelijke berekening komen en ook met een duidelijke uitleg over de fout die is gemaakt in het uitkerings-systeem. Ook is van belang waarom die fout voor rekening van eisers moet komen. Onduidelijk is ten slotte hoe eisers over de fout en de gevolgen daarvan zijn ingelicht; dat had het college moeten doen met een uitnodiging voor een gesprek en met een beëdigd tolk.
4. Het college stelt dat het ten onrechte de volledige loonheffing heeft afgedragen aan de Belastingdienst. Omdat eisers naast hun bijstand in 2023 gedurende vijf maanden studiefinanciering hebben ontvangen waarover geen belasting is verschuldigd, had de gemeente over 2023 namelijk de volledige loonheffingskorting toe moeten passen. Eisers hebben daarvan geen nadeel ondervonden; zij hebben aan uitkering netto ontvangen waarop zij recht hadden.
Beoordeling door de rechtbank
Wat moet de rechtbank beoordelen?
5. De rechtbank moet beoordelen of het college een bedrag van € 6.143,00 van eisers heeft mogen terugvorderen. De bepalingen die voor deze zaak van belang zijn, staan in de bijlage.
Wat vindt de rechtbank?
6. Nu eisers achteraf bedragen hebben ontvangen van de Belastingdienst, was het
college op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW bevoegd om die bedragen van hen terug te vorderen. Die teruggave gaat over de loonheffing over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 waarover eisers bijstand hebben ontvangen. Deze methode van terugvorderen klopt met de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
6.1.
Door het toekennen van aanvullende bijzondere bijstand is het inkomen van eisers
opgehoogd naar de bijstandsnorm voor een gezin met twee partners. Die aanvullende bijzondere bijstand was bedoeld voor het levensonderhoud en daarop werd ook loonheffing toegepast. Door deze bijzondere situatie, zo heeft het college op de zitting uitgelegd, is er in het geautomatiseerde systeem van de gemeente iets mis gegaan, waardoor de volledige loonheffing is afgedragen. Over de begrippen ‘algemene heffingskorting’ en ‘loonhef-fingskorting’ heeft het college in het verweerschrift uitgelegd dat die begrippen dezelfde zijn. De inkomensconsulent heeft een aantal keren geprobeerd om eisers te bellen om de terugvordering te bespreken, maar zij namen niet op. Ook is meerdere keren door iemand van Vluchtelingenwerk Nederland, die eisers heeft geholpen bij het doen van de belastingaangifte, aangegeven dat het terugontvangen bedrag naar de gemeente moet. De inkomensconsulent heeft voor de zekerheid nog een mail naar eisers gestuurd. Dat betekent dat eisers al met al voldoende zijn geïnformeerd; een gesprek met een tolk was niet nodig.
6.2.
Eisers zijn niets tekortgekomen: het klopt immers dat zij uiteindelijk precies hebben gekregen waar zij recht op hadden. Voldoende duidelijk is hoe de fout van de gemeente is ontstaan; in plaats van de hele loonheffing aan de belasting af te dragen, had zij, omdat eisers naast hun bijstand in 2023 gedurende vijf maanden een onbelaste studiefinanciering hadden, de volledige loonheffingskorting toe moeten passen. Dat is door een ongelukkige fout in het geautomatiseerde systeem niet goed gegaan. De bijstand is een netto uitkering. De afdracht van de belasting door het college is buiten eisers omgegaan. De gemeente heeft recht op de teruggave van de teveel betaalde belasting. Het college heeft het terugvorderingsbesluit dan ook in redelijkheid met toepassing van de PW (zie onder 6) genomen. Het beroep slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Eisers krijgen dan ook het griffiegeld niet terug en krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Participatiewet (PW)
Artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de PW bepaalt dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Artikel 32, eerste lid, van de PW bepaalt dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze een (voorlopige) teruggave van inkomstenbelasting betreffen en betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Terugvordering van bijstand op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW in verband met naderhand verkregen middelen door de bijstandverlenende instantie is mogelijk als de betrokkene op een eerder tijdstip in de periode waarover bijstand is verleend, aanspraak op bepaalde middelen had maar daarover op dat moment feitelijk nog niet kon beschikken. Zodra de betrokkene wel over die middelen kan beschikken, kan de bijstandverlenende instantie tot terugvordering van de bijstand overgaan vanaf de datum dat de aanspraak is ontstaan. Dat achteraf rekening wordt gehouden met ontvangen middelen, is eigen aan het aanvullende karakter van bijstand op grond van de PW.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1537.
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2911
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
1. [eiser]eiser) en
2. [eiseres]eiseres),
beiden uit [woonplaats] ,
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. J.D. Nijenhuis),
en
het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen, het college
(gemachtigde: B. Wiersma).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van bijstand van eisers over het jaar 2023. Zij hebben over dat jaar van de Belastingdienst een bedrag van € 6.143,00 teruggekregen. Eisers zijn het met die terugvordering niet eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de terugvordering in stand kan blijven. Eisers krijgen daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond.
Totstandkoming van het besluit en procesverloop
2. Eisers krijgen bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een echtpaar. Ook kregen zij, naast hun studiefinanciering, aanvullende bijzondere bijstand van € 120,38 per maand voor de meerkosten van levensonderhoud. Vanaf 1 augustus 2023 kregen eisers een bedrag van netto € 1.738,02 bijstand per maand. Daarop is het normbedrag voor studiefinanciering van € 950,59 gekort.
2.1.
