Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3398
Inhoudsindicatie
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut vergoeding voor extra kosten van juridische bijstand mocht afwijzen. Gezien de feiten en omstandigheden van dit geval is niet gebleken dat het maken van die kosten redelijk was. De rechtbank acht het niet onredelijk om het te houden bij de al toegekende vergoeding van vier uur en zes minuten. Eisers zaak over vergoeding van fysieke schade aan het pand betreft een standaardzaak, waarin de bouwkundige kant voorop stond. De rechtbank vermag niet in te zien welke extra tijd een advocaat daar nog extra ook aan had behoeven te besteden. Eiser had aan de bestuurder van de BV toestemming gegeven om als contactpersoon richting het Instituut op te treden tijdens de behandeling van zijn schadeaanvraag. Die bestuurder had dus namens eiser contact met het Instituut kunnen onderhouden. Verder mocht het Instituut betrekken dat aan eiser een zaaksbegeleider was toegewezen, die eiser enige ondersteuning tijdens de aanvraagfase kon bieden. Daarnaast zijn eerder aan eiser twee overlastvergoedingen en een thuisblijfvergoeding toegekend. Daarmee is eiser al in enige mate gecompenseerd voor moeite en tijd die hij in de behandeling van zijn schadeaanvraag heeft moeten steken, waaronder basaal administratief werk. Beroep ongegrond verklaard.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2015:586 Hoge Raad 13-03-2015
- ECLI:NL:HR:2013:2102 Hoge Raad 20-12-2013
- ECLI:NL:HR:2022:272 Hoge Raad 18-02-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.176 tekens)
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/3244
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. N. Jahanyar),
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
(gemachtigden: mr. A.H. Beijer en mr. B.P. van der Togt).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van vergoeding van bijkomende kosten voor juridische bijstand. Eiser is het niet eens met die gedeeltelijke afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut vergoeding voor bepaalde bijkomende kosten voor juridische bijstand mocht afwijzen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor vergoeding van bijkomende kosten. Het Instituut heeft met het besluit van 30 maart 2025 aan eiser een vergoeding toegekend van € 1.209,50 en de overige door eiser gevraagde kosten afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij de afwijzing van bepaalde kosten gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het Instituut.
Beoordeling door de rechtbank
Wat zijn de relevante feiten en omstandigheden voor deze zaak?
3. Eiser is mede-eigenaar van het pand [adres] (het pand). [De BV] (de BV) is ook mede-eigenaar van het pand. De BV wordt bestuurd door [persoon] (de bestuurder van de BV).
4. In het besluit van 10 september 2024 heeft het Instituut aan eiser een schadevergoeding toegekend voor fysieke schade aan het pand. Die schadevergoeding bedraagt € 18.364,72. Dat bedrag is inclusief een overlastvergoeding van € 600,-, een aanvullende overlastvergoeding van € 300,-, een thuisblijfvergoeding tijdens opname van € 330,- en wettelijke rente van € 1.313,48. Dat besluit is genomen op basis van het adviesrapport van deskundige M. Durville van 15 mei 2024 (het adviesrapport).
5. Op 29 november 2024 heeft de gemachtigde van eiser een aanvraag ingediend voor vergoeding van bijkomende kosten van in totaal € 5.162,47. Die bijkomende kosten bestaan uit het honorarium van die gemachtigde voor 17,5 uur á € 230,- per uur en kantoorkosten van die gemachtigde van 6%, inclusief 21% btw.
6. In het besluit van 30 maart 2025 heeft het Instituut aan eiser een vergoeding van in totaal € 1.209,50 toegekend. Die vergoeding is toegekend voor kosten die verband houden met het bestuderen van het adviesrapport en het bespreken van het adviesrapport met eiser tot het moment dat een reactie op het adviesrapport aan het Instituut was doorgegeven. Die vergoeding bestaat uit het honorarium van eisers gemachtigde van vier uur en zes minuten in de periode van 15 mei 2024 tot en met 17 juli 2024 á € 295,- per uur inclusief btw en 6% kantoorkosten. Het Instituut heeft de overige door eiser gevraagde bijkomende kosten afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
7. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft het Instituut de dubbele redelijkheidstoets toegepast?
8. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) redelijke kosten ter vaststelling van de schade mede als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van die gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd. Dit betekent niet dat de kosten onbeperkt moeten worden vergoed, maar deze zijn onderworpen aan een dubbele redelijkheidstoets. Zowel het maken van de kosten als zodanig als de omvang van de gemaakte kosten moet redelijk zijn. Of en in hoeverre aan deze eisen is voldaan, hangt af van de omstandigheden van het geval. Ook de redelijke kosten ter vaststelling van de schade als bedoeld in art. 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, van het BW kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. Bij de beantwoording van de vraag of de kosten voor vergoeding in aanmerking komen, dient te worden onderzocht of het redelijk was de kosten te maken en of de kosten redelijk zijn. Beoordeling vindt plaats naar het moment van het maken van de kosten. De benadeelde dient de feiten te stellen waaruit kan worden afgeleid dat hij schade heeft geleden. De tekst en de strekking van artikel 6:96, tweede lid, van het BW stellen geen eisen aan de wijze van berekening van de kosten.
