Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3288

2026-07-13 Bestuursrecht LEE 25/1055
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-13
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
LEE 25/1055
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Geschil over de hoogte van een tegemoetkoming wegens psychisch letsel. De Commissie heeft bij de indeling in de letselcategorie terecht uitsluitend rekening gehouden met het aantal ten tijde van de besluitvorming daadwerkelijk gevolgde behandelsessies. Beroep ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.448 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: LEE 25/1055


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.A. Jansen),


en


Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, de Commissie
(gemachtigde: mr. Y.B. Langerak).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser verleende tegemoetkoming op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg). Eiser heeft een uitkering ontvangen in letselcategorie 2, maar stelt dat hij recht heeft op een uitkering in letselcategorie 3. Voor die categorie is vereist dat sprake is van een diagnose door een daartoe bevoegde hulpverlener en van een behandeling van 17 of meer sessies. Partijen verschillen van mening over de vraag of daarvoor uitsluitend daadwerkelijk gevolgde behandelingen meetellen, of dat ook (nog te verwachten) behandelingen kunnen worden betrokken.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Commissie geen hogere uitkering heeft moeten toekennen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Bij besluit van 10 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft de Commissie aan eiser een tegemoetkoming in letselcategorie 2 toegekend op grond van de Wsg.



2.1.
Bij besluit van 28 januari 2025 (het bestreden besluit) is de Commissie bij dat besluit gebleven.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Commissie heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde. De Commissie heeft zich afgemeld voor de zitting.





Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader




3. De Commissie verstrekt op grond van de Wsg een eenmalige tegemoetkoming aan slachtoffers van een geweldsmisdrijf die ernstig lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen. De Commissie komt daarbij beoordelingsruimte toe, die hij heeft ingevuld in de Beleidsbundel en de Letsellijst.



3.1.
Volgens deel 2B van de Letsellijst wordt psychisch letsel ingedeeld in verschillende letselcategorieën. Voor letselcategorie 3 geldt dat sprake moet zijn van een diagnose door een daartoe bevoegde hulpverlener én van een behandeling van 17 sessies of meer.



Had de Commissie eiser een hogere tegemoetkoming moeten toekennen?



4. In geschil is uitsluitend of de Commissie terecht is uitgegaan van het daadwerkelijk aantal gevolgde behandelingen of dat hij tijdens de bezwaarprocedure rekening had moeten houden met de volgens eiser nog te verwachten behandelingen.

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat uit de Letsellijst niet volgt dat behandelingen reeds afgerond moeten zijn om te kunnen meetellen voor letselcategorie 3 en dat het relevante criterium is hoeveel behandelingen volgens een medisch deskundige noodzakelijk zijn.

6. De Commissie stelt zich op het standpunt dat de Letsellijst uitgaat van daadwerkelijk gevolgde sessies. Omdat op het moment van de beslissing op bezwaar nog geen 17 behandelingen hadden plaatsgevonden, is aan eiser terecht een uitkering in letselcategorie 2 toegekend. Daarbij wijst de Commissie erop dat eiser, zodra de behandeling is afgerond en wel aan de 17 sessies wordt voldaan, een aanvullende aanvraag kan indienen.

7. De rechtbank stelt voorop dat de Commissie in beginsel overeenkomstig het beleid dient te handelen bij de beoordeling van aanvragen, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Voor een uitkering passend bij letselcategorie 3 is volgens de Letsellijst een diagnose door een hulpverlener vereist die bevoegd en bekwaam is om een diagnose te stellen voor psychisch letsel. Die diagnose dient te zijn gevolgd door een behandeling van 17 sessies of meer. Dit beleid acht de rechtbank niet onredelijk.


7.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser ten tijde van het bestreden besluit geen behandeling van 17 sessies had afgerond. De rechtbank is van oordeel dat de Commissie bij de beoordeling van het aantal behandelingen mag uitgaan van de op het beslismoment feitelijk gevolgde sessies, ook indien de behandeling nog niet is afgerond. Dat eiser stelt dat al tijdens de bezwaarprocedure duidelijk was dat mogelijk meer behandelingen zullen volgen, maakt dat niet anders. Ten tijde van de beslissing op bezwaar was in het geval van eiser nog geen sprake van 17 afgeronde behandelingen. De Commissie heeft daarom terecht geconcludeerd dat niet werd voldaan aan de voorwaarden voor letselcategorie 3.



7.2.
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de Commissie in dit geval van zijn beleid had moeten afwijken op grond van artikel 4:84 van de Awb. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Commissie er in het verweerschrift op heeft gewezen dat eiser, indien hij in de toekomst wel 17 behandelingen heeft ondergaan, een nieuwe (aanvullende) aanvraag kan indienen. Dit sluit aan bij het karakter van de regeling, waarin de feitelijke behandelomvang op het moment van besluitvorming bepalend is.




Conclusie en gevolgen


8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Te raadplegen op https://www.schadefonds.nl/schadefonds/letsellijst/.


Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2014.