Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3263
2026-04-03
Bestuursrecht
LEE 25/2475
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Herziening en terugvordering van zorgtoeslag wegens toeslagpartnerschap. Verweerder heeft de ex-partner terecht als toeslagpartner aangemerkt, omdat de echtscheiding niet tijdig was ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Geen aanleiding voor matiging van de terugvordering. Beroep ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2023:772 Raad van State 01-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:772 Raad van State 01-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2019:3536 Raad van State 23-10-2019
- ECLI:NL:RVS:2022:3491 Raad van State 30-11-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.222 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2475
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Tamourt),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: A.A. Wubs en C. Ernsten).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de herziening naar € 0,- van het voorschot zorgtoeslag van eiser over 2024 en de terugvordering van reeds betaalde zorgtoeslag over het jaar 2024 omdat sprake was van toeslagpartnerschap in 2024. De echtscheiding van eiser en zijn ex-vrouw was namelijk niet in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.
1.1.
Eiser is het niet eens met de herziening en de terugvordering. Hij voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de zorgtoeslag mocht herzien en terugvorderen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser is op 15 oktober 1995 gehuwd met zijn (inmiddels) ex-partner. In een beschikking van 3 april 2023 heeft de rechtbank Overijssel de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is niet in de registers ingeschreven. De termijn voor die inschrijving eindigde op 3 januari 2024.
2.1.
Verweerder heeft op 28 december 2023 aan eiser een voorschot zorgtoeslag over 2024 verleend van € 1.483,-.
2.2.
Verweerder heeft met brieven van 19 september 2024, 24 oktober 2024 en 25 november 2024 de ex-partner verzocht om informatie over de echtscheiding. Daar is geen reactie op ontvangen. Verweerder is vanaf 1 februari 2024 weer uitgegaan van toeslagpartnerschap.
2.3.
Op 15 januari 2025 heeft eiser een nieuw echtscheidingsverzoek ingediend.
2.4.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 31 januari 2025 het voorschot zorgtoeslag 2024 herzien naar € 0,- en het ontvangen voorschot ad € 1.483,- teruggevorderd, omdat in de maanden februari 2024 tot en met december 2024 sprake was van toeslagpartnerschap. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.5.
In een beschikking van 14 april 2025 heeft de rechtbank Noord-Nederland de echtscheiding opnieuw uitgesproken.
2.6.
Met het bestreden besluit van 4 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de herziening en terugvordering van de zorgtoeslag gebleven.
2.7.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.8.
De echtscheidingsbeschikking van 14 april 2025 is op 12 november 2025 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer Z. Hamina als tolk en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser stelt dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden en verzoekt om toepassing van de hardheidsclausule. Eiser vindt dat de regels te strikt zijn toegepast zonder oog voor zijn individuele (financiële) omstandigheden. Hij wordt onevenredig hard getroffen door de terugvordering omdat hij een bijstandsuitkering heeft en verschillende schulden. Daarnaast is het niet inschrijven van de echtscheidingsbeschikking niet aan eiser te wijten.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in deze zaak weliswaar sprake is van bijzondere omstandigheden, maar dat deze zijn meegenomen in de afweging van de wetgever. De situatie dat ex-partners op papier nog gehuwd zijn maar feitelijk geen gezamenlijke huishouding voeren, is namelijk door de wetgever voorzien. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan daarom niet slagen. De aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om aan te nemen dat de terugvordering onevenredig is. Eiser heeft meerdere professionele hulpverleners gehad. Hij wordt daarom geacht zijn rechten en plichten in voldoende mate te begrijpen, of zich daarbij adequaat te laten ondersteunen. Het risico dat rechtsbijstand tekortschiet kan niet voor rekening van verweerder komen nu het gaat om de rechtmatige besteding van publieke middelen. Verder volgt uit het Verzamelbesluit Toeslagen dat een terugvordering in beginsel niet onevenredig is als de belanghebbende niet de financiële middelen heeft om deze te betalen. Eiser kan namelijk een persoonlijke betalingsregeling treffen. Niet is gebleken dat dit geen toereikende oplossing biedt. Verder is verweerder niet bevoegd te beslissen op het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule. Dit verzoek is doorgestuurd aan de minister van financiën.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Niet is betwist dat eiser en zijn ex-partner sinds 1995 tot het inschrijven van de echtscheidingsbeschikking van 14 april 2025 in de registers van de burgerlijke stand gehuwd zijn geweest. Weliswaar heeft de rechtbank Overijssel op 3 april 2023 de echtscheiding uitgesproken, maar omdat die beschikking niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, heeft die beschikking per 3 januari 2024 haar kracht verloren. Gelet hierop heeft verweerder, op grond van artikel 3, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) in verbinding met artikel 5a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), de ex-partner van eiser terecht als toeslagpartner aangemerkt voor de zorgtoeslag over het jaar 2024. Eiser heeft geen gronden gericht tegen het doorzenden van zijn beroep op de hardheidsclausule naar de minister van financiën.
