Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3257
2026-07-02
Bestuursrecht
LEE 25/2617
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wht. Verschoonbare termijnoverschrijding bij te laat ingediende aanvraag om herbeoordeling kinderopvangtoeslag. Gelet op het samenstel van bijzondere persoonlijke omstandigheden had verweerder de aanvraag inhoudelijk moeten behandelen. Beroep gegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5399 Centrale Raad van Beroep 15-12-2006
- ECLI:NL:CBB:2024:31 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-01-2024
- ECLI:NL:CBB:2023:476 College van Beroep voor het bedrijfsleven 07-09-2023
- ECLI:NL:CBB:2023:476 College van Beroep voor het bedrijfsleven 07-09-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.599 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2617
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. W.E. Louwerse).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres de aanvraag te laat heeft ingediend en er volgens verweerder geen bijzondere omstandigheden zijn om daarop een uitzondering te maken. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Aan de hand van de argumenten van eiseres beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere situatie. Deze bijzondere situatie maakt dat verweerder in dit geval wél een uitzondering had moeten maken voor de te late aanvraag. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit van 28 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar vader, en de gemachtigde van verweerder.
2.2.
Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 30 januari 2026 heropend om nadere vragen te stellen aan verweerder.
2.3.
Verweerder heeft in de brief van 12 februari 2026 op deze vragen geantwoord. Eiseres heeft vervolgens op 28 maart 2026 op de antwoorden van verweerder gereageerd.
2.4.
Omdat partijen niet binnen de daarvoor geldende termijn hebben aangegeven een nadere zitting te willen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Standpunten van partijen
3. Eiseres voert aan dat verweerder haar aanvraag toch inhoudelijk in behandeling had moeten nemen. Eiseres stelt dat haar niet kan worden verweten dat zij zich niet tijdig heeft gemeld. Zij heeft ADD, waardoor zij chaotisch is, zij zaken vergeet, zij moeite heeft met telefonisch contact, slecht overzicht kan bewaren en moeite heeft met het nemen van beslissingen. Eiseres was niet op de hoogte van de uiterste datum om zich aan te melden. Zij vindt een uiterste aanmelddatum in strijd met de geest van de wet om gedupeerde ouders te helpen. Verweerder heeft haar bovendien - in tegenstelling tot andere ouders in haar omgeving - geen brief gestuurd met daarin de einddatum om zich als gedupeerde te melden. Dit is vreemd aangezien eiseres in het verleden meerdere malen bezwaar heeft gemaakt tegen verschillende besluiten van verweerder. Zij had dus in het systeem bekend moeten zijn en had daarom ook een brief moeten ontvangen. Gelet op de kwetsbaarheid van gedupeerden, had verweerder meer bekendheid moeten geven aan de einddatum. Verder verklaart eiseres dat zij het financieel zwaar heeft gehad. Zij is alleenstaande moeder en heeft te maken gehad met terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2012-2016. Destijds ontving zij in een tijdsbestek van anderhalf jaar onder meer vijf intrekkings- en terugvorderingsbesluiten. In totaal gaat het om een bedrag van € 11.947,-. Op de een of andere manier was zij kennelijk in beeld gekomen bij verweerder. Het kan niet anders dan dat er een aanleiding was om haar situatie door te lichten. Dit liet haar voelen als een fraudeur, terwijl zij juist meende alles goed te doen. Zij werkte in de gehandicaptenzorg en zorgde voor haar twee kinderen. De vader van haar kinderen, een crimineel die als hij niet gedetineerd was meestal spoorloos was, weigerde zich uit te schrijven. Zonder de kinderopvangtoeslag had zij niet kunnen werken en ook de hypotheek niet kunnen betalen. In 2022 eindigde haar relatie en in 2023 is na doorverwijzing van de huisarts de diagnose ADD vastgesteld. Zij heeft in 2023 ADD-trainingen gevolgd en wekelijks gesprekken gevoerd met een psycholoog. Ook heeft zij medicatie geprobeerd. Er was sprake van een tijdelijke beperking van haar doenvermogen. Als gevolg daarvan is zij in die periode op haar werk in functie teruggezet.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het voor eiseres niet mogelijk was om zich tijdig voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag aan te melden. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als sprake is van een ernstige psychische aandoening die is vastgesteld in 2023 of waarvoor zij een intensieve behandeling heeft gekregen in dat jaar. Verweerder heeft op zitting gesteld dat dit niet is gebleken. De mogelijkheid van aanmelden en de uiterste aanmelddatum zijn op verschillende manieren onder de aandacht van ouders gebracht. Verweerder ziet geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres in staat moest worden geacht om zich tijdig bij verweerder te melden, mede omdat zij hulp van haar (kundige) vader kon krijgen. Verder was de wijze van melden laagdrempelig: het kon ook telefonisch. Het niet op de hoogte zijn van de uiterste aanmelddatum of het niet beseffen dat de ouder mogelijk als gedupeerde kon worden aangemerkt kan niet als een bijzondere omstandigheid gezien worden op grond waarvan een uitzondering gemaakt kan worden op