Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3305

2026-08-12 Bestuursrecht LEE 25/1870
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
LEE 25/1870
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wet hersteloperatie toeslagen. Geen compensatie wegens institutioneel vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. Niet aannemelijk dat een persoonlijke betalingsregeling wegens opzet of grove schuld is geweigerd. Beroep ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.901 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: LEE 25/1870


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P. Salim),


en


Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Hamdach).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over het toeslagjaar 2012. In deze zaak ligt de vraag voor of verweerder terecht heeft bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser voert aan dat sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen. Daarnaast voert hij aan dat sprake is van hardheid van het stelsel, omdat de kinderopvangtoeslag is uitbetaald aan zijn voormalige partner, terwijl de terugvordering volledig op hem is verhaald. Verder stelt eiser dat hij ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een tegemoetkoming in verband met ten onrechte geweigerde persoonlijke betalingsregelingen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.



1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder terecht heeft bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor compensatie in de zin van de Wht. Van institutioneel vooringenomen handelen is niet gebleken. Evenmin is sprake van hardheid van het stelsel. Daarnaast heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat eiser een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling heeft gedaan dat in verband met een kwalificatie opzet of grove schuld is afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft verweerder verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over het toeslagjaar 2012.



2.1.
Met het primaire besluit van 21 juni 2022 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.



2.2.
Met het bestreden besluit van 7 april 2025 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.



2.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank



Institutioneel vooringenomen handelen




3. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte geen compensatie heeft toegekend, omdat volgens hem sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag over het toeslagjaar 2012.



3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



3.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen.
Uit het dossier volgt dat eiser op 25 mei 2012 zelf via het Burgerportaal heeft doorgegeven dat de kinderopvangtoeslag met ingang van 2 mei 2012 moest worden beëindigd. De daaropvolgende verlaging van het voorschot is daarvan het rechtstreekse gevolg. De definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2012 heeft vervolgens plaatsgevonden op basis van reguliere wijzigingen, waaronder gewijzigde opvanggegevens, wijziging van het partnerschap, de woonsituatie en het inkomen van eiser. Uit het dossier blijkt niet dat de kinderopvangtoeslag collectief is stopgezet, dat sprake is geweest van een intensieve bewijsuitvraag of van een zogenoemde zero-tolerancebenadering. Ook verder zijn geen aanwijzingen aanwezig waaruit institutioneel vooringenomen handelen kan worden afgeleid.




Hardheid van het stelsel




4. Eiser voert aan dat sprake is van hardheid van het stelsel, omdat de kinderopvangtoeslag destijds is uitbetaald aan zijn voormalige partner, terwijl de terugvordering volledig op hem is verhaald.




4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Dat de kinderopvangtoeslag is uitbetaald aan de voormalige partner van eiser terwijl de terugvordering bij eiser heeft plaatsgevonden, maakt op zichzelf niet dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht. Uit het dossier blijkt dat eiser en zijn toenmalige partner gezamenlijk de aanvraag voor kinderopvangtoeslag hebben ingediend en daarbij zelf hebben gekozen voor het rekeningnummer waarop de voorschotten werden uitbetaald. De financiële gevolgen van die keuze kunnen niet worden aangemerkt als een hardheid die voortvloeit uit het wettelijke stelsel. Dat eiser de financiële gevolgen daarvan als onrechtvaardig ervaart, maakt dit niet anders.



Persoonlijke betalingsregeling




5. Eiser stelt dat hij en zijn toenmalige bewindvoerder destijds een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling hebben gedaan, maar dat dit verzoek ten onrechte is afgewezen. Volgens eiser kan hem niet worden tegengeworpen dat hiervan geen stukken meer beschikbaar zijn, omdat sprake is van gebrekkige dossiervorming bij de Belastingdienst. Bovendien krijgt eiser geen contact met zijn bewindvoerder.




