Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3286
2026-04-10
Bestuursrecht
LEE 23/5334
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Afwijzing van een verzoek om kwijtschelding van een studieschuld om medische redenen. De minister heeft de hardheidsclausule niet hoeven toepassen. Geen sprake van een met het kwijtscheldingsbeleid vergelijkbare medisch uitzichtloze situatie. Beroep ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:CRVB:2016:14210
- ECLI:NL:CRVB:2016:14210
- ECLI:NL:RVS:2018:3932 Raad van State 03-12-2018
- ECLI:NL:RVS:2020:2537 Raad van State 28-10-2020
- ECLI:NL:CRVB:2016:1421 Centrale Raad van Beroep 20-04-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.892 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/5334
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om kwijtschelding van haar studieschuld om medische redenen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert aan dat haar medische situatie vergelijkbaar is met de in het beleid van de minister beschreven uitzonderingscategorieën en meent dat aanleiding bestaat voor het toepassen van de hardheidsclausule.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van het kwijtscheldingsverzoek in stand kan blijven. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om kwijtschelding van haar studieschuld. De minister heeft die aanvraag afgewezen. Eiseres heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 6 november 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar partner, en de gemachtigde van de minister. De gemachtigde van eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting.
2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de minister in de gelegenheid stellen eiseres persoonlijk in contact te brengen met een medisch adviseur waarbij eventuele nieuwe medische gegevens in het gesprek worden meegenomen. De minister krijgt ook de gelegenheid om een nader standpunt te formuleren over de vraag hoe moet worden omgegaan met het niet in persoon zien van patiënten als de patiënt wel uitdrukkelijk die wens heeft geuit, in het licht van de KNMG-richtlijn.
2.5.
De minister heeft op 9 april 2025 een reactie gegeven en laten weten dat nog geen tweede advies is uitgebracht in het kader van deze procedure.
2.6.
In het kader van een andere procedure over een tweede kwijtscheldingsverzoek is ook een medisch advies opgesteld. Eiseres heeft op 3 november 2025 de rechtbank toestemming gegeven om kennis te nemen van dit advies in deze procedure. De minister heeft het advies op 19 december 2025 in conceptvorm naar de rechtbank verzonden.
2.7.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een nadere zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Mocht de minister het verzoek om kwijtschelding afwijzen?
3. Eiseres voert aan dat haar medische situatie vergelijkbaar is met de in het beleid van de minister genoemde uitzonderingscategorieën. Zij lijdt aan ernstige chronische aandoeningen, waaronder fibromyalgie en een traag werkende schildklier, alsmede aan structurele psychiatrische problematiek (afhankelijke persoonlijkheidsproblematiek, ADD, depressieve stoornis en psychotrauma). Deze aandoeningen beperken haar duurzaam in haar dagelijks functioneren. Volgens het UWV is geen sprake van re-integratiemogelijkheden en is de kans op herstel nihil, zodat zij in de toekomst geen inkomsten zal kunnen verwerven. De afwijzing van kwijtschelding belemmert haar bovendien in het opbouwen van een pensioenvoorziening. Zij stelt dat sprake is van een medisch uitzichtloze situatie, zodat het op humanitaire gronden onredelijk is haar tot terugbetaling te verplichten. Eiseres betoogt verder dat het medisch advies onvoldoende is gemotiveerd, nu de conclusie dat geen sprake is van een “daaraan gelijk te stellen situatie” niet nader is onderbouwd. Op zitting heeft eiseres aangevoerd dat zij niet in persoon is onderzocht door de medisch adviseur, hetgeen volgens haar in strijd is met de KNMG-richtlijnen. Gelet op het voorgaande had de minister de hardheidsclausule moeten toepassen.
