Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3280
2026-06-05
Bestuursrecht
LEE 24/4596
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wet inburgering 2021. Afwijzing van een verzoek om ontheffing van de inburgeringsplicht om medische of psychische redenen. De minister heeft de adviezen van Argonaut aan het besluit ten grondslag mogen leggen. Beroep ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2019:516 Raad van State 20-02-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.108 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4596
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs,
de minister
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om ontheffing van de inburgeringsplicht om medische of psychische redenen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om ontheffing van de inburgeringsplicht om medische of psychische redenen. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 17 januari 2024 afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 8 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Issa als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister ontheft de inburgeringsplichtige geheel of gedeeltelijk van de inburgeringsplicht, onder meer als de inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat te zijn aan de inburgeringsplicht te voldoen. De ontheffing kan worden verleend als redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering zodanig is dat niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing aan de inburgeringsplicht of aan een of meerdere onderdelen daarvan kan worden voldaan. In het kader van de aanvraagprocedure tot ontheffing verzoekt de minister een door hem aangewezen arts een deskundigenverklaring af te geven.
3.1.
De adviezen van Argonaut zijn deskundigenadviezen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet een bestuursorgaan, indien het een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht van vergewissen dat dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk en concludent is. De inburgeringsplichtige kan met een contra-expertise de inhoudelijke juistheid van een deskundigenadvies betwisten. Met stukken van behandelaars kan hij de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en concludentie van een deskundigenadvies aan de orde stellen, dan wel concrete aanknopingspunten aanvoeren voor twijfel aan de inhoud ervan.
De medische adviezen
4. Eiser voert aan dat de minister zijn besluitvorming niet op de adviezen van Argonaut had mogen baseren. Hij stelt dat de artsen van Argonaut bij hun beoordeling onvoldoende rekening hebben gehouden met zijn medische beperkingen. Hij is vanwege zijn gezondheidssituatie niet in staat om in te burgeren. Eiser voert daartoe aan dat hij slecht ziet en hoort en daarnaast neurologische klachten heeft, waardoor hij zijn evenwicht moeilijk kan bewaren en zich slecht kan oriënteren. Hij is al meerdere malen van de fiets gevallen en hij verdwaalt regelmatig wanneer hij ergens naartoe moet. Voorts voert hij aan dat maatschappelijk werkers en docenten die hem hebben begeleid, aangegeven dat hij niet in staat is om in te burgeren. Deze verklaringen geven volgens eiser aanleiding om hem ontheffing te verlenen. Daarnaast stelt eiser dat, anders dan in de adviezen is vermeld, geen reële behandelmogelijkheden meer bestaan om zijn klachtenbeeld en functioneren te verbeteren. Bovendien is in de adviezen niet inzichtelijk gemaakt welke behandelingen er concreet nog mogelijk zijn.
5. De minister stelt zich op het standpunt dat uit de door Argonaut verrichte onderzoeken volgt dat eiser in staat is om in te burgeren binnen vijf jaar. In de bezwaarprocedure is beoordeeld of deze adviezen inhoudelijk concludent zijn. Volgens de minister zijn de adviezen op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, is de inhoud daarvan inzichtelijk en consistent, en leiden deze tot een logische conclusie. Uit deze adviezen volgt niet dat sprake is van een medische eindsituatie, wat wel is vereist voor het verlenen van een ontheffing. De minister stelt dat namens eiser geen contra-expertise is overgelegd waaruit een andersluidende conclusie blijkt.
6. De rechtbank is van oordeel dat het advies van Argonaut van 21 december 2023 en de aanvullende adviezen van 10 juni 2024 en 2 september 2024 – te weten dat eiser met zijn medische situatie in staat kan worden geacht om binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te halen - zorgvuldig en concludent zijn. Eiser is op het spreekuur gezien en Argonaut heeft alle medische stukken meegenomen in de beoordeling. De problemen die eiser aankaart zijn benoemt in de adviezen. Argonaut heeft de bestaande medische problematiek in kaart te gebracht en heeft uiteengezet dat er behandelmogelijkheden worden gezien voor de door eiser naar voren gebrachte klachten en beperkingen. De in de bezwaarfase overgelegde medische gegevens heeft de minister voorgelegd aan Argonaut. Argonaut heeft vervolgens helder en duidelijk uiteengezet waarom deze medische gegevens niet leiden tot een andersluidend advies voor wat betreft de vraag of eiser in staat wordt geacht binnen een termijn van 5 jaar te kunnen voldoen aan (onderdelen van) de inburgeringsplicht.