5.1.
De rechtbank dient te beoordelen of er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die maken dat de herziening van het voorschot en de terugvordering onevenredig zijn.
Is het evenredigheidbeginsel geschonden?
6. De rechtbank overweegt dat de bepalingen van de Awir en Awr dwingend zijn geformuleerd. De tekst van de bepalingen is helder en laat geen ruimte voor verweerder om daarvan af te wijken. De Awir en de Awr zijn bovendien wetten in formele zin. De hiervoor onder 5 genoemde artikelen kunnen daarom niet worden getoetst aan artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het evenredigheidsbeginsel.
6.1.
In uitzonderlijke gevallen kan aanleiding bestaan voor zogenoemde contra-legem toepassing van algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Dit is het geval als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene beginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd waarvan gezegd kan worden dat de wetgever daarmee geen rekening heeft gehouden. Dat partijen in de periode na de echtscheidingsbeschikking op papier nog gehuwd waren, maar feitelijk geen gezamenlijke (financiële) huishouding voerden en op verschillende adressen wonen, is door de wetgever voorzien. De wetgever heeft uitdrukkelijk en welbewust gekozen voor objectief bepaalbare criteria voor het vaststellen van (fiscaal) partnerschap en uitdrukkelijk overwogen dat dat partnerschap niet eindigt door duurzaam gescheiden leven. Dit betekent dat het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt.
Moet verweerder de terugvordering matigen?
7. Op grond van artikel 26 van de Awir is de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, het bedrag van de terugvordering in beginsel in zijn geheel verschuldigd. Wel heeft verweerder discretionaire ruimte bij de vaststelling van het bedrag dat hij terugvordert. Verweerder moet daarom de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen. Onder bijzondere omstandigheden kan verweerder dan afzien van terugvordering of het terug te vorderen bedrag matigen.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen concluderen dat de nadelige gevolgen van de terugvordering niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen, namelijk de rechtmatige besteding van publieke middelen. Het niet inschrijven van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand komt voor rekening en risico van eiser. Het risico dat rechtsbijstand tekortschiet kan niet voor rekening van verweerder komen. Verweerder heeft in aanmerking kunnen nemen dat eiser kan verzoeken om een persoonlijke betalingsregeling waarbij rekening wordt gehouden met zijn actuele draagkracht. Niet gebleken is dat een persoonlijke betalingsregeling geen toereikende oplossing biedt voor de financiële situatie van eiser. Van andere bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Dat eiser een bijstandsuitkering ontvangt is in dit verband geen bijzondere omstandigheid. Om deze reden heeft verweerder het bedrag van de terugvordering niet hoeven matigen.
7.2.
Verweerder heeft opgemerkt dat eiser op dit moment gebruikt maakt van een standaardbetalingsregeling, maar dat het raadzaam is om een verzoek in te dienen voor een persoonlijke betalingsregeling. Bij een dergelijke regeling kan namelijk ook rekening worden gehouden met eiser zijn bijstandsuitkering en zijn schulden. Verder heeft verweerder op zitting uitgelegd dat eiser en zijn ex-partner gezamenlijk één aanspraak hebben op zorgtoeslag. Eiser heeft dus jegens zijn ex-partner aanspraak op de helft van het aan haar betaalde bedrag aan zorgtoeslag 2024. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Uit het feit dat eiser al geruime tijd voldoet aan de standaardbetalingsregeling (eiser betaalt maandelijks € 62,-) volgt dat eiser door terugbetaling niet in grote financiële problemen is gekomen. Eiser heeft geen inzicht verschaft in aard en omvang van de schulden die hij stelt te hebben. Dat hij het lastig vindt zijn deel van de zorgtoeslag 2024 bij zijn ex-partner te claimen, betekent niet dat verweerder geheel of gedeeltelijk zou moeten afzien van terugvordering.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser de ontvangen zorgtoeslag moet terugbetalen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dat volgt uit de artikel 1:163 Burgerlijk Wetboek en 358, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Op 12 november 2025.