3.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat op basis van de beschikbare medische informatie een zorgvuldig oordeel kon worden gevormd over de situatie van eiseres. Aan de afwijzing ligt een medisch advies van 20 september 2022 ten grondslag. Dit advies is gebaseerd op dossierstudie en informatie van de huisarts. De medisch adviseur heeft geconcludeerd dat de situatie van eiseres niet onder de in het beleid genoemde categorieën valt en dat haar functioneren niet op één lijn kan worden gesteld met de bedoelde uitzonderingsgevallen. Het oordeel van de medisch adviseur dat geen sprake is van een met de beleidscriteria gelijk te stellen situatie betreft een medisch oordeel, dat niet voldoende door de gemachtigde van eiseres is weerlegd. Daarbij is geen contra-expertise overgelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het kwijtscheldingsbeleid niet onredelijk en mag dit strikt worden toegepast. Van een uitzonderlijke situatie die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt, is volgens de minister geen sprake. Ten aanzien van het ontbreken van een persoonlijk onderzoek stelt de minister dat het aan de medisch adviseur is om te bepalen of de beschikbare informatie toereikend is. De adviseur mag zich baseren op informatie van behandelaars. Deze behandelaars hebben eiseres wel in persoon gezien en onderzocht. De minister ziet in de aangehaalde KNMG richtlijn geen verplichting voor een medisch adviseur, ten aanzien van verzoeken in het kader van de Wet Studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), om bij een dergelijke adviesaanvraag de betrokkene in persoon te zien. Bovendien is er sprake van een richtlijn en is het in eerste instantie aan de medicus om te bepalen wat nodig is voor de uitoefening van zijn taak.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wsf 2000 is degene die studiefinanciering heeft ontvangen verplicht tot terugbetaling van de lening. De Wsf 2000 voorziet slechts in kwijtschelding bij het einde van de aflosfase en bij overlijden van de debiteur.
4.1.
Op grond van de hardheidsclausule in artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 kan de minister voor bepaalde gevallen de terugbetalingsverplichting buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4.2.
De minister voert bij de toepassing van de in artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 opgenomen hardheidsclausule een beleid dat inhoudt dat op verzoek een resterende studieschuld kan worden kwijtgescholden indien een debiteur in één van de volgende categorieën valt:1) terminale patiënten, die naar verwachting binnen een jaar zullen overlijden;2) psychiatrische patiënten op verklaringen van de geneesheer-directeur dat de situatie uitzichtloos is;3) debiteuren die ernstig geestelijk gehandicapt zijn op verklaring van de inrichting;4) debiteuren die gedurende langere tijd in coma liggen.
4.3.
De achterliggende gedachte bij dit beleid is dat van debiteuren die in een dergelijke medisch uitzichtloze situatie verkeren op humanitaire gronden niet kan worden verlangd dat zij hun studieschuld nog (verder) terugbetalen. Naast de gevallen omschreven in het beleid bestaat ruimte om in een bijzonder geval eveneens hardheid aan te nemen. In dit verband wordt getoetst of er sprake is van “een vergelijkbare medisch uitzichtloze situatie dat op grond daarvan een uitzondering op dat beleid moet worden gemaakt”. Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat het door de minister gevoerde kwijtscheldingsbeleid niet onredelijk is en stringent toegepast mag worden.
4.4.
In deze zaak gaat het om een verzoek om kwijtschelding van een schuld om medische redenen. De medisch adviseur dient te beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden voor kwijtschelding van de schuld. De medisch adviseur verkrijgt specifieke informatie van de behandelaars, op basis waarvan het advies tot stand komt. Immers de behandelaar beschikt, na onderzoek en persoonlijk contact, over de medische relevante feiten en omstandigheden en is bij uitstek degene om daar een medisch adviseur van te voorzien. Indien de medisch adviseur meent voldoende relevante informatie te hebben verkregen, zal op basis daarvan een advies tot stand komen. Het is aan de medisch adviseur om te beoordelen of hij over voldoende informatie beschikt, om tot een gedegen advies te komen. Het is dan ook aan de medisch adviseur om te bepalen of een persoonlijk contact noodzakelijk is. Uit de door de minister aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt naar het oordeel van de rechtbank dat een persoonlijk onderzoek niet zonder meer vereist is. In de KNMG-richtlijn is evenmin een dergelijke verplichting neergelegd voor het betreft kwijtscheldingsverzoeken in het kader van de Wsf 2000.