toepassing van de wettelijke bepaling. Onbekendheid met wet- en regelgeving is niet redengevend voor de verschoonbaarheid van overschrijding van de aanmeldtermijn. Verweerder verwijst hierbij naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. De mogelijkheid tot aanmelden is meer dan drie jaar lang op verschillende manieren onder de aandacht van ouders gebracht. Op basis van de wetgeschiedenis is geen andere conclusie mogelijk dan dat de wetgever de mogelijke gevolgen voor ouders om zich vóór 1 januari 2024 aan te melden, welbewust onder ogen heeft gezien en in de wettelijke regeling heeft verdisconteerd. Hierdoor is een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel ook niet aan de orde, aldus verweerder. Verweerder heeft in zijn reactie na de zitting uitgelegd dat brieven zijn gestuurd aan personen waarvan uit data-analyse bleek dat zij mogelijk betrokken waren geweest bij een Coördinatie Assessment Team (CAF) of CAF-vergelijkbaar onderzoek, waarin zij gestimuleerd zijn om zich aan te melden voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Ook werden ouders per brief benaderd aan wie een persoonlijke betalingsregeling was geweigerd in verband met een kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS). Dat eiseres procedures heeft gevoerd, gaf geen aanleiding voor het sturen van een brief met daarin de uiterste einddatum. Het enkele feit dat een bezwaar- of beroepsprocedure heeft plaatsgevonden duidt er niet op dat er vermoedelijk sprake was van handelen met vooringenomenheid of een onterechte O/GS kwalificatie. Een bezwaar- en beroepsprocedure is redelijkerwijs niet aan te merken als het stelselmatig of beleidsmatig onjuist handelen van verweerder. Gelet op de grote hoeveelheid beschikkingen aangaande kinderopvangtoeslag, de hiermee gepaard gaande grote hoeveelheden bezwaar- en beroepschriften, is het uitsluitend met geautomatiseerde data-analyse en de hiervoor genoemde zoekcriteria mogelijk ouders te identificeren die vermoedelijk gedupeerd zijn. Een individuele benadering met ruimere criteria is niet realistisch uitvoerbaar. Verweerder heeft zich moeten beperken tot de ouders die met de gehanteerde criteria vermoedelijk gedupeerd waren.
Juridisch kader
5. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet herstel toeslagen (Wht), volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem of haar in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat ten aanzien van hem of haar de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die vóór 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
5.1.
Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wht, dient een aanvraag voor compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, vóór 1 januari 2024 te zijn ingediend. In 2023 valt 31 december 2023 (de laatste dag van de termijn) op een zondag. Nu de maandag daarop Nieuwjaarsdag en dus een feestdag is, is de aanmeldtermijn verlengd tot 2 januari 2024. De uiterste aanvraagdatum is door de wetgever dwingend geformuleerd.
5.2.
Uit de parlementaire geschiedenis van genoemde bepaling volgt dat het stellen van een harde aanmeldingsdeadline volgens de wetgever noodzakelijk is om de hersteloperatie beheersbaar en uitvoerbaar te houden. Zonder een dergelijke deadline zou de operatie onnodig kunnen worden uitgerekt, wat de uitvoerbaarheid zou bemoeilijken en de beschikbare middelen zou kunnen overbelasten. De wetgever heeft daarbij wel het volgende overwogen:
Het kabinet zal daarom niet komen met een voorstel om de in de wet vastgelegde einddatum van 31 december 2023 te schrappen. Wel ziet het kabinet het belang van het helpen van ouders in bijzondere situaties en daar zal het kabinet dan ook voor zorgen.
[…]
Dat laat onverlet dat het kabinet van mening is dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden waardoor het niet eerder mogelijk was zich aan te melden en die zich in een schrijnende situatie bevinden, kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. Daarom heeft het kabinet besloten om in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, gekeken zal worden of er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich op tijd aan te melden en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De wetgever heeft daarbij geen voorbeelden geformuleerd, maar heeft deze ruimte opengelaten voor verweerder om hieraan in de praktijk een nadere invulling te geven.
5.3.
Door diverse Kamerleden zijn vragen gesteld over de indieningstermijn, waarbij ook zorgen zijn geuit over de mogelijkheid dat mensen door een te late aanvraag buiten de boot zouden kunnen vallen. Daarop is door de staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane onder meer als volgt geantwoord:
Ouders die zich na afloop van de aanmeldtermijn alsnog melden bij UHT [Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen] zal gevraagd worden naar de reden van de aanmelding na de sluitingstermijn. Indien er dan sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor een ouder zich niet eerder heeft kunnen melden bij UHT dan wordt de aanvraag alsnog in behandeling genomen. Wat onder bijzondere omstandigheden valt waardoor een geslaagd beroep gedaan kan worden op een verschoonbare termijnoverschrijding is sterk afhankelijk van het individuele geval. Elke casus is uniek en UHT moet de vrijheid hebben om de argumentatie van een ouder te kunnen wegen, zonder op voorhand te zijn ingeperkt. […] Dit is maatwerk.
