Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3363

2026-07-27 Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht 12008994 BU VERZ 25-2542
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-27
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure
Mondelinge uitspraak
Zaaknummer
12008994 BU VERZ 25-2542
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wahv. K155C – ‘niet meewerken onderzoek van speeksel en/of aanwijzingen in dit kader niet opvolgen’. Gegrond beroep. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat medewerking is gevorderd, wat anders is dan medewerking vragen. Ook is niet verklaard of aan betrokkene medegedeeld dat hij een boete zou krijgen als hij medewerking zou weigeren.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.174 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen


Bestuursrecht



beschikkingsnummer: 271034081
zaaknummer: 12008994 BU VERZ 25-2542




proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 27 juli 2026


in de zaak van





[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] ,
gemachtigde: Verkeersboete.nl.




Inleiding


1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: K155C – ‘niet meewerken onderzoek van speeksel en/of aanwijzingen in dit kader niet opvolgen’, verricht op 22 december 2024, om 16:45 uur, op de Korteleegte (huisnummer [nummer] ) in Veendam, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 309,00 (inclusief administratiekosten).



1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.



1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 27 juli 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: mr. O. van der Meer namens de gemachtigde en mr. R. Huisjes als vertegenwoordiger van de officier van justitie.



1.3.
Na afloop van het onderzoek op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing

2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en vernietigt de boete. Hij legt hierna uit waarom hij dat doet.



Standpunten



3. In het beroepschrift voert gemachtigde aan dat betrokkene de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen ontkent. In aanvullende gronden voert gemachtigde aan dat uit de beschikbare gegevens onvoldoende blijkt dat medewerking is ‘gevorderd’, zoals volgt uit artikel 160 lid 5 sub c van de Wegenverkeerswet. De verkeersovertreding kan daarom niet worden vastgesteld. Gemachtigde verwijst hierbij naar een arrest van het hof.

4. De vertegenwoordiger geeft aan dat hij een aanvullend proces-verbaal heeft opgevraagd, maar dat de verbalisanten zich het voorval niet konden herinneren. Volgens de vertegenwoordiger blijkt uit het zaakoverzicht onvoldoende dat de consequentie van weigeren op de juiste wijze aan betrokkene is medegedeeld. Daarom verzoekt hij om gegrondverklaring van het beroep.



Overwegingen



5. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.


5.1.
De verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaaksoverzicht, luidt als volgt: “Ik, verbalisant [verbalisant 1] [sic], zag betrokkene eerder rijden en had daarop betrokkene aangehouden ter zake rijden met een rij ontzegging [sic]. Wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , vroegen na aanhouding, op het bureau, betrokkene mede werking [sic] te verlenen aan een speekseltest. Wij hoorden betrokkene zeggen dat hij niet wilde mee werken [sic] aan een speekseltest.”



5.2.
Met de term ‘op eerste vordering’ als in artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) wordt beoogd weggebruikers in te scherpen dat aan die vordering onmiddellijk gevolg moet worden gegeven zonder voorafgaande inbreng van bezwaren of weigeringen om daaraan gevolg te geven, waardoor de ambtenaar zijn vordering zou moeten herhalen. Voor het doen van een vordering als bedoeld in artikel 160 van de WVW 1994 is niet vereist dat een politiemedewerker het woord vorderen letterlijk gebruikt. Voldoende is dat zodanige woorden worden gebruikt dat het voor een betrokkene duidelijk is wat hij moet doen.



5.3.
Uit de verklaring van de verbalisant blijkt naar oordeel van de kantonrechter onvoldoende dat medewerking is gevorderd, hetgeen wat anders is dan medewerking vragen. Ook is niet verklaard of aan betrokkene medegedeeld dat hij een boete zou krijgen als hij medewerking zou weigeren. Op basis van de beschikbare gegevens kan daarom niet worden vastgesteld dat de overtreding is verricht. Het beroep is dus gegrond.


6. Omdat de kantonrechter het beroep gegrond verklaart, veroordeelt hij de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene. Hij kent twee punten à € 666,00 toe voor het indienen van het administratief beroepschrift en de hoorzitting en twee punten met een waarde van € 934,00 voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het bijwonen van de zitting. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Omdat zowel de inleidende beschikking als de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 zijn bekendgemaakt, past de kantonrechter de extra wegingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, onder a, Wahv toe op beide fasen.




6.1.
Hij veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van (2 (procespunten) x € 666,00 (tarief) + 2 (procespunten) x € 934,00 (tarief)) x 0,5 (wegingsfactor, licht) x 0,25 (extra wegingsfactor herwaardering proceskostenvergoeding = € 400,00.



6.2.
Artikel 13a, vijfde lid, van de Wahv regelt dat uitbetalingen op grond van een uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene aan wie de boete is opgelegd. Gelet op de jurisprudentie is de kantonrechter niet bevoegd om over deze feitelijke uitvoering van zijn beslissing een oordeel te geven.





Conclusie


De kantonrechter:



verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;


vernietigt die beslissing;


verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;


vernietigt die beschikking;


bepaalt dat betrokkene de zekerheidstelling terugkrijgt;


veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van € 400,00;


verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de wijze van uitbetaling.





Waarvan proces-verbaal,








D.W. Veenstra, griffier mr. T.F. Bruinenberg, kantonrechter














Afschrift verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:

a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.


Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.



De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.



HR 4 mei 1965, NJ 1965, 294.


Hof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6326, ov. 6.


Artikel 4, onderdeel a, van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.


Hof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4051.