4.5.
De rechtbank is gelet op het hiervoor opgenomen toetsingskader van oordeel dat de minister terecht de conclusie heeft getrokken dat de situatie waarin eiseres zich bevindt niet valt onder één van de in het beleid omschreven situaties. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de medisch adviseur. De medisch adviseur heeft met het bovenstaande inzichtelijk en navolgbaar uitgelegd waarom geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van het beleid of met een daaraan gelijk te stellen situatie. Eiseres heeft niet, aan de hand van nadere medische informatie, aannemelijk gemaakt dat de medisch adviseur haar medische situatie onjuist heeft ingeschat of dat aan de juistheid van de conclusie van de medisch adviseur moet worden getwijfeld. Ook het advies in de andere procedure, leidt niet tot twijfel aan het eerdere advies. Hiermee wil de rechtbank de situatie waarin eiseres verkeert, niet bagatelliseren, maar van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister van het beleid had moeten afwijken is geen sprake. Voor het oordeel dat de minister de medische situatie van eiseres heeft onderschat, ziet de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanknopingspunten. De minister heeft daarom ook terecht beslist dat de studieschuld niet wordt kwijtgescholden.
4.6.
Verder overweegt de rechtbank dat de financiële positie van eiseres niet bepalend is bij de beoordeling of binnen de kaders van het kwijtscheldingsbeleid een studieschuld wordt kwijtgescholden. De rechtbank wijst in dit verband op vaste rechtspraak van de CRvB. Daarin is overwogen dat met de financiële situatie van een betrokkene rekening wordt gehouden, onder andere door de mogelijkheid om een draagkrachtmeting aan te vragen. Hiermee wordt rekening gehouden met de financiële situatie van eiseres.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de studieschuld van eiseres niet wordt kwijtgescholden. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:14210.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:14210.
ECLI:NL:RVS:2018:3932 en ECLI:NL:RVS:2020:2537.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1421.
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/5334
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om kwijtschelding van haar studieschuld om medische redenen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert aan dat haar medische situatie vergelijkbaar is met de in het beleid van de minister beschreven uitzonderingscategorieën en meent dat aanleiding bestaat voor het toepassen van de hardheidsclausule.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van het kwijtscheldingsverzoek in stand kan blijven. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om kwijtschelding van haar studieschuld. De minister heeft die aanvraag afgewezen. Eiseres heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 6 november 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar partner, en de gemachtigde van de minister. De gemachtigde van eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting.
2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de minister in de gelegenheid stellen eiseres persoonlijk in contact te brengen met een medisch adviseur waarbij eventuele nieuwe medische gegevens in het gesprek worden meegenomen. De minister krijgt ook de gelegenheid om een nader standpunt te formuleren over de vraag hoe moet worden omgegaan met het niet in persoon zien van patiënten als de patiënt wel uitdrukkelijk die wens heeft geuit, in het licht van de KNMG-richtlijn.
2.5.
De minister heeft op 9 april 2025 een reactie gegeven en laten weten dat nog geen tweede advies is uitgebracht in het kader van deze procedure.
2.6.
In het kader van een andere procedure over een tweede kwijtscheldingsverzoek is ook een medisch advies opgesteld. Eiseres heeft op 3 november 2025 de rechtbank toestemming gegeven om kennis te nemen van dit advies in deze procedure. De minister heeft het advies op 19 december 2025 in conceptvorm naar de rechtbank verzonden.
2.7.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een nadere zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Mocht de minister het verzoek om kwijtschelding afwijzen?
