Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3297

2026-08-07 Bestuursrecht LEE 25/1771
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-07
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
LEE 25/1771
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wegenverkeerswet 1994. Ongeldigverklaring rijbewijs wegens vermeend drugsmisbruik. CBR mocht zich niet zonder meer baseren op psychiatrisch rapport. Rapport bevat feitelijke onjuistheid, onduidelijkheden over het cannabisgebruik en speculatieve aannames. CBR had nader onderzoek moeten doen. Strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb. Beroep gegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.285 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: LEE 25/1771


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser


en


De directie van het CBR, het CBR
(gemachtigde: I. Metaal).


Samenvatting


1. Deze zaak gaat over de ongeldigverklaring van het rijbewijs van eiser. Het CBR heeft het rijbewijs ongeldig verklaard omdat uit een psychiatrisch onderzoek is gebleken dat bij eiser sprake was van een matige stoornis in het gebruik van cannabis (DSM-5 classificatie 304.30) en daarom van drugsmisbruik in de zin van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (de Regeling). Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert aan dat het psychiatrisch onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd en dat het rapport onvoldoende grondslag biedt voor de conclusie dat sprake is van een matige stoornis in het gebruik van middelen volgens DSM-5 en drugsmisbruik in de zin van de Regeling. In geschil is of het CBR zich op het psychiatrisch rapport heeft mogen baseren en het rijbewijs terecht ongeldig heeft verklaard.



1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het CBR zich in dit geval niet zonder meer op het psychiatrisch rapport heeft mogen baseren. Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Bij besluit van 22 november 2024 heeft het CBR het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard. Aan dit besluit heeft het CBR ten grondslag gelegd dat uit een psychiatrisch onderzoek is gebleken dat eiser wegens drugsmisbruik niet voldoet aan de eisen van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen.



2.1.
Bij het bestreden besluit van 27 maart 2025 heeft het CBR het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het CBR deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank



Mocht het CBR het rijbewijs ongeldig verklaren?




3. Eiser voert aan dat het CBR het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op het psychiatrisch rapport van 25 oktober 2024. Volgens eiser is het rapport onzorgvuldig tot stand gekomen en bevat het feitelijke onjuistheden en onvoldoende onderbouwde aannames. Daardoor biedt het rapport volgens eiser onvoldoende grondslag voor de conclusie dat bij hem sprake was van een matige stoornis in het gebruik van middelen in de zin van DSM-5 en drugsmisbruik in de zin van de Regeling. Bovendien is eiser onevenredig geraakt door de besluitvorming.



3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag het CBR een besluit over de rijgeschiktheid in beginsel baseren op een rapport van een onafhankelijk deskundige. Dat is slechts anders indien het rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.



3.2.
De rechtbank stelt vast dat de psychiater op pagina 9 van het rapport onder meer het volgende heeft overwogen:


“[…] Hoewel bovenstaande bevindingen afzonderlijk niet concludent hoeven te zijn, is juist de combinatie suspect voor drugsproblematiek ten tijde van de laatste aanhouding. Zeker ook indien deze worden bezien in het licht van de duidelijk verhoogde prevalentie van stoornissen in het gebruik van drugs in de populatie die is aangehouden vanwege het rijden onder invloed van drugs. Dit overwegende dient de psychiatrische diagnose drugsmisbruik in de zin der wet te worden gesteld.”




3.3.
Ter zitting heeft de gemachtigde van het CBR toegelicht dat de zin “Zeker ook […] onder invloed van drugs.” vaker in psychiatrische rapporten staat, maar abusievelijk ook in dit rapport is opgenomen. Eiser is namelijk niet aangehouden wegens het rijden onder invloed van drugs en bij het door hem veroorzaakte eenzijdige ongeval was geen sprake van gebruik van alcohol of drugs. Deze passage staat daarom ten onrechte in het psychiatrisch rapport. Anders dan het CBR heeft betoogd, kan deze onjuistheid niet worden aangemerkt als een verschrijving zonder betekenis voor de conclusies van de psychiater. Uit de hiervoor geciteerde passage blijkt immers dat de psychiater de omstandigheid dat eiser zou behoren tot de populatie van personen die zijn aangehouden wegens rijden onder invloed van drugs, uitdrukkelijk heeft betrokken bij zijn conclusie dat sprake is van drugsmisbruik. Daarmee vormt deze passage onderdeel van de motivering van drugsmisbruik. Nu vaststaat dat dit uitgangspunt feitelijk onjuist is, is onduidelijk in hoeverre dit van invloed is geweest op de diagnose.



