Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3268
2026-04-17
Bestuursrecht
LEE 25/2469
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Herziening van de hoogte van de aanvullende beurs. De minister heeft de veronderstelde ouderlijke bijdrage terecht vastgesteld op basis van het ouderlijk inkomen. Dat de ouder de bijdrage feitelijk niet betaalt, leidt niet tot een hogere aanvullende beurs. Beroep ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:CRVB:2016:1137 Centrale Raad van Beroep 23-03-2016
- ECLI:NL:RBROE:2011:4847 Rechtbank Roermond 15-11-2011
- ECLI:NL:CRVB:2016:1137 Centrale Raad van Beroep 23-03-2016
- ECLI:NL:CRVB:2017:3052 Centrale Raad van Beroep 06-09-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5874 Rechtbank Den Haag 08-02-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.646 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2469
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs,
de minister
(gemachtigde: mr. E. van den Berg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de herziening van de hoogte van zijn aanvullende beurs over het studiefinancieringstijdvak 2025. Eiser is het niet eens met de herziening. Eiser voert aan dat ten onrechte rekening is gehouden met het inkomen van zijn vader, omdat deze de veronderstelde ouderlijke bijdrage niet betaalt. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de hoogte van de aanvullende beurs terecht heeft herzien.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden de hoogte van de aanvullende beurs heeft vastgesteld. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 24 januari 2025 heeft de minister de hoogte van eisers aanvullende beurs herzien. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 3 juni 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser voert aan dat zijn aanvullende beurs onterecht is herzien omdat hij de ouderlijke bijdrage niet volledig ontvangt. Eisers vader levert namelijk geen financiële bijdrage aan zijn studie, omdat hij door zijn financiële situatie niet in staat is de ouderlijke bijdrage te voldoen.
4. De minister stelt zich op het standpunt dat de toevoeging ‘veronderstelde’ in artikel 3.9 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) erop duidt dat de ouderlijke bijdrage wordt vastgesteld ongeacht of deze door de ouder wordt voldaan. Dat de vader van eiser de veronderstelde ouderlijke bijdrage niet betaalt, kan niet leiden tot een andere beslissing.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 3.8. van de Wsf 2000 is de hoogte van de aanvullende beurs afhankelijk van het ouderlijk inkomen. Deze zogenoemde veronderstelde ouderlijke bijdrage wordt berekend ingevolge de artikelen 3.9 tot en met 3.13, van de Wsf 2000.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de hoogte van het inkomen van eisers vader en de berekening van de hoogte van de veronderstelde ouderbijdrage niet in geschil zijn. In geschil is de vraag of de minister het inkomen van de vader van eiser buiten beschouwing moet laten omdat de vader door zijn financiële situatie feitelijk gezien niet in staat is om bij te dragen aan de studiekosten van eiser.
5.2.
De rechtbank overweegt dat de wettelijke regeling over de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage een dwingend en uitputtend karakter heeft. Op grond van vaste rechtspraak mag de minister bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening houden met de mogelijkheden die de ouder heeft om de ouderbijdrage daadwerkelijk te voldoen. De rechtbank wijst daarbij op situaties waarin de ouder wel wil bijdragen, maar dit bijvoorbeeld door schulden niet kan. Uit vaste rechtspraak in dit soort zaken volgt dat de wetgever ervoor heeft gekozen dat het door de Belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen bepalend is voor de vaststelling van het toetsingsinkomen en daarmee van de veronderstelde ouderlijke bijdrage. Dit betekent dat met het besteedbaar inkomen van de ouders geen rekening wordt gehouden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister op goede gronden de aanvullende beurs van eiser heeft herzien.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB: de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken) van 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1137 en van de rechtbank Roermond van 15 november 2011, ECLI:NL:RBROE:2011:4847.
Zie de uitspraken van de CRvB van 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1137, r.o. 4.6 en 6 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3052, r.o. 4.2.
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5874.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2469
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs,
de minister
(gemachtigde: mr. E. van den Berg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de herziening van de hoogte van zijn aanvullende beurs over het studiefinancieringstijdvak 2025. Eiser is het niet eens met de herziening. Eiser voert aan dat ten onrechte rekening is gehouden met het inkomen van zijn vader, omdat deze de veronderstelde ouderlijke bijdrage niet betaalt. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de hoogte van de aanvullende beurs terecht heeft herzien.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden de hoogte van de aanvullende beurs heeft vastgesteld. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 24 januari 2025 heeft de minister de hoogte van eisers aanvullende beurs herzien. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 3 juni 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser voert aan dat zijn aanvullende beurs onterecht is herzien omdat hij de ouderlijke bijdrage niet volledig ontvangt. Eisers vader levert namelijk geen financiële bijdrage aan zijn studie, omdat hij door zijn financiële situatie niet in staat is de ouderlijke bijdrage te voldoen.
4. De minister stelt zich op het standpunt dat de toevoeging ‘veronderstelde’ in artikel 3.9 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) erop duidt dat de ouderlijke bijdrage wordt vastgesteld ongeacht of deze door de ouder wordt voldaan. Dat de vader van eiser de veronderstelde ouderlijke bijdrage niet betaalt, kan niet leiden tot een andere beslissing.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 3.8. van de Wsf 2000 is de hoogte van de aanvullende beurs afhankelijk van het ouderlijk inkomen. Deze zogenoemde veronderstelde ouderlijke bijdrage wordt berekend ingevolge de artikelen 3.9 tot en met 3.13, van de Wsf 2000.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de hoogte van het inkomen van eisers vader en de berekening van de hoogte van de veronderstelde ouderbijdrage niet in geschil zijn. In geschil is de vraag of de minister het inkomen van de vader van eiser buiten beschouwing moet laten omdat de vader door zijn financiële situatie feitelijk gezien niet in staat is om bij te dragen aan de studiekosten van eiser.
5.2.
De rechtbank overweegt dat de wettelijke regeling over de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage een dwingend en uitputtend karakter heeft. Op grond van vaste rechtspraak mag de minister bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening houden met de mogelijkheden die de ouder heeft om de ouderbijdrage daadwerkelijk te voldoen. De rechtbank wijst daarbij op situaties waarin de ouder wel wil bijdragen, maar dit bijvoorbeeld door schulden niet kan. Uit vaste rechtspraak in dit soort zaken volgt dat de wetgever ervoor heeft gekozen dat het door de Belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen bepalend is voor de vaststelling van het toetsingsinkomen en daarmee van de veronderstelde ouderlijke bijdrage. Dit betekent dat met het besteedbaar inkomen van de ouders geen rekening wordt gehouden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister op goede gronden de aanvullende beurs van eiser heeft herzien.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB: de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken) van 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1137 en van de rechtbank Roermond van 15 november 2011, ECLI:NL:RBROE:2011:4847.
Zie de uitspraken van de CRvB van 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1137, r.o. 4.6 en 6 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3052, r.o. 4.2.
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5874.