Artikel 1:163, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Op grond van artikel 47 van de Awir.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, onder 9.6 en 9.10.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
Kamerstukken II 2009/10, 31 130, nr. 3, p.81 en Kamerstukken I, 2010/11, 32 504, 32 505, 32 401, G.
Zie artikel 3:4 van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, met nummer ECLI:NL:RVS:2019:3536.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3491.
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2475
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Tamourt),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: A.A. Wubs en C. Ernsten).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de herziening naar € 0,- van het voorschot zorgtoeslag van eiser over 2024 en de terugvordering van reeds betaalde zorgtoeslag over het jaar 2024 omdat sprake was van toeslagpartnerschap in 2024. De echtscheiding van eiser en zijn ex-vrouw was namelijk niet in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.
1.1.
Eiser is het niet eens met de herziening en de terugvordering. Hij voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de zorgtoeslag mocht herzien en terugvorderen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser is op 15 oktober 1995 gehuwd met zijn (inmiddels) ex-partner. In een beschikking van 3 april 2023 heeft de rechtbank Overijssel de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is niet in de registers ingeschreven. De termijn voor die inschrijving eindigde op 3 januari 2024.
2.1.
Verweerder heeft op 28 december 2023 aan eiser een voorschot zorgtoeslag over 2024 verleend van € 1.483,-.
2.2.
Verweerder heeft met brieven van 19 september 2024, 24 oktober 2024 en 25 november 2024 de ex-partner verzocht om informatie over de echtscheiding. Daar is geen reactie op ontvangen. Verweerder is vanaf 1 februari 2024 weer uitgegaan van toeslagpartnerschap.
2.3.
Op 15 januari 2025 heeft eiser een nieuw echtscheidingsverzoek ingediend.
2.4.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 31 januari 2025 het voorschot zorgtoeslag 2024 herzien naar € 0,- en het ontvangen voorschot ad € 1.483,- teruggevorderd, omdat in de maanden februari 2024 tot en met december 2024 sprake was van toeslagpartnerschap. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.5.
In een beschikking van 14 april 2025 heeft de rechtbank Noord-Nederland de echtscheiding opnieuw uitgesproken.
2.6.
Met het bestreden besluit van 4 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de herziening en terugvordering van de zorgtoeslag gebleven.
2.7.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.8.
De echtscheidingsbeschikking van 14 april 2025 is op 12 november 2025 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer Z. Hamina als tolk en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser stelt dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden en verzoekt om toepassing van de hardheidsclausule. Eiser vindt dat de regels te strikt zijn toegepast zonder oog voor zijn individuele (financiële) omstandigheden. Hij wordt onevenredig hard getroffen door de terugvordering omdat hij een bijstandsuitkering heeft en verschillende schulden. Daarnaast is het niet inschrijven van de echtscheidingsbeschikking niet aan eiser te wijten.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in deze zaak weliswaar sprake is van bijzondere omstandigheden, maar dat deze zijn meegenomen in de afweging van de wetgever. De situatie dat ex-partners op papier nog gehuwd zijn maar feitelijk geen gezamenlijke huishouding voeren, is namelijk door de wetgever voorzien. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan daarom niet slagen. De aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om aan te nemen dat de terugvordering onevenredig is. Eiser heeft meerdere professionele hulpverleners gehad. Hij wordt daarom geacht zijn rechten en plichten in voldoende mate te begrijpen, of zich daarbij adequaat te laten ondersteunen. Het risico dat rechtsbijstand tekortschiet kan niet voor rekening van verweerder komen nu het gaat om de rechtmatige besteding van publieke middelen. Verder volgt uit het Verzamelbesluit Toeslagen dat een terugvordering in beginsel niet onevenredig is als de belanghebbende niet de financiële middelen heeft om deze te betalen. Eiser kan namelijk een persoonlijke betalingsregeling treffen. Niet is gebleken dat dit geen toereikende oplossing biedt. Verder is verweerder niet bevoegd te beslissen op het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule. Dit verzoek is doorgestuurd aan de minister van financiën.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Niet is betwist dat eiser en zijn ex-partner sinds 1995 tot het inschrijven van de echtscheidingsbeschikking van 14 april 2025 in de registers van de burgerlijke stand gehuwd zijn geweest. Weliswaar heeft de rechtbank Overijssel op 3 april 2023 de echtscheiding uitgesproken, maar omdat die beschikking niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, heeft die beschikking per 3 januari 2024 haar kracht verloren. Gelet hierop heeft verweerder, op grond van artikel 3, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) in verbinding met artikel 5a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), de ex-partner van eiser terecht als toeslagpartner aangemerkt voor de zorgtoeslag over het jaar 2024. Eiser heeft geen gronden gericht tegen het doorzenden van zijn beroep op de hardheidsclausule naar de minister van financiën.