3.4.
De rechtbank wijst verder op een andere onduidelijkheid in het rapport. Zo staat op pagina 8 bij de onderzoeksbevindingen dat eiser vanaf 2019 periodes dagelijks heeft geblowd. Daaruit kan volgens eiser niet worden afgeleid dat hij dagelijks blowde, wat hij ook niet deed. Volgens eiser waren er inderdaad periodes waarin hij dagelijks blowde, bijvoorbeeld in de vakantie, maar ook lange periodes dat hij geen cannabis gebruikte. De psychiater en het CBR hebben hier verder geen navraag of onderzoek naar gedaan. Daardoor is niet duidelijk wat nu vanaf 2019 het patroon van drugsgebruik van eiser was en waarop de DSM-scores in het rapport feitelijk zijn gebaseerd.



3.5.
De psychiater overweegt verder op pagina 8 dat, hoewel in de afsluitbrief van Lentis niets is gerapporteerd over het cannabisgebruik van eiser, “[…] er ongetwijfeld bij de behandeling in 2019 zal zijn besproken dat betrokkene beter kan stoppen met zijn cannabisgebruik voor zijn gemoedstoestand.” Vervolgens wordt aan de behandeling in 2019 betekenis toegekend om tot de DSM-classificatie matige stoornis in het gebruik van middelen te komen. De aanname van de psychiater dat cannabisgebruik een rol speelde bij de aanleiding voor en de afsluiting van de Lentisbehandeling maakt volgens de psychiater dat eiser scoort op de DSM-5 items 5 en 9. De rechtbank stelt vast dat deze aannames niet zijn gebaseerd op een concrete bevinding uit het dossier, maar op een veronderstelling van de psychiater, die bovendien door eiser uitdrukkelijk wordt betwist. Eiser heeft aangevoerd dat de behandeling bij Lentis zag op psychische klachten in verband met de gezondheid van zijn moeder en niets te maken had met zijn cannabisgebruik. Volgens eiser is hierover daarom niets opgenomen in de afsluitbrief van Lentis. Het CBR heeft deze aanname niet nader laten verifiëren, maar is voetstoots afgegaan op de niet nader onderbouwde aannames van de psychiater.



3.6.
De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde passages, in onderlinge samenhang bezien, aanleiding hadden moeten geven voor nader onderzoek. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de gemachtigde van het CBR ter zitting heeft toegelicht dat de medisch adviseur van het CBR de keurend psychiater om een nadere toelichting kan vragen als een psychiatrisch rapport vragen oproept of onduidelijkheden bevat. Vaststaat dat een dergelijke terugkoppeling in dit geval niet heeft plaatsgevonden. Gelet op de feitelijk onjuiste passage over de vermeende aanhouding wegens rijden onder invloed, de onduidelijkheid over het patroon van drugsgebruik vanaf 2019 en de speculatieve aanname over wat “ongetwijfeld” tijdens de behandeling bij Lentis zou zijn besproken, had het op de weg van het CBR gelegen om de psychiater om een nadere toelichting te vragen.



3.7.
Door dit na te laten heeft het CBR zich onvoldoende ervan vergewist dat het psychiatrisch rapport een deugdelijke grondslag bood voor de ongeldigverklaring van het rijbewijs van eiser. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat het CBR zich in dit geval niet zonder meer op het rapport heeft mogen baseren. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en berust niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren. De overige gronden behoeven geen bespreking meer.




Conclusie en gevolgen


4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.



De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank zal het CBR opdragen om binnen acht weken in de plaats daarvan een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.



4.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het CBR het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 27 maart 2025;
- draagt het CBR op om binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen;
- bepaalt dat het CBR het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.





Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Wegenverkeerswet 1994





Artikel 130, eerste lid Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.



Artikel 1311. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:[…] b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling genomen.

Artikel 1341. Het CBR stelt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast. Van deze uitslag doet het CBR mededeling aan betrokkene. Indien een of meer deskundigen bij hun bevindingen hebben aangetekend dat inzage daarvan naar hun oordeel kennelijk ernstig nadeel voor betrokkene zou opleveren, deelt het CBR de bevindingen schriftelijk mede aan de door betrokkene aangewezen vertrouwensarts.2. Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.3. Indien het CBR voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, deelt het dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen. De aan dit tweede onderzoek verbonden kosten, waarvan de hoogte door het CBR wordt vastgesteld, komen ten laste van betrokkene. De artikelen 132 en 133 alsmede het eerste en het vierde lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing. De in de eerste volzin bedoelde mededeling wordt niet gedaan, indien het rijbewijs van de houder inmiddels op grond van artikel 123b ongeldig is geworden.[…]



Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011




Artikel 27, aanhef en onder bHet CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.




Regeling eisen geschiktheid rijvaardigheid 2000




Artikel 2De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.



Artikel 8.8 van de bijlageVoor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist.Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt.Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport geschikt - kunnen worden geacht.Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.





Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1620, 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3810 en 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2019.