Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3400

2026-08-07 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht LEE 25/2910
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-07
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
LEE 25/2910
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

PW - de rechtbank oordeelt dat het college terecht de bijstandsuitkering van eisers met 100% heeft verlaagd gedurende de maanden december 2024 en januari 2025 - de rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat zij wat de gemeente heeft gezegd anders hebben beleefd omdat er bij geen enkel gesprek een tolk aanwezig is geweest - nergens blijkt uit dat eiser tijdens de eerdere gesprekken niet heeft begrepen wat tegen hem is gezegd - het college heeft voldoende rekening gehouden met de handicaps van eiser - van een onheuse bejegening van het college richting eisers is niet gebleken - de aan eisers opgelegde maatregel is evenredig - eisers kunnen geen beroep doen op dringende redenen - het beroep is ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.194 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Leeuwarden



Bestuursrecht



zaaknummer: LEE 25/2910

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen


1. [eiser] eiser) en

2. [eiseres] eiseres),

beiden uit [woonplaats] ,
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. J.D. Nijenhuis),



en


het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen, het college
(gemachtigde: B. Wiersma).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over een maatregel van 100% over december 2024 en januari 2025 die het college op grond van de Participatiewet (PW) aan eisers heeft opgelegd. Zij zijn het hier niet mee eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de maatregel terecht heeft opgelegd. Eisers krijgen daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond.




Totstandkoming van het besluit en procesverloop


2. Eisers krijgen bijstand naar de norm voor een echtpaar. Met een besluit van 30 mei
2024 heeft het college hun een maatregel van 100% opgelegd over de maand juni 2024, omdat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn verplichtingen om voldoende mee te werken aan een voorziening voor zijn traject naar werk. Met een besluit van 19 december 2024 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 juli 2025 heeft deze rechtbank het beroep van eisers ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben eisers geen hoger beroep ingesteld.



2.1.
Op 18 juli 2024 heeft een gesprek met eiser plaatsgevonden over de inhoud van een nieuw plan van aanpak en over zijn sollicitaties sinds 1 mei 2024. In dat gesprek heeft het college met eiser meerdere afspraken gemaakt, waaronder dat van eiser wordt verwacht dat hij intensief solliciteert; tot 1 september 2024 krijgt hij de tijd om fulltime werk te vinden, waarna hij op een intensief traject naar werk wordt geplaatst.



2.2.
Het college heeft eiser vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 16 september 2024 om zijn sollicitaties door te spreken. Zijn intensieve traject naar werk zal starten per 17 september 2024 en hij krijgt een werkstage voor 4,5 dagen per week; daarnaast moet hij actief solliciteren. Eiser heeft toen gezegd dat hij het niet eens is met het intensieve traject en dat hij twee dagen wil werken in plaats van 4,5 dagen per week. Eiser is op 18 september 2024 uitgenodigd bij de kringloopwinkel [naam kringloopwinkel] in [woonplaats] . Nadat hij het college heeft laten weten dat hij niet zou komen op de afspraak vanwege een andere afspraak, is hij uitgenodigd voor een nieuw startgesprek op 19 september 2024 bij [naam kringloopwinkel] . Daarbij heeft het college eiser erop gewezen dat, als hij zich zonder geldige reden niet aan de afspraken houdt, hij dan in de maanden oktober en november 2024 een maatregel van 100% opgelegd kan krijgen.



2.3.
In een brief van het college van 25 september 2024 staat dat eiser - tegen de afspraken in - een hele dag zonder zich af te melden afwezig was bij [naam kringloopwinkel] en dat hij geen goede inzet heeft laten zien in het werk. Eiser heeft een laatste kans gekregen. Ook wordt van hem verwacht dat hij de gemiste dagen gaat inhalen. Op 4 oktober 2024 heeft het college hem bevestigd dat de afspraken uit het plan van aanpak nog steeds gelden.