[…]
Ouders kunnen altijd een beroep doen op een verschoonbare termijnoverschrijding om alsnog in aanmerking te komen voor herstel. Het kabinet stelt vooraf geen deadline waarbinnen een dergelijk verzoek gedaan moet worden. Wel kan het eventuele tijdsverloop tussen 31 december 2023 en de daadwerkelijke aanmelding van invloed zijn op de beoordeling of er sprake is van een bijzondere omstandigheid welke een beroep op een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigt.
5.4.
Daarbij maakt de in artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, opgenomen hardheidsclausule het mogelijk om van het bepaalde in artikel 6.1, van de Wht af te wijken, voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
De aanvraagtermijn en verschoonbaarheid
6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de aanvraag tot herbeoordeling na 2 januari 2024 heeft ingediend, zodat niet aan de voorwaarden van artikel 6.1, van de Wht is voldaan.
6.1.
Zoals hiervoor is overwogen volgt uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 6.1, van de Wht dat van verweerder wordt verwacht dat hij maatwerk levert en beoordeelt of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in gevallen waarin er bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de aanvrager in verzuim is geweest.
6.2.
De rechtbank overweegt dat het zonder meer waar is dat ouders een ruime periode hebben gehad om zich aan te melden. De wetgever heeft bewust gekozen voor een aanmeldtermijn. Verweerder heeft dan ook aan deze door hem genoemde factoren gewicht mogen toekennen bij de beoordeling of een uitzondering gemaakt moet worden op de aanmeldtermijn.
6.3.
Daartegenover overweegt de rechtbank dat het in dit soort zaken gaat om mogelijke gedupeerden van een onrechtmatige overheidshandeling. Het kabinet heeft erkend dat in het verleden grote fouten zijn gemaakt en dat het doel van de regeling is om recht te doen aan mensen die onrecht is aangedaan en deze te compenseren. Het kabinet heeft daarom aangegeven dat het zich ruimhartig zal opstellen tegen gedupeerden.
6.4.
Een te strikte benadering van de hardheidsclausule bij situaties waarin de aanvraagtermijn is overschreden, past daarbij niet. De rechtbank zal hier dan ook aansluiting zoeken bij de uitspraken van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de conclusie van R.J.G.M. Widdershoven over de verschoonbaarheid van de overschrijding van bezwaar- en beroepstermijnen. Ook als de indiener een slechts gering verwijt treft, kunnen er redenen zijn om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Een al te zeer rationeel mensbeeld is dan ook niet realistisch en in de praktijk leidt weten lang niet altijd tot doen, ook al zou dat ‘doen’ verstandig zijn. Vanwege mentaal onvermogen, overbelasting, stress, verdriet, ziekte of ouderdom hebben mensen een meer of minder beperkt doenvermogen, waardoor zij niet (kunnen) handelen conform het rationalistische perspectief. Of, zoals de regering het naar aanleiding van het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsberaad (WRR) stelt:
Gebeurtenissen in de persoonlijke levenssfeer kunnen de mentale vermogens van mensen onder druk zetten, waardoor hun doenvermogen tijdelijk verminderd is en zij derhalve niet goed in staat zijn om actie te ondernemen op momenten waarop dat wel van hen verlangd wordt.
6.5.
Een (tijdelijk) beperkt doenvermogen geldt voor heel veel burgers tot op zekere hoogte en voor kwetsbare mensen, zoals mensen met een verstandelijke beperking of laaggeletterden, in hoge mate. Om hiermee rekening te houden zou de overheid – aldus de WRR – ‘correctievermogen’ moeten hebben jegens menselijke fouten en moeten kleine fouten geen grote gevolgen hebben. Of zoals de WRR het stelt:
Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat de overheid hen niet over de rand duwt en dat momenten van onoplettendheid en zwakte niet direct ingrijpende gevolgen hebben. Dat is goed voor de redzaamheid van burgers, maar ook voor de schatkist en het draagt bij aan de legitimatie van overheid en beleid.
6.6.
Precies het omgekeerde gebeurt echter bij de strikte hantering van fatale termijnen, omdat ook heel beperkte overschrijdingen van de termijn ertoe kunnen leiden dat een belanghebbende een forse financiële aanspraak misloopt of financiële last moet dragen.
6.7.