3. Eiseres voert aan dat haar medische situatie vergelijkbaar is met de in het beleid van de minister genoemde uitzonderingscategorieën. Zij lijdt aan ernstige chronische aandoeningen, waaronder fibromyalgie en een traag werkende schildklier, alsmede aan structurele psychiatrische problematiek (afhankelijke persoonlijkheidsproblematiek, ADD, depressieve stoornis en psychotrauma). Deze aandoeningen beperken haar duurzaam in haar dagelijks functioneren. Volgens het UWV is geen sprake van re-integratiemogelijkheden en is de kans op herstel nihil, zodat zij in de toekomst geen inkomsten zal kunnen verwerven. De afwijzing van kwijtschelding belemmert haar bovendien in het opbouwen van een pensioenvoorziening. Zij stelt dat sprake is van een medisch uitzichtloze situatie, zodat het op humanitaire gronden onredelijk is haar tot terugbetaling te verplichten. Eiseres betoogt verder dat het medisch advies onvoldoende is gemotiveerd, nu de conclusie dat geen sprake is van een “daaraan gelijk te stellen situatie” niet nader is onderbouwd. Op zitting heeft eiseres aangevoerd dat zij niet in persoon is onderzocht door de medisch adviseur, hetgeen volgens haar in strijd is met de KNMG-richtlijnen. Gelet op het voorgaande had de minister de hardheidsclausule moeten toepassen.
3.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat op basis van de beschikbare medische informatie een zorgvuldig oordeel kon worden gevormd over de situatie van eiseres. Aan de afwijzing ligt een medisch advies van 20 september 2022 ten grondslag. Dit advies is gebaseerd op dossierstudie en informatie van de huisarts. De medisch adviseur heeft geconcludeerd dat de situatie van eiseres niet onder de in het beleid genoemde categorieën valt en dat haar functioneren niet op één lijn kan worden gesteld met de bedoelde uitzonderingsgevallen. Het oordeel van de medisch adviseur dat geen sprake is van een met de beleidscriteria gelijk te stellen situatie betreft een medisch oordeel, dat niet voldoende door de gemachtigde van eiseres is weerlegd. Daarbij is geen contra-expertise overgelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het kwijtscheldingsbeleid niet onredelijk en mag dit strikt worden toegepast. Van een uitzonderlijke situatie die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt, is volgens de minister geen sprake. Ten aanzien van het ontbreken van een persoonlijk onderzoek stelt de minister dat het aan de medisch adviseur is om te bepalen of de beschikbare informatie toereikend is. De adviseur mag zich baseren op informatie van behandelaars. Deze behandelaars hebben eiseres wel in persoon gezien en onderzocht. De minister ziet in de aangehaalde KNMG richtlijn geen verplichting voor een medisch adviseur, ten aanzien van verzoeken in het kader van de Wet Studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), om bij een dergelijke adviesaanvraag de betrokkene in persoon te zien. Bovendien is er sprake van een richtlijn en is het in eerste instantie aan de medicus om te bepalen wat nodig is voor de uitoefening van zijn taak.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wsf 2000 is degene die studiefinanciering heeft ontvangen verplicht tot terugbetaling van de lening. De Wsf 2000 voorziet slechts in kwijtschelding bij het einde van de aflosfase en bij overlijden van de debiteur.
4.1.
Op grond van de hardheidsclausule in artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 kan de minister voor bepaalde gevallen de terugbetalingsverplichting buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4.2.
De minister voert bij de toepassing van de in artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 opgenomen hardheidsclausule een beleid dat inhoudt dat op verzoek een resterende studieschuld kan worden kwijtgescholden indien een debiteur in één van de volgende categorieën valt:1) terminale patiënten, die naar verwachting binnen een jaar zullen overlijden;2) psychiatrische patiënten op verklaringen van de geneesheer-directeur dat de situatie uitzichtloos is;3) debiteuren die ernstig geestelijk gehandicapt zijn op verklaring van de inrichting;4) debiteuren die gedurende langere tijd in coma liggen.