5.1.
De rechtbank dient te beoordelen of er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die maken dat de herziening van het voorschot en de terugvordering onevenredig zijn.
Is het evenredigheidbeginsel geschonden?
6. De rechtbank overweegt dat de bepalingen van de Awir en Awr dwingend zijn geformuleerd. De tekst van de bepalingen is helder en laat geen ruimte voor verweerder om daarvan af te wijken. De Awir en de Awr zijn bovendien wetten in formele zin. De hiervoor onder 5 genoemde artikelen kunnen daarom niet worden getoetst aan artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het evenredigheidsbeginsel.
6.1.
In uitzonderlijke gevallen kan aanleiding bestaan voor zogenoemde contra-legem toepassing van algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Dit is het geval als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene beginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd waarvan gezegd kan worden dat de wetgever daarmee geen rekening heeft gehouden. Dat partijen in de periode na de echtscheidingsbeschikking op papier nog gehuwd waren, maar feitelijk geen gezamenlijke (financiële) huishouding voerden en op verschillende adressen wonen, is door de wetgever voorzien. De wetgever heeft uitdrukkelijk en welbewust gekozen voor objectief bepaalbare criteria voor het vaststellen van (fiscaal) partnerschap en uitdrukkelijk overwogen dat dat partnerschap niet eindigt door duurzaam gescheiden leven. Dit betekent dat het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt.
Moet verweerder de terugvordering matigen?
7. Op grond van artikel 26 van de Awir is de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, het bedrag van de terugvordering in beginsel in zijn geheel verschuldigd. Wel heeft verweerder discretionaire ruimte bij de vaststelling van het bedrag dat hij terugvordert. Verweerder moet daarom de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen. Onder bijzondere omstandigheden kan verweerder dan afzien van terugvordering of het terug te vorderen bedrag matigen.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen concluderen dat de nadelige gevolgen van de terugvordering niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen, namelijk de rechtmatige besteding van publieke middelen. Het niet inschrijven van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand komt voor rekening en risico van eiser. Het risico dat rechtsbijstand tekortschiet kan niet voor rekening van verweerder komen. Verweerder heeft in aanmerking kunnen nemen dat eiser kan verzoeken om een persoonlijke betalingsregeling waarbij rekening wordt gehouden met zijn actuele draagkracht. Niet gebleken is dat een persoonlijke betalingsregeling geen toereikende oplossing biedt voor de financiële situatie van eiser. Van andere bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Dat eiser een bijstandsuitkering ontvangt is in dit verband geen bijzondere omstandigheid. Om deze reden heeft verweerder het bedrag van de terugvordering niet hoeven matigen.
7.2.
Verweerder heeft opgemerkt dat eiser op dit moment gebruikt maakt van een standaardbetalingsregeling, maar dat het raadzaam is om een verzoek in te dienen voor een persoonlijke betalingsregeling. Bij een dergelijke regeling kan namelijk ook rekening worden gehouden met eiser zijn bijstandsuitkering en zijn schulden. Verder heeft verweerder op zitting uitgelegd dat eiser en zijn ex-partner gezamenlijk één aanspraak hebben op zorgtoeslag. Eiser heeft dus jegens zijn ex-partner aanspraak op de helft van het aan haar betaalde bedrag aan zorgtoeslag 2024. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Uit het feit dat eiser al geruime tijd voldoet aan de standaardbetalingsregeling (eiser betaalt maandelijks € 62,-) volgt dat eiser door terugbetaling niet in grote financiële problemen is gekomen. Eiser heeft geen inzicht verschaft in aard en omvang van de schulden die hij stelt te hebben. Dat hij het lastig vindt zijn deel van de zorgtoeslag 2024 bij zijn ex-partner te claimen, betekent niet dat verweerder geheel of gedeeltelijk zou moeten afzien van terugvordering.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser de ontvangen zorgtoeslag moet terugbetalen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dat volgt uit de artikel 1:163 Burgerlijk Wetboek en 358, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Op 12 november 2025.
Artikel 1:163, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Op grond van artikel 47 van de Awir.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, onder 9.6 en 9.10.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
Kamerstukken II 2009/10, 31 130, nr. 3, p.81 en Kamerstukken I, 2010/11, 32 504, 32 505, 32 401, G.
Zie artikel 3:4 van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, met nummer ECLI:NL:RVS:2019:3536.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3491.