Eiseres heeft meerdere omstandigheden aangevoerd om aan te geven waarom zij niet eerder in staat was om de aanvraag in te dienen. Op basis van de stukken in het dossier en de verklaringen van eiseres op de zitting, acht de rechtbank het aannemelijk dat sprake is geweest van bijzondere omstandigheden waardoor eiseres niet in staat was de aanvraag tijdig in te dienen. Aannemelijk is geworden dat de opeenstapeling van de door eiseres genoemde omstandigheden een zodanig ontwrichtend effect hadden op haar leven dat zij daardoor niet in staat was zich eerder aan te melden bij verweerder voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. De rechtbank is er in voldoende mate van overtuigd dat eiseres op het relevante moment (in 2023) slecht in haar vel zat en kampte met ADD-klachten. Het pas op zitting ingenomen standpunt van verweerder dat niet is gebleken dat hiervan sprake was in 2023, maakt het verhaal van eiseres niet minder aannemelijk. Eiseres heeft sinds het begin van de procedure consistent verklaard over haar situatie en verweerder heeft die situatie niet eerder dan op de zitting betwist of een nadere onderbouwing gevraagd. De rechtbank acht het aannemelijk dat de gebeurtenissen in de persoonlijke levenssfeer van eiseres de mentale vermogens van eiseres onder druk hebben gezet, waardoor haar doenvermogen tijdelijk verminderd was en zij daarom niet goed in staat was om actie te ondernemen.
6.8.
Hierbij acht de rechtbank ook het volgende van belang. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen brief heeft gehad om zich te melden vóór de einddatum. Eiseres is ook niet gebeld door verweerder. Dit terwijl zij wel een fors bedrag terug heeft moeten betalen in de desbetreffende periode. Op de zitting heeft verweerder niet kunnen toelichten waarom aan eiseres geen brief is gestuurd en hoe de briefselectie is gemaakt. Dit geldt ook voor het feit dat eiseres niet gebeld is door verweerder. Verweerder heeft pas na heropening van het onderzoek toegelicht aan wie hij met behulp van geautomatiseerde data-analyse brieven heeft gestuurd. Verweerder heeft hierbij zelf opgemerkt dat hij zich heeft moeten beperken tot de ouders die met de gehanteerde criteria vermoedelijk gedupeerden waren en dat wellicht niet alle mogelijk gedupeerden zijn bereikt. Met deze verklaring, is het de rechtbank nog steeds niet duidelijk geworden waarom eiseres buiten die criteria viel en geen brief heeft ontvangen of niet is gebeld. Het staat namelijk vast dat eiseres forse bedragen heeft moeten terugbetalen in een tijdsbestek van anderhalf jaar (in 2016-2017) en dat zij van verweerder onder meer vijf intrekkings- en terugvorderingsbesluiten kreeg. Zij was dus bekend bij verweerder.
6.9.
Daarbij is ook van belang dat het hier niet gaat om een inhoudelijke beoordeling van de aanspraak op compensatie, maar uitsluitend om de toegang tot die beoordeling. De rechtbank benadrukt dat de afwijzing om een aanvraag in behandeling te nemen in feite een definitieve afsluiting van de toegang tot de herstelregeling voor eiseres kan betekenen, zonder dat ooit inhoudelijk wordt vastgesteld of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of onbillijkheden van overwegende aard in de zin van artikel 2.1, van de Wht. Dat maakt de gevolgen van het buiten behandeling laten van de aanvraag voor eiseres bijzonder verstrekkend. Het missen van die beoordeling kan voor eiseres opnieuw leiden tot aanzienlijke financiële onzekerheid en lasten, alsmede tot spanning en stress die samenhangen met het ontbreken van duidelijkheid over een eventuele aanspraak op herstel. Hoewel verweerder terecht gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van een duidelijke en uitvoerbare termijn voor de hersteloperatie, weegt dat belang in dit concrete geval onvoldoende op tegen de hiervoor genoemde belangen van eiseres.
6.10.
De rechtbank is gelet op het samenspel van alle bovengenoemde omstandigheden van oordeel dat de termijnoverschrijding in dit specifieke geval verschoonbaar is en de aanvraag van eiseres alsnog in behandeling moet worden genomen.
Conclusie en gevolgen
7. Het voorgaande betekent dat de aanvraag alsnog in behandeling moet worden genomen. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Dit betekent dat er opnieuw moet worden beslist op het bezwaar van eiseres.
7.1.
De rechtbank ziet geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting, nu een inhoudelijke behandeling van de aanvraag nog moet plaatsvinden. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder alsnog een inhoudelijk besluit op bezwaar dient te nemen. Zij geeft verweerder hiervoor zes maanden de tijd.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder het verzoek van eiseres tot herbeoordeling van het recht op
kinderopvangtoeslag vanaf het jaar 2013 in behandeling dient te nemen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 december 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5399, laatste alinea (Wajong).
Zie artikel 6.1, tweede lid, van de Wht en artikel 1 van de Algemene termijnenwet.
Kamerstukken II 2023/24, 24 515, nr. 732, p. 2-3.
Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1281 en 24 515, nr. 732.
Zie Reactie van 14 december 2023 op Schriftelijk Overleg naar aanleiding van de Kamerbrief Stand van zaken diverse moties d.d. 24 november 2023 (kenmerk 2023-0000281453, p. 5, 7 en 8.
Zie onder meer de uitspraak van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
Conclusie van 7 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:476.
MvT Wet versterking waarborgfunctie Awb, p. 3.