9. Het Instituut heeft het hierboven geschetste kader vertaald in artikel 2.6 van de Procedure en werkwijze van het Instituut (Procedure en werkwijze).Was het redelijk dat de bijkomende kosten werden gemaakt?
10. Eiser betoogt dat juridische bijstand in deze zaak noodzakelijk was gezien de machtigingsproblematiek. Eiser was buiten Nederland ingeschreven en kon geen DigiD gebruiken. Volgens eiser was communicatie met het Instituut daarom onmogelijk zonder gemachtigde. Eiser acht dit een complexe zaak, omdat sprake is van een pand met meerdere onderliggende adressen en verschillende betrokken partijen. Intensieve correspondentie met het Instituut en interne afstemming waren onmisbaar voor een correcte behandeling van de aanvraag. De verhouding van eiser met de bestuurder van de BV was slecht en niet zodanig dat van een werkbare samenwerking kon worden uitgegaan. Het standpunt van het Instituut dat eiser zich tot de bestuurder van de BV had kunnen wenden, berust op een louter theoretische benadering en gaat voorbij aan de feitelijke verhoudingen in dit dossier. Daarnaast meent eiser dat de werkzaamheden van zijn gemachtigde één samenhangend geheel zijn geweest. Niet valt in te zien waarom de beoordeling en bespreking van het adviesrapport wel vergoedbaar zouden zijn en de overige werkzaamheden niet. Volgens eiser maakt het Instituut een kunstmatige knip in die werkzaamheden. Eventuele administratieve onvolkomenheden in een subtotaal van de gedeclareerde kosten maakt niet dat de inhoudelijk omschreven werkzaamheden hun noodzakelijkheid verliezen. Eiser meent dat alle kosten van zijn gemachtigde proportioneel zijn. Gelet op die omstandigheden kan het Instituut niet volstaan met algemene overwegingen over de inrichting van de procedure bij het Instituut, de aanwezigheid van een zaaksbegeleider of het bestaan van een serviceloket, aldus eiser.
10.1.
Het Instituut stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van redelijkerwijs noodzakelijk verrichte werkzaamheden voor zover het de overige werkzaamheden van eisers gemachtigde betreft. Volgens het Instituut had eiser de bestuurder van de BV in haar hoedanigheid van mede-eigenaar van het pand kunnen benaderen voor de aanvraag voor fysieke schadevergoeding en communicatie met het Instituut. Los daarvan had eiser ook zelf met het Instituut kunnen communiceren, dan wel zijn zaaksbegeleider kunnen vragen om ondersteuning. Het Instituut ziet niet in dat het eventueel ontbreken van een DigiD daaraan in de weg stond. Verder ziet het Instituut niet dat de procedure om tot een goedgekeurde machtiging te komen redelijkerwijs noodzakelijke kosten zijn die ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen. Voor wat betreft de inhoudelijke beoordeling van het adviesrapport zijn de door eisers gemachtigde in verband hiermee verrichte werkzaamheden wel vergoed. Daar komt bij dat eiser met het besluit van 10 september 2024 overlastvergoedingen heeft gekregen. Verder merkt het Instituut op dat de urenspecificaties van eisers gemachtigde beide keren niet overeenkomen met het door eisers gemachtigde gefactureerde aantal uren.
11. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Het Instituut mocht vergoeding van de thans door eiser extra gevorderde kosten van juridische bijstand afwijzen. Gezien de feiten en omstandigheden van dit geval is niet gebleken dat het maken van die kosten redelijk was. De rechtbank acht het niet onredelijk om het te houden bij een vergoeding van vier uur en zes minuten. Eisers zaak over vergoeding van fysieke schade aan het pand betreft een standaardzaak, waarin de bouwkundige kant voorop stond. De rechtbank vermag niet in te zien welke extra tijd een advocaat daar nog extra ook aan had behoeven te besteden. Zo staat vast dat naast eiser ook de bestuurder van de BV eigenaar is van het pand. Eiser had aan die bestuurder toestemming gegeven om als contactpersoon richting het Instituut op te treden tijdens de behandeling van zijn schadeaanvraag. Die bestuurder had dus namens eiser contact met het Instituut kunnen onderhouden. Het inschakelen en machtigen van een jurist was daartoe niet nodig. Eisers stelling dat geen sprake was van een werkbare samenwerking tussen hem en die bestuurder maakt die feiten niet anders. Gelet daarop kon het Instituut voorbijgaan aan de gestelde omstandigheden dat eiser buiten Nederland stond ingeschreven en geen DigiD kon krijgen. Verder mocht het Instituut betrekken dat aan eiser een zaaksbegeleider was toegewezen, die eiser enige ondersteuning tijdens de aanvraagfase kon bieden. Niet gebleken is van belemmeringen voor eiser om die zaaksbegeleider te benaderen. Voorts mocht het Instituut betrekken dat eiser in het besluit van 10 september 2024 twee overlastvergoedingen en een thuisblijfvergoeding zijn toegekend. Daarmee is eiser al in enige mate gecompenseerd voor moeite en tijd die hij in de behandeling van zijn schadeaanvraag heeft moeten steken, waaronder basaal administratief werk. Dat werk hoefden redelijkerwijs niet door een jurist te worden gedaan. Los van dit alles, mocht het Instituut acht slaan op het feit dat er onvolkomenheden zitten in de urenverantwoording van eisers gemachtigde. Die gemachtigde heeft ter zitting schoorvoetend erkend dat de zes-minuten-registratie van zijn kantoor hiaten vertoonde. Dat doet twijfel rijzen over de preciesheid en juistheid van de declaratie. Die verantwoordingsfouten doen verder afbreuk aan eisers betoog dat sprake is geweest van kosten die de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan.