4.3.
De achterliggende gedachte bij dit beleid is dat van debiteuren die in een dergelijke medisch uitzichtloze situatie verkeren op humanitaire gronden niet kan worden verlangd dat zij hun studieschuld nog (verder) terugbetalen. Naast de gevallen omschreven in het beleid bestaat ruimte om in een bijzonder geval eveneens hardheid aan te nemen. In dit verband wordt getoetst of er sprake is van “een vergelijkbare medisch uitzichtloze situatie dat op grond daarvan een uitzondering op dat beleid moet worden gemaakt”. Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat het door de minister gevoerde kwijtscheldingsbeleid niet onredelijk is en stringent toegepast mag worden.
4.4.
In deze zaak gaat het om een verzoek om kwijtschelding van een schuld om medische redenen. De medisch adviseur dient te beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden voor kwijtschelding van de schuld. De medisch adviseur verkrijgt specifieke informatie van de behandelaars, op basis waarvan het advies tot stand komt. Immers de behandelaar beschikt, na onderzoek en persoonlijk contact, over de medische relevante feiten en omstandigheden en is bij uitstek degene om daar een medisch adviseur van te voorzien. Indien de medisch adviseur meent voldoende relevante informatie te hebben verkregen, zal op basis daarvan een advies tot stand komen. Het is aan de medisch adviseur om te beoordelen of hij over voldoende informatie beschikt, om tot een gedegen advies te komen. Het is dan ook aan de medisch adviseur om te bepalen of een persoonlijk contact noodzakelijk is. Uit de door de minister aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt naar het oordeel van de rechtbank dat een persoonlijk onderzoek niet zonder meer vereist is. In de KNMG-richtlijn is evenmin een dergelijke verplichting neergelegd voor het betreft kwijtscheldingsverzoeken in het kader van de Wsf 2000.
4.5.
De rechtbank is gelet op het hiervoor opgenomen toetsingskader van oordeel dat de minister terecht de conclusie heeft getrokken dat de situatie waarin eiseres zich bevindt niet valt onder één van de in het beleid omschreven situaties. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de medisch adviseur. De medisch adviseur heeft met het bovenstaande inzichtelijk en navolgbaar uitgelegd waarom geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van het beleid of met een daaraan gelijk te stellen situatie. Eiseres heeft niet, aan de hand van nadere medische informatie, aannemelijk gemaakt dat de medisch adviseur haar medische situatie onjuist heeft ingeschat of dat aan de juistheid van de conclusie van de medisch adviseur moet worden getwijfeld. Ook het advies in de andere procedure, leidt niet tot twijfel aan het eerdere advies. Hiermee wil de rechtbank de situatie waarin eiseres verkeert, niet bagatelliseren, maar van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister van het beleid had moeten afwijken is geen sprake. Voor het oordeel dat de minister de medische situatie van eiseres heeft onderschat, ziet de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanknopingspunten. De minister heeft daarom ook terecht beslist dat de studieschuld niet wordt kwijtgescholden.
4.6.
Verder overweegt de rechtbank dat de financiële positie van eiseres niet bepalend is bij de beoordeling of binnen de kaders van het kwijtscheldingsbeleid een studieschuld wordt kwijtgescholden. De rechtbank wijst in dit verband op vaste rechtspraak van de CRvB. Daarin is overwogen dat met de financiële situatie van een betrokkene rekening wordt gehouden, onder andere door de mogelijkheid om een draagkrachtmeting aan te vragen. Hiermee wordt rekening gehouden met de financiële situatie van eiseres.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de studieschuld van eiseres niet wordt kwijtgescholden. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:14210.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:14210.
ECLI:NL:RVS:2018:3932 en ECLI:NL:RVS:2020:2537.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1421.