WRR-rapport 2017, p. 33 en Samenvatting van het rapport, p. 3.
Samenvatting van het rapport, p. 7.
Conclusie van 7 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:476, r.o. 6.3.
De rechtbank sluit hiervoor aan bij de beslistermijn voor het nemen van een besluit op een aanvraag om herbeoordeling, zoals volgt uit artikel 6.2, eerste lid, van de Wht.
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2617
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. W.E. Louwerse).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres de aanvraag te laat heeft ingediend en er volgens verweerder geen bijzondere omstandigheden zijn om daarop een uitzondering te maken. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Aan de hand van de argumenten van eiseres beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere situatie. Deze bijzondere situatie maakt dat verweerder in dit geval wél een uitzondering had moeten maken voor de te late aanvraag. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit van 28 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar vader, en de gemachtigde van verweerder.
2.2.
Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 30 januari 2026 heropend om nadere vragen te stellen aan verweerder.
2.3.
Verweerder heeft in de brief van 12 februari 2026 op deze vragen geantwoord. Eiseres heeft vervolgens op 28 maart 2026 op de antwoorden van verweerder gereageerd.
2.4.
Omdat partijen niet binnen de daarvoor geldende termijn hebben aangegeven een nadere zitting te willen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Standpunten van partijen
3. Eiseres voert aan dat verweerder haar aanvraag toch inhoudelijk in behandeling had moeten nemen. Eiseres stelt dat haar niet kan worden verweten dat zij zich niet tijdig heeft gemeld. Zij heeft ADD, waardoor zij chaotisch is, zij zaken vergeet, zij moeite heeft met telefonisch contact, slecht overzicht kan bewaren en moeite heeft met het nemen van beslissingen. Eiseres was niet op de hoogte van de uiterste datum om zich aan te melden. Zij vindt een uiterste aanmelddatum in strijd met de geest van de wet om gedupeerde ouders te helpen. Verweerder heeft haar bovendien - in tegenstelling tot andere ouders in haar omgeving - geen brief gestuurd met daarin de einddatum om zich als gedupeerde te melden. Dit is vreemd aangezien eiseres in het verleden meerdere malen bezwaar heeft gemaakt tegen verschillende besluiten van verweerder. Zij had dus in het systeem bekend moeten zijn en had daarom ook een brief moeten ontvangen. Gelet op de kwetsbaarheid van gedupeerden, had verweerder meer bekendheid moeten geven aan de einddatum. Verder verklaart eiseres dat zij het financieel zwaar heeft gehad. Zij is alleenstaande moeder en heeft te maken gehad met terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2012-2016. Destijds ontving zij in een tijdsbestek van anderhalf jaar onder meer vijf intrekkings- en terugvorderingsbesluiten. In totaal gaat het om een bedrag van € 11.947,-. Op de een of andere manier was zij kennelijk in beeld gekomen bij verweerder. Het kan niet anders dan dat er een aanleiding was om haar situatie door te lichten. Dit liet haar voelen als een fraudeur, terwijl zij juist meende alles goed te doen. Zij werkte in de gehandicaptenzorg en zorgde voor haar twee kinderen. De vader van haar kinderen, een crimineel die als hij niet gedetineerd was meestal spoorloos was, weigerde zich uit te schrijven. Zonder de kinderopvangtoeslag had zij niet kunnen werken en ook de hypotheek niet kunnen betalen. In 2022 eindigde haar relatie en in 2023 is na doorverwijzing van de huisarts de diagnose ADD vastgesteld. Zij heeft in 2023 ADD-trainingen gevolgd en wekelijks gesprekken gevoerd met een psycholoog. Ook heeft zij medicatie geprobeerd. Er was sprake van een tijdelijke beperking van haar doenvermogen. Als gevolg daarvan is zij in die periode op haar werk in functie teruggezet.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het voor eiseres niet mogelijk was om zich tijdig voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag aan te melden. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als sprake is van een ernstige psychische aandoening die is vastgesteld in 2023 of waarvoor zij een intensieve behandeling heeft gekregen in dat jaar. Verweerder heeft op zitting gesteld dat dit niet is gebleken. De mogelijkheid van aanmelden en de uiterste aanmelddatum zijn op verschillende manieren onder de aandacht van ouders gebracht. Verweerder ziet geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres in staat moest worden geacht om zich tijdig bij verweerder te melden, mede omdat zij hulp van haar (kundige) vader kon krijgen. Verder was de wijze van melden laagdrempelig: het kon ook telefonisch. Het niet op de hoogte zijn van de uiterste aanmelddatum of het niet beseffen dat de ouder mogelijk als gedupeerde kon worden aangemerkt kan niet als een bijzondere omstandigheid gezien worden op grond waarvan een uitzondering gemaakt kan worden op toepassing van de wettelijke bepaling. Onbekendheid met wet- en regelgeving is niet redengevend voor de verschoonbaarheid van overschrijding van de aanmeldtermijn. Verweerder verwijst hierbij naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. De mogelijkheid tot aanmelden is meer dan drie jaar lang op verschillende manieren onder de aandacht van ouders gebracht. Op basis van de wetgeschiedenis is geen andere conclusie mogelijk dan dat de wetgever de mogelijke gevolgen voor ouders om zich vóór 1 januari 2024 aan te melden, welbewust onder ogen heeft gezien en in de wettelijke regeling heeft verdisconteerd. Hierdoor is een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel ook niet aan de orde, aldus verweerder. Verweerder heeft in zijn reactie na de zitting uitgelegd dat brieven zijn gestuurd aan personen waarvan uit data-analyse bleek dat zij mogelijk betrokken waren geweest bij een Coördinatie Assessment Team (CAF) of CAF-vergelijkbaar onderzoek, waarin zij gestimuleerd zijn om zich aan te melden voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Ook werden ouders per brief benaderd aan wie een persoonlijke betalingsregeling was geweigerd in verband met een kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS). Dat eiseres procedures heeft gevoerd, gaf geen aanleiding voor het sturen van een brief met daarin de uiterste einddatum. Het enkele feit dat een bezwaar- of beroepsprocedure heeft plaatsgevonden duidt er niet op dat er vermoedelijk sprake was van handelen met vooringenomenheid of een onterechte O/GS kwalificatie. Een bezwaar- en beroepsprocedure is redelijkerwijs niet aan te merken als het stelselmatig of beleidsmatig onjuist handelen van verweerder. Gelet op de grote hoeveelheid beschikkingen aangaande kinderopvangtoeslag, de hiermee gepaard gaande grote hoeveelheden bezwaar- en beroepschriften, is het uitsluitend met geautomatiseerde data-analyse en de hiervoor genoemde zoekcriteria mogelijk ouders te identificeren die vermoedelijk gedupeerd zijn. Een individuele benadering met ruimere criteria is niet realistisch uitvoerbaar. Verweerder heeft zich moeten beperken tot de ouders die met de gehanteerde criteria vermoedelijk gedupeerd waren.
Juridisch kader
5. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet herstel toeslagen (Wht), volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem of haar in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat ten aanzien van hem of haar de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die vóór 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
5.1.
Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wht, dient een aanvraag voor compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, vóór 1 januari 2024 te zijn ingediend. In 2023 valt 31 december 2023 (de laatste dag van de termijn) op een zondag. Nu de maandag daarop Nieuwjaarsdag en dus een feestdag is, is de aanmeldtermijn verlengd tot 2 januari 2024. De uiterste aanvraagdatum is door de wetgever dwingend geformuleerd.
5.2.
Uit de parlementaire geschiedenis van genoemde bepaling volgt dat het stellen van een harde aanmeldingsdeadline volgens de wetgever noodzakelijk is om de hersteloperatie beheersbaar en uitvoerbaar te houden. Zonder een dergelijke deadline zou de operatie onnodig kunnen worden uitgerekt, wat de uitvoerbaarheid zou bemoeilijken en de beschikbare middelen zou kunnen overbelasten. De wetgever heeft daarbij wel het volgende overwogen:
Het kabinet zal daarom niet komen met een voorstel om de in de wet vastgelegde einddatum van 31 december 2023 te schrappen. Wel ziet het kabinet het belang van het helpen van ouders in bijzondere situaties en daar zal het kabinet dan ook voor zorgen.
[…]
Dat laat onverlet dat het kabinet van mening is dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden waardoor het niet eerder mogelijk was zich aan te melden en die zich in een schrijnende situatie bevinden, kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. Daarom heeft het kabinet besloten om in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, gekeken zal worden of er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich op tijd aan te melden en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De wetgever heeft daarbij geen voorbeelden geformuleerd, maar heeft deze ruimte opengelaten voor verweerder om hieraan in de praktijk een nadere invulling te geven.
5.3.
Door diverse Kamerleden zijn vragen gesteld over de indieningstermijn, waarbij ook zorgen zijn geuit over de mogelijkheid dat mensen door een te late aanvraag buiten de boot zouden kunnen vallen. Daarop is door de staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane onder meer als volgt geantwoord:
Ouders die zich na afloop van de aanmeldtermijn alsnog melden bij UHT [Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen] zal gevraagd worden naar de reden van de aanmelding na de sluitingstermijn. Indien er dan sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor een ouder zich niet eerder heeft kunnen melden bij UHT dan wordt de aanvraag alsnog in behandeling genomen. Wat onder bijzondere omstandigheden valt waardoor een geslaagd beroep gedaan kan worden op een verschoonbare termijnoverschrijding is sterk afhankelijk van het individuele geval. Elke casus is uniek en UHT moet de vrijheid hebben om de argumentatie van een ouder te kunnen wegen, zonder op voorhand te zijn ingeperkt. […] Dit is maatwerk.
