Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3392

2026-08-04 Bestuursrecht; Belastingrecht LEE 25/1033
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
LEE 25/1033
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Informatieplicht en onderzoeksplicht. Heffingsambtenaar heeft voldaan aan de informatieplicht. Ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.452 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen


Bestuursrecht


zaaknummer: LEE 25/1033


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,


en




de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: [naam] ).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 19 februari 2025.



1.1.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 23 januari 2025 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (de naheffingsaanslag).



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.



1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote, en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.




Feiten

2. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd omdat zijn auto met kenteken [kenteken] (de auto) op 4 januari 2025 omstreeks 15:13 uur geparkeerd stond aan de Donderslaan (voor zover gelegen in de wijk Corpus den Hoorn) in Groningen, terwijl daarvoor geen parkeerbelasting was betaald.

3. De Donderslaan is gelegen in de wijk Corpus den Hoorn, welk gebied op grond van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025 van de gemeente Groningen is aangewezen als zone waar tegen betaling kan worden geparkeerd. Op de datum en het tijdstip waarop belanghebbende de auto aan de Donderslaan in Groningen had geparkeerd, was parkeerbelasting verschuldigd.




Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

5. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Wat vinden partijen?



6. Belanghebbende voert aan dat het onvoldoende kenbaar was dat hij ter plaatse parkeerbelasting moest betalen. Op de zitting heeft belanghebbende toegelicht dat hij op zijn aanrijroute (Paterswoldseweg – Hippocrateslaan – Kochtstraat – Donderslaan) langs de Paterswoldseweg een parkeerzonebord (zonebord) is gepasseerd. Belanghebbende heeft verder toegelicht dat hij zowel in de Hippocrateslaan als in de Kochstraat een verwijzingsbord is gepasseerd dat kennelijk naar een parkeerautomaat verwijst, zodat het zonebord mogelijk niet meer geldt. Het bevreemdt belanghebbende dat er in de Donderslaan geen enkel bord met betrekking tot betaald parkeren staat. Belanghebbende heeft achteraf geconstateerd dat er aan het einde van de Donderslaan (een eenrichtingsweg) een betaalautomaat staat en dat is volgens hem niet logisch. Belanghebbende is van mening dat de onderzoeksplicht niet op de belastingplichtige behoort te berusten en dat er aan het begin van de Donderslaan een zonebord of een herhalingsbord parkeerzone (herhalingsbord) had moeten staan.

7. De heffingsambtenaar is van mening dat het ter plaatse voldoende kenbaar was dat belanghebbende parkeerbelasting verschuldigd was. De heffingsambtenaar voert aan dat de hele wijk Corpus den Hoorn is afgebakend met zoneborden. Zo staan er bij de grotere uitvalswegen zoneborden en er staan onder andere aan de Paterswoldseweg en de Laan van de Vrijheid herhalingsborden. De heffingsambtenaar verwijst naar het door hem overgelegde fotomateriaal. Belanghebbende is volgens de heffingsambtenaar minimaal een zonebord en een herhalingsbord gepasseerd en hij is tot aan de parkeerplaats aan de Donderslaan geen einde zonebord voorbijgereden. De afstand tussen de Hippocrateslaan en het herhalingsbord aan de Paterswoldseweg is minder dan 300 meter, aldus de heffingsambtenaar. Verder zijn er in de nabije omgeving van de Donderslaan twee betaalautomaten aanwezig: op de hoek van de Donderslaan/Boerhavelaan en op de kruising Paterswoldseweg/Hippocrateslaan. Ook vormen de verwijzingsborden naar de betaalautomaten, die belanghebbende is gepasseerd, volgens de heffingsambtenaar voldoende aanwijzing om aan te nemen dat belanghebbende zich nog in de betaald parkerenzone bevond en dat bij twijfel van hem nader onderzoek mag worden verwacht. Verder is de heffingsambtenaar van mening dat de gemeente niet verplicht is om aan het begin van iedere straat een zonebord of herhalingsbord te plaatsen.



Wat oordeelt de rechtbank?