5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



5.2.
De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 van de Wht. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat in de beschikbare systemen geen aanwijzingen zijn gevonden voor een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling of voor een afwijzing daarvan in verband met een kwalificatie opzet of grove schuld. Ook bevinden zich in het dossier geen stukken waaruit een dergelijk verzoek blijkt.



5.3.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat geen stukken kunnen worden overgelegd waaruit blijkt dat destijds een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling is gedaan. Ook heeft eiser geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij onder bewind stond of wie als bewindvoerder optrad. De rechtbank acht de stelling van eiser dat een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling is gedaan daarom niet aannemelijk. Daarbij weegt de rechtbank mee dat in geen enkel opzicht is gebleken dat daadwerkelijk sprake is geweest van bewindvoering of dat namens eiser verzoeken om een persoonlijke betalingsregeling zijn gedaan. Van eiser had ten minste mogen worden verwacht dat hij stukken met betrekking tot de gestelde bewindvoering zou kunnen overleggen. De enkele omstandigheid dat een professioneel bewindvoerder geacht mag worden een dergelijk verzoek te doen, is onvoldoende om aan te nemen dat zo’n verzoek ook daadwerkelijk is gedaan.



5.4.
Dat eiser stelt dat hij door de gebrekkige archivering bij de Belastingdienst in bewijsnood verkeert, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat verweerder de beschikbare systemen meerdere keren heeft geraadpleegd, heeft eiser zelf geen enkel aanknopingspunt kunnen overleggen waaruit blijkt dat daadwerkelijk sprake is geweest van bewindvoering of dat een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling is gedaan. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling is gedaan en dat dit vervolgens is afgewezen in verband met een kwalificatie opzet of grove schuld.



Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel




6. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd, volgt de rechtbank hem daarin niet. Verweerder heeft inzichtelijk uiteengezet op welke feiten en omstandigheden de herbeoordeling is gebaseerd en waarom geen sprake is van institutioneel vooringenomen handelen, hardheid van het stelsel of een ten onrechte geweigerde persoonlijke betalingsregeling. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid en een draagkrachtige motivering.




6.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet.





Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Wet hersteloperatie toeslagen




Artikel 2.1. Compensatie en aanvullende compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag 1. De Belastingdienst/Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem: a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Belastingdienst/Toeslagen; of b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem. 2. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. 3. Aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met zevende lid, wordt door de Belastingdienst/Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend. 4. Een aanvrager van een kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, komt niet in aanmerking voor compensatie van schade met betrekking tot een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500 is verlaagd. 5. De compensatie en de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade blijven achterwege voor zover op een andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is voorzien of voor zover aan de aanvrager een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 49c van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, zoals dit luidde ten tijde van de aanvraag van de O/GS-tegemoetkoming, of als bedoeld in artikel 2.6 is toegekend.



Artikel 2.6 O/GS-tegemoetkoming en aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor aanvrager kinderopvangtoeslag 1. De Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.2. De O/GS-tegemoetkoming bedraagt 30 procent van het bedrag van de terugvordering.3. Aan een aanvrager van een O/GS-tegemoetkoming die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade als gevolg van de onbillijkheden van overwegende aard, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan de O/GS-tegemoetkoming, wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade toegekend.4. De O/GS-tegemoetkoming en de aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade blijven achterwege indien ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 over hetzelfde berekeningsjaar of voor zover op andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is voorzien.



Artikel 9.1. Hardheidsclausules1. De Belastingdienst/Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van artikel 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die heeft verzocht om de toekenning.2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan: a. Onze Minister van Financiën afwijken van artikel 2.15, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3; b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in Hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, afwijken van artikel 3.6; c. de Sociale verzekeringsbank, genoemd in Hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, afwijken van artikel 3.7; d. het college van burgemeester en wethouders afwijken van artikel 3.8 of 2.21; e. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afwijken van artikel 3.9; f. het CAK, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg, van artikel 3.10 afwijken; g. de Wlz-uitvoerder, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg, van artikel 3.11 afwijken; en h. het college, bedoeld in de artikelen 1.1 van de Jeugdwet en 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, van artikel 3.12 afwijken.




Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juni 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3510.