[…]
Ouders kunnen altijd een beroep doen op een verschoonbare termijnoverschrijding om alsnog in aanmerking te komen voor herstel. Het kabinet stelt vooraf geen deadline waarbinnen een dergelijk verzoek gedaan moet worden. Wel kan het eventuele tijdsverloop tussen 31 december 2023 en de daadwerkelijke aanmelding van invloed zijn op de beoordeling of er sprake is van een bijzondere omstandigheid welke een beroep op een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigt.
5.4.
Daarbij maakt de in artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, opgenomen hardheidsclausule het mogelijk om van het bepaalde in artikel 6.1, van de Wht af te wijken, voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
De aanvraagtermijn en verschoonbaarheid
6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de aanvraag tot herbeoordeling na 2 januari 2024 heeft ingediend, zodat niet aan de voorwaarden van artikel 6.1, van de Wht is voldaan.
6.1.
Zoals hiervoor is overwogen volgt uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 6.1, van de Wht dat van verweerder wordt verwacht dat hij maatwerk levert en beoordeelt of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in gevallen waarin er bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de aanvrager in verzuim is geweest.
6.2.
De rechtbank overweegt dat het zonder meer waar is dat ouders een ruime periode hebben gehad om zich aan te melden. De wetgever heeft bewust gekozen voor een aanmeldtermijn. Verweerder heeft dan ook aan deze door hem genoemde factoren gewicht mogen toekennen bij de beoordeling of een uitzondering gemaakt moet worden op de aanmeldtermijn.
6.3.
Daartegenover overweegt de rechtbank dat het in dit soort zaken gaat om mogelijke gedupeerden van een onrechtmatige overheidshandeling. Het kabinet heeft erkend dat in het verleden grote fouten zijn gemaakt en dat het doel van de regeling is om recht te doen aan mensen die onrecht is aangedaan en deze te compenseren. Het kabinet heeft daarom aangegeven dat het zich ruimhartig zal opstellen tegen gedupeerden.
6.4.
Een te strikte benadering van de hardheidsclausule bij situaties waarin de aanvraagtermijn is overschreden, past daarbij niet. De rechtbank zal hier dan ook aansluiting zoeken bij de uitspraken van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de conclusie van R.J.G.M. Widdershoven over de verschoonbaarheid van de overschrijding van bezwaar- en beroepstermijnen. Ook als de indiener een slechts gering verwijt treft, kunnen er redenen zijn om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Een al te zeer rationeel mensbeeld is dan ook niet realistisch en in de praktijk leidt weten lang niet altijd tot doen, ook al zou dat ‘doen’ verstandig zijn. Vanwege mentaal onvermogen, overbelasting, stress, verdriet, ziekte of ouderdom hebben mensen een meer of minder beperkt doenvermogen, waardoor zij niet (kunnen) handelen conform het rationalistische perspectief. Of, zoals de regering het naar aanleiding van het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsberaad (WRR) stelt:
Gebeurtenissen in de persoonlijke levenssfeer kunnen de mentale vermogens van mensen onder druk zetten, waardoor hun doenvermogen tijdelijk verminderd is en zij derhalve niet goed in staat zijn om actie te ondernemen op momenten waarop dat wel van hen verlangd wordt.
6.5.
Een (tijdelijk) beperkt doenvermogen geldt voor heel veel burgers tot op zekere hoogte en voor kwetsbare mensen, zoals mensen met een verstandelijke beperking of laaggeletterden, in hoge mate. Om hiermee rekening te houden zou de overheid – aldus de WRR – ‘correctievermogen’ moeten hebben jegens menselijke fouten en moeten kleine fouten geen grote gevolgen hebben. Of zoals de WRR het stelt:
Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat de overheid hen niet over de rand duwt en dat momenten van onoplettendheid en zwakte niet direct ingrijpende gevolgen hebben. Dat is goed voor de redzaamheid van burgers, maar ook voor de schatkist en het draagt bij aan de legitimatie van overheid en beleid.
6.6.
Precies het omgekeerde gebeurt echter bij de strikte hantering van fatale termijnen, omdat ook heel beperkte overschrijdingen van de termijn ertoe kunnen leiden dat een belanghebbende een forse financiële aanspraak misloopt of financiële last moet dragen.
6.7.
Eiseres heeft meerdere omstandigheden aangevoerd om aan te geven waarom zij niet eerder in staat was om de aanvraag in te dienen. Op basis van de stukken in het dossier en de verklaringen van eiseres op de zitting, acht de rechtbank het aannemelijk dat sprake is geweest van bijzondere omstandigheden waardoor eiseres niet in staat was de aanvraag tijdig in te dienen. Aannemelijk is geworden dat de opeenstapeling van de door eiseres genoemde omstandigheden een zodanig ontwrichtend effect hadden op haar leven dat zij daardoor niet in staat was zich eerder aan te melden bij verweerder voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. De rechtbank is er in voldoende mate van overtuigd dat eiseres op het relevante moment (in 2023) slecht in haar vel zat en kampte met ADD-klachten. Het pas op zitting ingenomen standpunt van verweerder dat niet is gebleken dat hiervan sprake was in 2023, maakt het verhaal van eiseres niet minder aannemelijk. Eiseres heeft sinds het begin van de procedure consistent verklaard over haar situatie en verweerder heeft die situatie niet eerder dan op de zitting betwist of een nadere onderbouwing gevraagd. De rechtbank acht het aannemelijk dat de gebeurtenissen in de persoonlijke levenssfeer van eiseres de mentale vermogens van eiseres onder druk hebben gezet, waardoor haar doenvermogen tijdelijk verminderd was en zij daarom niet goed in staat was om actie te ondernemen.