Heeft het Instituut gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
12. Eiser betoogt dat het Instituut heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel door zijn schikkingsvoorstel van € 3.500,- zonder enige inhoudelijke motivering af te wijzen. Dat voorstel was redelijk, aldus eiser.
12.1.
Het Instituut voert aan dat omdat alleen de kosten die in verband met de verrichte werkzaamheden ten behoeve van het deskundigenrapport zijn gemaakt voor vergoeding in aanmerking komen en de overige kosten niet, geen aanleiding bestaat om in te gaan op eisers voorstel.
13. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Zoals in overweging 11 is geoordeeld, was het Instituut niet gehouden meer kosten aan eiser te vergoeden dan in het besluit van 30 maart 2025 heeft plaatsgevonden. Aangezien eisers schikkingsvoorstel wel zag op vergoeding van meer kosten, mocht het Instituut dat verzoek afwijzen. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is in dit geval geen sprake.
Heeft het Instituut gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel?
14. Eiser betoogt dat het Instituut heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Volgens het beleid van het Instituut worden redelijke en noodzakelijke kosten voor rechtshulp vergoed. Eiser stelt dat het Instituut in vergelijkbare gevallen volledige vergoedingen heeft toegekend. In dit geval is zonder motivering daarvan afgeweken zonder de concrete omstandigheden van dit dossier zorgvuldig en kenbaar te wegen, aldus eiser.
14.1.
Het Instituut voert aan dat in deze zaak eisers aanvraag voor een kostenvergoeding is getoetst aan wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie. Eiser heeft het door hem gestelde vergelijkbare geval niet verder toegelicht. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel treft daarom geen doel, aldus het Instituut.
15. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Eiser heeft niet geconcretiseerd en onderbouwd welke vergelijkbare gevallen hij bedoelt. Anders dan eiser stelt, heeft het Instituut de concrete omstandigheden van dit geval zorgvuldig en kenbaar betrokken bij de besluitvorming. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen sprake.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de gedeeltelijke afwijzing van vergoeding van bijkomende kosten voor juridische bijstand in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Tijdelijke wet Groningen (TwG)
Artikel 2[…]
6. Het Instituut voert deze taken en bevoegdheden uit met toepassing van de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 10
1. Het Instituut stelt, met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk, een procedure en een werkwijze vast voor de behandeling van aanvragen.
2. De procedure en werkwijze van het Instituut kennen een ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt.
3. Het Instituut publiceert zijn procedure en werkwijze op zijn website.
Burgerlijk wetboek (BW)
Artikel 6:96
1. Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst. 2. Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking:
redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht;
redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid;
redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.
Procedure en werkwijze van het Instituut (Procedure en werkwijze)
Artikel 2.6 Bijkomende kosten
Het Instituut kan indien voor fysieke schade aan een gebouw of werk een schadevergoeding is toegekend, indien aan de orde, een vergoeding toekennen voor de bijkomende kosten die zijn veroorzaakt door de fysieke schade.
Het Instituut maakt voor het volgende nadeel gebruik van een forfaitaire vergoeding:a. thuis blijven tijdens de schadeopname € 95 per dagdeel b. thuis blijven tijdens het schadeherstel € 95 per dagdeelc. schoonmaakkosten € 150 per schademeldingd. reiskosten € 0,26 per kilometer
Het Instituut kent voor het volgende nadeel een vergoeding toe, die afhankelijk is van de werkelijke kosten zoals door de aanvrager gemaakt: a. inboedel- en tuinschade b. verhuiskosten c. opslagkosten d. overnachtingskosten e. advieskosten maximaal € 95 per uur excl. BTW f. juridische begeleidingskosten maximaal € 175 per uur excl. BTWg. andere begeleidingskosten maximaal € 95 per uur excl. BTW
De onder sub e, f en g bedoelde kosten worden voor wat betreft de procedure totdat een besluit op het verzoek om schadevergoeding is genomen, voor maximaal 20 uren vergoed, mits is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets. Het Instituut kan in uitzonderlijke omstandigheden een hogere vergoeding toekennen. In het kader van de behandeling van een bezwaar geeft het Instituut toepassing aan artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht, met overeenkomstige toepassing van de tarieven genoemd in het derde lid.
[…]
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad (HR) van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586.
Zie de uitspraak van de HR van 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2102.
Zie de uitspraak van de HR van 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:272.
Zie de hiervoor genoemde uitspraak van de HR van 13 maart 2015.