2.4.
Op 10 oktober 2024 heeft het college eisers bericht dat het voornemen bestaat om hun uitkering met 100% te verlagen over de periode van 1 november 2024 tot en met 31 december 2024, omdat eiser zich niet aan zijn plichten heeft gehouden. Eiser is daarbij uitgenodigd voor een gesprek op 16 oktober 2024. Op 10 en 14 oktober 2024 heeft hij zijn zienswijze gegeven. Hij is zonder opgaaf van reden niet verschenen op de afspraak van 16 oktober 2024.



2.5.
Met zijn besluit van 22 november 2024 heeft het college de bijstand van eisers met 100% verlaagd over december 2024 en januari 2025. Zij hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met zijn besluit van 1 juli 2025 (bestreden besluit) heeft het college dat bezwaar ongegrond verklaard.



2.6.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.



2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers (via de telefoon) en de gemachtigde van het college.




Standpunten van partijen

3. Eisers voeren aan dat wat de gemeente zegt anders door hen wordt beleefd. Dat kan komen omdat bij geen enkel gesprek een tolk aanwezig is geweest, terwijl dat wel nodig was. Verder worden eisers handicaps en de beperkingen die deze met zich brengen door het college niet serieus genomen. Het college moet ook kijken naar de inspanning die eiser levert om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Het is aan hem om eiser daarbij te ondersteunen. Verder is de maatregel veel te ingrijpend voor het gezin. Eisers vinden dat een verwijzing naar de Toeslagenaffaire daartoe niet noodzakelijk hoeven zijn, zeker niet voor een gemeentelijke sociale dienst.

4. Het college vindt dat eiser zich onvoldoende houdt aan de afspraken uit het plan van aanpak. Daarnaast is hij meerdere keren zonder tegenbericht niet verschenen op afspraken. Verder heeft hij zijn gezondheidsklachten niet nader onderbouwd met medische informatie. Niet gebleken dat bij de gesprekken een tolk nodig was. Ook zijn de gevolgen van de maatregel niet onevenredig voor eisers. Er is volgens het college voldoende rekening gehouden met die gevolgen.



Beoordeling door de rechtbank



Wat moet de rechtbank beoordelen?



5. De rechtbank moet beoordelen of het college terecht de bijstandsuitkering van eisers met 100% heeft verlaagd gedurende de maanden december 2024 en januari 2025. De bepalingen die voor deze zaak van belang zijn, staan in de bijlage.



Wat vindt de rechtbank?


6. Het is in beginsel aan het college om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan. Dit betekent in dit geval dat het college aannemelijk moet maken dat eiser de verplichting in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW niet of niet voldoende is nagekomen. Het opleggen van een maatregel is namelijk een voor eisers belastend besluit.


6.1.
Dat eisers wat de gemeente heeft gezegd anders hebben beleefd omdat er bij geen enkel gesprek een tolk aanwezig is geweest, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft het college gevraagd of er op 16 oktober 2024 een tolk bij het gesprek kon zijn; als dat niet kon, wilde hij zelf een tolk regelen. Het college heeft eiser gevraagd waaróm hij een tolk wilde. Eiser begrijpt de medewerker immers altijd goed en hij vraagt om verduidelijking als hem iets niet duidelijk is. Het college had tijdens het gesprek willen beoordelen of een tolk nodig was. Eiser is echter niet op het gesprek gekomen. Uit niets blijkt verder dat hij tijdens de eerdere gesprekken niet heeft begrepen wat tegen hem is gezegd. Hij heeft zich kennelijk altijd voldoende verstaanbaar kunnen maken in het Nederlands. Daarnaast heeft hij gereageerd op de brieven en mails van het college. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan te nemen dat de lezing van het college van het gedrag van eiser onjuist is: eiser heeft die in beroep, anders met het argument over de tolk, niet met concrete argumenten bestreden.



6.2.
Eisers beroepsgrond dat het college zijn handicaps en de beperkingen die daaruit voortvloeien niet serieus heeft genomen, slaagt ook niet. Het college weet inderdaad van die handicaps. Echter, niet is gebleken dat eiser wegens medische beperkingen niet aan zijn verplichtingen kon voldoen. Hij heeft namelijk wel gewerkt bij [naam kringloopwinkel] . Dat eiser ook een blessure zou hebben aan zijn voet heeft hij niet met een medisch stuk onderbouwd. Het college wijst er terecht op dat eiser normale schoenen draagt en dat niet valt in te zien waarom hij geen veiligheidsschoenen zou kunnen dragen bij [naam kringloopwinkel] .