6.8.
Hierbij acht de rechtbank ook het volgende van belang. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen brief heeft gehad om zich te melden vóór de einddatum. Eiseres is ook niet gebeld door verweerder. Dit terwijl zij wel een fors bedrag terug heeft moeten betalen in de desbetreffende periode. Op de zitting heeft verweerder niet kunnen toelichten waarom aan eiseres geen brief is gestuurd en hoe de briefselectie is gemaakt. Dit geldt ook voor het feit dat eiseres niet gebeld is door verweerder. Verweerder heeft pas na heropening van het onderzoek toegelicht aan wie hij met behulp van geautomatiseerde data-analyse brieven heeft gestuurd. Verweerder heeft hierbij zelf opgemerkt dat hij zich heeft moeten beperken tot de ouders die met de gehanteerde criteria vermoedelijk gedupeerden waren en dat wellicht niet alle mogelijk gedupeerden zijn bereikt. Met deze verklaring, is het de rechtbank nog steeds niet duidelijk geworden waarom eiseres buiten die criteria viel en geen brief heeft ontvangen of niet is gebeld. Het staat namelijk vast dat eiseres forse bedragen heeft moeten terugbetalen in een tijdsbestek van anderhalf jaar (in 2016-2017) en dat zij van verweerder onder meer vijf intrekkings- en terugvorderingsbesluiten kreeg. Zij was dus bekend bij verweerder.
6.9.
Daarbij is ook van belang dat het hier niet gaat om een inhoudelijke beoordeling van de aanspraak op compensatie, maar uitsluitend om de toegang tot die beoordeling. De rechtbank benadrukt dat de afwijzing om een aanvraag in behandeling te nemen in feite een definitieve afsluiting van de toegang tot de herstelregeling voor eiseres kan betekenen, zonder dat ooit inhoudelijk wordt vastgesteld of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of onbillijkheden van overwegende aard in de zin van artikel 2.1, van de Wht. Dat maakt de gevolgen van het buiten behandeling laten van de aanvraag voor eiseres bijzonder verstrekkend. Het missen van die beoordeling kan voor eiseres opnieuw leiden tot aanzienlijke financiële onzekerheid en lasten, alsmede tot spanning en stress die samenhangen met het ontbreken van duidelijkheid over een eventuele aanspraak op herstel. Hoewel verweerder terecht gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van een duidelijke en uitvoerbare termijn voor de hersteloperatie, weegt dat belang in dit concrete geval onvoldoende op tegen de hiervoor genoemde belangen van eiseres.
6.10.
De rechtbank is gelet op het samenspel van alle bovengenoemde omstandigheden van oordeel dat de termijnoverschrijding in dit specifieke geval verschoonbaar is en de aanvraag van eiseres alsnog in behandeling moet worden genomen.
Conclusie en gevolgen
7. Het voorgaande betekent dat de aanvraag alsnog in behandeling moet worden genomen. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Dit betekent dat er opnieuw moet worden beslist op het bezwaar van eiseres.
7.1.
De rechtbank ziet geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting, nu een inhoudelijke behandeling van de aanvraag nog moet plaatsvinden. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder alsnog een inhoudelijk besluit op bezwaar dient te nemen. Zij geeft verweerder hiervoor zes maanden de tijd.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder het verzoek van eiseres tot herbeoordeling van het recht op
kinderopvangtoeslag vanaf het jaar 2013 in behandeling dient te nemen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 december 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5399, laatste alinea (Wajong).
Zie artikel 6.1, tweede lid, van de Wht en artikel 1 van de Algemene termijnenwet.
Kamerstukken II 2023/24, 24 515, nr. 732, p. 2-3.
Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1281 en 24 515, nr. 732.
Zie Reactie van 14 december 2023 op Schriftelijk Overleg naar aanleiding van de Kamerbrief Stand van zaken diverse moties d.d. 24 november 2023 (kenmerk 2023-0000281453, p. 5, 7 en 8.
Zie onder meer de uitspraak van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
Conclusie van 7 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:476.
MvT Wet versterking waarborgfunctie Awb, p. 3.
WRR-rapport 2017, p. 33 en Samenvatting van het rapport, p. 3.
Samenvatting van het rapport, p. 7.
Conclusie van 7 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:476, r.o. 6.3.
De rechtbank sluit hiervoor aan bij de beslistermijn voor het nemen van een besluit op een aanvraag om herbeoordeling, zoals volgt uit artikel 6.2, eerste lid, van de Wht.