6.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister bij zijn besluitvorming voldoende rekening heeft gehouden met de belangen en de medische situatie van eiser, door het advies tot het toepassen van een examenaanpassing over te nemen. Het besluit om eiser niet te ontheffen van de inburgeringsplicht vindt naar het oordeel van de rechtbank grondslag in de adviezen van Argonaut. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser geen medische contra-expertise of anderszins onderbouwde medische informatie heeft overgelegd waaruit volgt dat deze adviezen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of inhoudelijk ontoereikend en/of onjuist zijn. De stelling van eiser dat sprake is van een medische eindsituatie, is niet met medische stukken onderbouwd en vindt evenmin steun in de stukken in het dossier.
6.2.
Dat betekent dat de minister ter terecht vanuit is gegaan dat geen sprake is van een situatie waarin eiser door medische omstandigheden blijvend niet in staat is om aan de inburgeringsplicht te voldoen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister eiser terecht geen ontheffing van zijn inburgeringsplicht heeft verleend. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet inburgering 2021
Artikel 5, eerste lid 1. Onze Minister ontheft de inburgeringsplichtige geheel of gedeeltelijk van de inburgeringsplicht als diegene heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, of een verstandelijke beperking, blijvend niet in staat te zijn aan de inburgeringsplicht, of een gedeelte daarvan, te voldoen.
Besluit inburgering 2021
Artikel 2.7, eerste en tweede lid 1. In het kader van de aanvraagprocedure tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, verzoekt Onze Minister een door hem aangewezen arts, niet zijnde de behandelend arts van de inburgeringsplichtige, die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, een deskundigenverklaring af te geven met betrekking tot de inburgeringsplichtige die de aanvraag tot ontheffing heeft ingediend. 2. De gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht wordt verleend indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke beperking zodanig is dat niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing aan de inburgeringsplicht dan wel aan een of meerdere onderdelen daarvan kan worden voldaan.
Artikel 5, eerste lid, van de Wet inburgering 2021.
Artikel 2.7, tweede lid, van het Besluit inburgering 2021.
Artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit inburgering 2021.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:516.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4596
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs,
de minister
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om ontheffing van de inburgeringsplicht om medische of psychische redenen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om ontheffing van de inburgeringsplicht om medische of psychische redenen. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 17 januari 2024 afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 8 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Issa als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister ontheft de inburgeringsplichtige geheel of gedeeltelijk van de inburgeringsplicht, onder meer als de inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat te zijn aan de inburgeringsplicht te voldoen. De ontheffing kan worden verleend als redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering zodanig is dat niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing aan de inburgeringsplicht of aan een of meerdere onderdelen daarvan kan worden voldaan. In het kader van de aanvraagprocedure tot ontheffing verzoekt de minister een door hem aangewezen arts een deskundigenverklaring af te geven.
3.1.
De adviezen van Argonaut zijn deskundigenadviezen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet een bestuursorgaan, indien het een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht van vergewissen dat dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk en concludent is. De inburgeringsplichtige kan met een contra-expertise de inhoudelijke juistheid van een deskundigenadvies betwisten. Met stukken van behandelaars kan hij de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en concludentie van een deskundigenadvies aan de orde stellen, dan wel concrete aanknopingspunten aanvoeren voor twijfel aan de inhoud ervan.
De medische adviezen
4. Eiser voert aan dat de minister zijn besluitvorming niet op de adviezen van Argonaut had mogen baseren. Hij stelt dat de artsen van Argonaut bij hun beoordeling onvoldoende rekening hebben gehouden met zijn medische beperkingen. Hij is vanwege zijn gezondheidssituatie niet in staat om in te burgeren. Eiser voert daartoe aan dat hij slecht ziet en hoort en daarnaast neurologische klachten heeft, waardoor hij zijn evenwicht moeilijk kan bewaren en zich slecht kan oriënteren. Hij is al meerdere malen van de fiets gevallen en hij verdwaalt regelmatig wanneer hij ergens naartoe moet. Voorts voert hij aan dat maatschappelijk werkers en docenten die hem hebben begeleid, aangegeven dat hij niet in staat is om in te burgeren. Deze verklaringen geven volgens eiser aanleiding om hem ontheffing te verlenen. Daarnaast stelt eiser dat, anders dan in de adviezen is vermeld, geen reële behandelmogelijkheden meer bestaan om zijn klachtenbeeld en functioneren te verbeteren. Bovendien is in de adviezen niet inzichtelijk gemaakt welke behandelingen er concreet nog mogelijk zijn.