8. De rechtbank overweegt dat er voor de heffingsambtenaar een informatieplicht geldt en voor belanghebbende een onderzoeksplicht, die nauw met elkaar samenhangen. Het is in eerste instantie aan de heffingsambtenaar om de verschuldigdheid van parkeerbelasting op een zodanige wijze bekend te maken dat over het bestaan ervan redelijkerwijs bij de belastingplichtige geen misverstand kan bestaan. Daarbij geldt een onderzoeksplicht. Van de parkeerder mag worden verwacht dat hij bij de aanvang van het parkeren voldoende onderzoekt of voor het ter plekke parkeren parkeerbelasting is verschuldigd. Dit houdt in dat hij, alvorens te parkeren, oplet of hij een bord ‘betaald parkeren’, dan wel een parkeerautomaat, passeert, en dat hij, nadat hij heeft geparkeerd, zich enige inspanning getroost om te onderzoeken of voor het ter plekke parkeren parkeerbelasting is verschuldigd.

9. De heffingsambtenaar heeft, naar het oordeel van de rechtbank, met het overgelegde fotomateriaal aannemelijk gemaakt dat belanghebbende op de aanrijroute tenminste een zonebord en een herhalingsbord is gepasseerd waarop duidelijk genoeg zichtbaar was aangegeven dat hij een zone waarvoor betaald parkeren geldt, is ingereden. Dit heeft belanghebbende op de zitting ook bevestigd. Niet is gebleken dat belanghebbende een bord is gepasseerd waarmee het einde van de betaald parkerenzone wordt aangeduid, zodat het zonebord ook onverkort geldt voor de Donderslaan. Anders dan belanghebbende meent, volgt het einde van de parkeerzone niet uit de verwijzingsborden naar de betaalautomaten. De heffingsambtenaar heeft verder aannemelijk gemaakt dat belanghebbende ten minste een betaalautomaat (op de kruising Paterswoldseweg/Hippocrateslaan) en meerdere verwijsborden naar betaalautomaten voorbij is gereden. Bovendien stond er aan het einde van de Donderslaan (op de hoek met de Boerhavelaan) ook een betaalautomaat. De rechtbank merkt nog op dat Groningen een grote stad is, zodat de kans groot is dat in woonwijken rondom het stadscentrum, zoals Corpus den Hoorn, sprake is van een betaald parkerenzone. De onderzoeksplicht van belanghebbende beperkt zich niet tot alleen tot het fysiek rondkijken. Zo had belanghebbende ook via internet kunnen informeren naar de geldende parkeerregels ter plaatse.

10. Gelet op het voorgaande heeft er naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen misverstand over kunnen bestaan dat belanghebbende zich in een betaald parkerenzone bevond. Het ontbreken van bebording aan (het begin van) de Donderslaan doet daar niet aan af. Er geldt geen verplichting voor de gemeente om aan het begin van iedere straat een zonebord of herhalingsbord te plaatsen.

11. Nu de informatieverstrekking van de zijde van de heffingsambtenaar op orde is, zodat het voldoende duidelijk is dat ter plaatse voor het parkeren betaald dient te worden, zal een parkeerder die aan zijn onderzoeksplicht voldoet, kunnen vaststellen dat er plekke parkeerbelasting is verschuldigd. Dat heeft belanghebbende onvoldoende gedaan. Dit wordt bevestigd doordat belanghebbende achteraf, na het doen van enige onderzoek, wél heeft geconstateerd dat er aan het einde van de Donderslaan een betaalautomaat staat en eveneens dat er aan de Laan van de Vrede een herhalingsbord staat. Dat belanghebbende dat onderzoek pas na het opleggen van de naheffingsaanslag heeft gedaan, komt voor zijn rekening en risico. De rechtbank is op basis van al hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.




Conclusie en gevolgen


12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr.E.M. Antonescu, griffier.














griffier


rechter








Uitgesproken op 4 augustus 2026.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.





Zie Gerechtshof Amsterdam 8 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:90.


Zie artikel 66, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.