6.3.
Ook heeft eiser zijn beroepsgrond over de bejegening door het college niet onderbouwd. Er zijn wel stevige gesprekken tussen college en eiser geweest omdat het college vond dat eiser zijn verplichtingen niet voldoende nakwam, maar dat het eiser daarbij onheus heeft bejegend, ziet de rechtbank in de stukken niet terug.



6.4.
Als eiser verder aanvoert dat moet worden gekeken naar de inspanning die hij levert en niet of hij alles volgens de regels doet, ziet hij over het hoofd dat aan de verlening van bijstand verplichtingen zijn verbonden waaraan hij zich moet houden. Het college heeft eiser meerdere kansen gegeven om aan die verplichtingen te voldoen. Hij gaat echter kennelijk zijn eigen gang. Hij was een aantal dagen zonder een geldige reden afwezig bij [naam kringloopwinkel] , kwam daar te laat of vertrok zonder dit af te stemmen. Ook toonde eiser weinig inzet op zijn werk en had hij geen juiste werkhouding. Eiser heeft, zoals boven al overwogen, deze feiten niet met concrete gegevens bestreden, afgezien van de opmerking dat zijn beleving een andere was. Aan eisers is bovendien eerder een maatregel van 100% opgelegd over de maand juni 2024, zodat eiser een gewaarschuwd man was.



6.5.
Eiser doet met zoveel woorden een beroep op het evenredigheidsbeginsel, dat in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht staat. De maatregel is volgens hem veel te ingrijpend voor zijn gezin, nu de bijstand net genoeg is om het hoofd boven water te houden. Ook dit beroep slaagt niet. Natuurlijk begrijpt de rechtbank dat deze maatregel voor eisers gezin een zware sanctie is, maar gezien al het vorenstaande over het gedrag van eiser vindt zij de maatregel evenredig.



6.6.
Eisers kunnen ten slotte geen beroep doen op dringende redenen, als bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de PW die moeten leiden tot het afzien of matigen van de maatregel. Het college heeft terecht overwogen dat die dringende redenen er niet zijn. Eisers hebben niet gesteld dat zij schulden of betalingsachterstanden hebben. Een verwijzing naar de Toeslagenaffaire zou misplaatst zijn. Verder wijst het college er terecht op dat het al eerder een maatregel van 100% aan eisers heeft opgelegd en dat eiser is gewezen op de gevolgen van het niet aanpassen van zijn gedrag. Het beroep slaagt niet.




Conclusie en gevolgen


7. De rechtbank concludeert dat het college eisers de maatregel van 100% gedurende twee maanden moest opleggen en dat ook terecht heeft gedaan. Zij zal het beroep ongegrond verklaren. Eisers krijgen dan ook het griffiegeld niet terug en krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.











griffier


rechter









Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Bijlage



Artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht:



1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.

2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.



Artikel 18 van de PW:




(…..)


4. Het college verlaagt in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichtingen:


(…..)


h. het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.


(…..)


9. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

10. Het college stemt een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.



Artikel 5 van de Afstemmings- en fraudeverordening Participatiewet en IOAW:




(…..)


2. De duur van de verlaging als bedoeld in artikel 18, lid 6 van de wet (bij herhaald
niet nakomen arbeidsverplichtingen ex artikel 18, lid 4 van de wet) binnen 12 maanden na de eerste oplegging (recidive)) is bepaald op 2 maanden.



Artikel 11 van de Afstemmings- en fraudeverordening Participatiewet en IOAW:



1. Het college ziet af van het toepassen van een verlaging ex hoofdstuk 2 en 3 indien:

a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;


(…..)


2. Het college kan afzien van een verlaging indien het daarvoor dringende redenen
aanwezig acht.


(…..)



ECLI:NL:RBNNE:2025:3171 (de uitspraak is niet gepubliceerd).



Zie uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:597