5. De minister stelt zich op het standpunt dat uit de door Argonaut verrichte onderzoeken volgt dat eiser in staat is om in te burgeren binnen vijf jaar. In de bezwaarprocedure is beoordeeld of deze adviezen inhoudelijk concludent zijn. Volgens de minister zijn de adviezen op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, is de inhoud daarvan inzichtelijk en consistent, en leiden deze tot een logische conclusie. Uit deze adviezen volgt niet dat sprake is van een medische eindsituatie, wat wel is vereist voor het verlenen van een ontheffing. De minister stelt dat namens eiser geen contra-expertise is overgelegd waaruit een andersluidende conclusie blijkt.
6. De rechtbank is van oordeel dat het advies van Argonaut van 21 december 2023 en de aanvullende adviezen van 10 juni 2024 en 2 september 2024 – te weten dat eiser met zijn medische situatie in staat kan worden geacht om binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te halen - zorgvuldig en concludent zijn. Eiser is op het spreekuur gezien en Argonaut heeft alle medische stukken meegenomen in de beoordeling. De problemen die eiser aankaart zijn benoemt in de adviezen. Argonaut heeft de bestaande medische problematiek in kaart te gebracht en heeft uiteengezet dat er behandelmogelijkheden worden gezien voor de door eiser naar voren gebrachte klachten en beperkingen. De in de bezwaarfase overgelegde medische gegevens heeft de minister voorgelegd aan Argonaut. Argonaut heeft vervolgens helder en duidelijk uiteengezet waarom deze medische gegevens niet leiden tot een andersluidend advies voor wat betreft de vraag of eiser in staat wordt geacht binnen een termijn van 5 jaar te kunnen voldoen aan (onderdelen van) de inburgeringsplicht.
6.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister bij zijn besluitvorming voldoende rekening heeft gehouden met de belangen en de medische situatie van eiser, door het advies tot het toepassen van een examenaanpassing over te nemen. Het besluit om eiser niet te ontheffen van de inburgeringsplicht vindt naar het oordeel van de rechtbank grondslag in de adviezen van Argonaut. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser geen medische contra-expertise of anderszins onderbouwde medische informatie heeft overgelegd waaruit volgt dat deze adviezen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of inhoudelijk ontoereikend en/of onjuist zijn. De stelling van eiser dat sprake is van een medische eindsituatie, is niet met medische stukken onderbouwd en vindt evenmin steun in de stukken in het dossier.
6.2.
Dat betekent dat de minister ter terecht vanuit is gegaan dat geen sprake is van een situatie waarin eiser door medische omstandigheden blijvend niet in staat is om aan de inburgeringsplicht te voldoen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister eiser terecht geen ontheffing van zijn inburgeringsplicht heeft verleend. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet inburgering 2021
Artikel 5, eerste lid 1. Onze Minister ontheft de inburgeringsplichtige geheel of gedeeltelijk van de inburgeringsplicht als diegene heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, of een verstandelijke beperking, blijvend niet in staat te zijn aan de inburgeringsplicht, of een gedeelte daarvan, te voldoen.
Besluit inburgering 2021
Artikel 2.7, eerste en tweede lid 1. In het kader van de aanvraagprocedure tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, verzoekt Onze Minister een door hem aangewezen arts, niet zijnde de behandelend arts van de inburgeringsplichtige, die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, een deskundigenverklaring af te geven met betrekking tot de inburgeringsplichtige die de aanvraag tot ontheffing heeft ingediend. 2. De gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht wordt verleend indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke beperking zodanig is dat niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing aan de inburgeringsplicht dan wel aan een of meerdere onderdelen daarvan kan worden voldaan.
Artikel 5, eerste lid, van de Wet inburgering 2021.
Artikel 2.7, tweede lid, van het Besluit inburgering 2021.
Artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit inburgering 2021.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:516.