Op 2 oktober 2024 hebben eisers op verzoek van het college hun belastingaanslag over 2023 ingeleverd. Daaruit blijkt dat over dat jaar eiser een bedrag van € 3.072,00 en eiseres een bedrag van € 3.071,00 terug hebben gekregen, omdat het college de algemene heffingskorting niet heeft toegepast maar de volledige loonheffing aan de Belastingdienst heeft afgedragen.
2.2.
Met het besluit van 9 oktober 2024 heeft het college over het jaar 2023 een bedrag
aan bijstand van € 6.143,00 (onbelast) van eisers teruggevorderd; dat heeft het gedaan met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW. Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.3.
Met het besluit van 1 juli 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
2.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers (per telefoon) en de gemachtigde van het college.
Standpunten van partijen
3. Eisers voeren aan dat niet duidelijk is waarom zij over bijna het hele jaar 2022 en het gehele jaar 2023 een aanvullende uitkering kregen naast de studiefinanciering. Verder heeft het college het de ene keer over de ‘algemene heffingskorting’ en de andere keer over de ‘loonheffingskorting’. Het kan heel wel zijn dat eisers uiteindelijk precies hebben gekregen waar zij recht op hadden; maar dan moet college met een duidelijke berekening komen en ook met een duidelijke uitleg over de fout die is gemaakt in het uitkerings-systeem. Ook is van belang waarom die fout voor rekening van eisers moet komen. Onduidelijk is ten slotte hoe eisers over de fout en de gevolgen daarvan zijn ingelicht; dat had het college moeten doen met een uitnodiging voor een gesprek en met een beëdigd tolk.
4. Het college stelt dat het ten onrechte de volledige loonheffing heeft afgedragen aan de Belastingdienst. Omdat eisers naast hun bijstand in 2023 gedurende vijf maanden studiefinanciering hebben ontvangen waarover geen belasting is verschuldigd, had de gemeente over 2023 namelijk de volledige loonheffingskorting toe moeten passen. Eisers hebben daarvan geen nadeel ondervonden; zij hebben aan uitkering netto ontvangen waarop zij recht hadden.
Beoordeling door de rechtbank
Wat moet de rechtbank beoordelen?
5. De rechtbank moet beoordelen of het college een bedrag van € 6.143,00 van eisers heeft mogen terugvorderen. De bepalingen die voor deze zaak van belang zijn, staan in de bijlage.
Wat vindt de rechtbank?
6. Nu eisers achteraf bedragen hebben ontvangen van de Belastingdienst, was het
college op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW bevoegd om die bedragen van hen terug te vorderen. Die teruggave gaat over de loonheffing over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 waarover eisers bijstand hebben ontvangen. Deze methode van terugvorderen klopt met de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
6.1.
Door het toekennen van aanvullende bijzondere bijstand is het inkomen van eisers
opgehoogd naar de bijstandsnorm voor een gezin met twee partners. Die aanvullende bijzondere bijstand was bedoeld voor het levensonderhoud en daarop werd ook loonheffing toegepast. Door deze bijzondere situatie, zo heeft het college op de zitting uitgelegd, is er in het geautomatiseerde systeem van de gemeente iets mis gegaan, waardoor de volledige loonheffing is afgedragen. Over de begrippen ‘algemene heffingskorting’ en ‘loonhef-fingskorting’ heeft het college in het verweerschrift uitgelegd dat die begrippen dezelfde zijn. De inkomensconsulent heeft een aantal keren geprobeerd om eisers te bellen om de terugvordering te bespreken, maar zij namen niet op. Ook is meerdere keren door iemand van Vluchtelingenwerk Nederland, die eisers heeft geholpen bij het doen van de belastingaangifte, aangegeven dat het terugontvangen bedrag naar de gemeente moet. De inkomensconsulent heeft voor de zekerheid nog een mail naar eisers gestuurd. Dat betekent dat eisers al met al voldoende zijn geïnformeerd; een gesprek met een tolk was niet nodig.
6.2.
Eisers zijn niets tekortgekomen: het klopt immers dat zij uiteindelijk precies hebben gekregen waar zij recht op hadden. Voldoende duidelijk is hoe de fout van de gemeente is ontstaan; in plaats van de hele loonheffing aan de belasting af te dragen, had zij, omdat eisers naast hun bijstand in 2023 gedurende vijf maanden een onbelaste studiefinanciering hadden, de volledige loonheffingskorting toe moeten passen. Dat is door een ongelukkige fout in het geautomatiseerde systeem niet goed gegaan. De bijstand is een netto uitkering. De afdracht van de belasting door het college is buiten eisers omgegaan. De gemeente heeft recht op de teruggave van de teveel betaalde belasting. Het college heeft het terugvorderingsbesluit dan ook in redelijkheid met toepassing van de PW (zie onder 6) genomen. Het beroep slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Eisers krijgen dan ook het griffiegeld niet terug en krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Participatiewet (PW)
Artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de PW bepaalt dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Artikel 32, eerste lid, van de PW bepaalt dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze een (voorlopige) teruggave van inkomstenbelasting betreffen en betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Terugvordering van bijstand op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW in verband met naderhand verkregen middelen door de bijstandverlenende instantie is mogelijk als de betrokkene op een eerder tijdstip in de periode waarover bijstand is verleend, aanspraak op bepaalde middelen had maar daarover op dat moment feitelijk nog niet kon beschikken. Zodra de betrokkene wel over die middelen kan beschikken, kan de bijstandverlenende instantie tot terugvordering van de bijstand overgaan vanaf de datum dat de aanspraak is ontstaan. Dat achteraf rekening wordt gehouden met ontvangen middelen, is eigen aan het aanvullende karakter van bijstand op grond van de PW.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1537.