Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3256

2026-08-07 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht 25/3493
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-07
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/3493
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Naturalisatie. Irak. Bewijsnood. Afwijken beleidsregel. Beroep ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.161 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Bestuursrecht



zaaknummer: LEE 25/3493


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,


en


de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers naturalisatieverzoek. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van zijn beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft op 19 maart 2024 een verzoek om naturalisatie ingediend. Dit verzoek is met de beschikking van 24 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij deze afwijzing gebleven.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.



2.3.
Op de zitting is de zaak geschorst. Eiser is in de gelegenheid gesteld een vertaling van een Iraakse advocatenbrief in te dienen. Hij heeft op 29 april 2026 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De staatssecretaris heeft op 20 mei 2026 gereageerd en handhaaft het oordeel in het bestreden besluit. Tot slot heeft eiser op 4 juni 2026 een laatste reactie gegeven. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten.




Juridisch kader


3. Naturalisatie is een officiële procedure waarbij een buitenlander de Nederlandse nationaliteit kan verzoeken. Na verkrijging van de Nederlandse nationaliteit wordt die persoon Nederlander met alle bijbehorende rechten en plichten. Bij de indiening van een naturalisatieverzoek moeten in ieder geval gegevens worden verstrekt over de volledige naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, het geboorteland en de nationaliteit. Daarbij wordt verlangd dat de documenten ter onderbouwing van deze gegevens gelegaliseerd en inhoudelijk geverifieerd zijn. Iemand die wil naturaliseren moet daarom in principe een gelegaliseerde geboorteakte en een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen. Het kan voorkomen dat iemand in bewijsnood verkeert om een gelegaliseerde geboorteakte en een geldig paspoort te overleggen. De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat diegene die zich op bewijsnood beroept, moet aantonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten.



Beoordeling door de rechtbank


Wat vindt eiser?

4. Eiser voert - kort samengevat - aan dat het voor hem onmogelijk is om te voldoen aan het vereiste om de genoemde documenten aan te leveren. Om die documenten te verkrijgen moet hij namelijk terug naar Irak, maar dat kan niet van hem verwacht worden. Het is daar namelijk onveilig. Bovendien is hij alleenstaande ouder van minderjarige kinderen en kan hij zijn kinderen niet alleen achterlaten in Nederland. Daarbij staat eiser niet geregistreerd in Irak en is feitelijk staatloos. Het is dus in het individuele geval van eiser onevenredig om vast te houden aan de hoofdregel van het documentvereiste. Daarnaast heeft hij van alles geprobeerd om aan documenten te komen, maar dat is niet gelukt. Zo is hij naar de Iraakse ambassade geweest in Nederland en heeft hij een Iraakse advocaat gemachtigd. Ook zijn er een vele andere Irakezen, die in dezelfde tijd als eiser zijn gevlucht, die zonder documenten konden naturaliseren. Eiser vraagt dan ook het naturalisatieverzoek opnieuw te beoordelen en toe te wijzen.



Zijn er documenten overgelegd?


5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen geldig Iraaks paspoort en geen gelegaliseerde geboorteakte heeft overgelegd. Omdat dit wel noodzakelijk is, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of sprake is van bewijsnood en of het onevenredig is om vast te houden aan het documentvereiste. De rechtbank zal dat hierna beoordelen.
Is er sprake van bewijsnood?
6. Bij de vraag of sprake is van bewijsnood staat centraal of iemand al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van documenten. Eiser heeft in bezwaar een brief overgelegd waaruit volgt dat de Iraakse ambassade in Nederland aangeeft dat hij niet de juiste documenten heeft om een paspoort te verkrijgen. Ook heeft eiser in beroep een brief van een Iraakse advocaat overgelegd.
7. De rechtbank vindt dat de staatssecretaris mag verwachten dat eiser zich ten volle inspant om aan de benodigde documenten te komen. De staatssecretaris heeft daarbij benadrukt dat niet van eiser wordt verwacht dat hij terugkeert naar Irak. Wel mag van hem verwacht worden dat hij al het mogelijke doet om de benodigde documenten te verkrijgen vanuit Nederland.

8. In dit geval heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat hij al het mogelijke heeft gedaan om vanuit Nederland aan documenten te komen. De staatssecretaris heeft de brief van de Iraakse ambassade onvoldoende mogen vinden. Uit de brief volgt dat eiser naar de Iraakse ambassade in Nederland is geweest en dat zij het paspoort niet kunnen afgeven zonder de benodigde Iraakse documenten. Hieruit volgt niet dat het onmogelijk is voor eiser om een paspoort aan te vragen. Ook is niet onderbouwd dat eiser enige poging heeft gedaan om de onderliggende stukken te verkrijgen die nodig zijn om het paspoort aan te vragen. Daarvoor is de overgelegde brief van de Iraakse advocaat onvoldoende. Uit die brief volgt namelijk niet waarom de advocaat niet gemachtigd kan worden en dat het in zijn geheel niet mogelijk is om iemand vanuit Nederland te machtigen om de benodigde documenten bij de Iraakse autoriteiten te verkrijgen. Dat eiser nooit is geregistreerd in Irak en daarom aan geen enkel document kan komen, heeft hij ook onvoldoende onderbouwd, dit volgt niet uit de brief van de Iraakse advocaat of de brief van de Iraakse ambassade. De staatssecretaris heeft verder mogen betrekken dat eiser in het bezit is geweest van een Iraaks rijbewijs, maar niet heeft gekeken of hij dat kan laten opsturen. Eiser heeft hiermee onvoldoende onderbouwd dat het niet mogelijk is om vanuit Nederland aan documenten te komen.
9. Gelet op deze omstandigheden heeft de minister terecht geen bewijsnood aangenomen.Is het onevenredig om vast te houden aan de hoofdregel?
10. De staatssecretaris heeft deugdelijk gemotiveerd dat het in het geval van eiser niet onredelijk is om vast te houden aan het documentvereiste en dus niet van de beleidsregel af te wijken. De staatssecretaris heeft op de zitting toegelicht hoe de feiten en omstandigheden die door eiser zijn aangevoerd in bezwaar zijn betrokken in het bestreden besluit. Uit de door eiser overgelegde stukken, kan niet genoegzaam zijn Iraakse nationaliteit worden afgeleid.


10.1.
De rechtbank stelt voorop dat de verlening van het Nederlanderschap een zaak van groot gewicht is, waar aanzienlijke gevolgen aan zijn verbonden. Bij de beoordeling van een verzoek tot naturalisatie is het daarom nodig dat de identiteit en nationaliteit van een verzoeker buiten twijfel staan. Dit houdt ook verband met het vereiste dat bij naturalisatie afstand moet worden gedaan van de oorspronkelijke nationaliteit. Daarom wordt voor de vaststelling van de identiteit en nationaliteit ook een gelegaliseerde geboorteakte en een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) verlangd, tenzij er sprake is van bewijsnood. Afwijking van de beleidsregel (het documentvereiste) zou inhouden dat eiser de Nederlandse nationaliteit verkrijgt zonder de gevraagde stukken aan te leveren, terwijl hiervoor is geoordeeld dat het beroep van eiser op bewijsnood niet slaagt. Er bestaat dus geen zekerheid over eisers nationaliteit.


10.2.
De rechtbank vindt dat het nadelige gevolg dat eiser ondervindt van het vasthouden aan de beleidsregel (namelijk afwijzing van deze naturalisatieaanvraag) niet onredelijk is wanneer dit wordt afgezet tegen het zwaarwegende belang van de staatssecretaris. Dat eiser stelt dat hij zijn minderjarige kinderen niet alleen kan achterlaten en niet kan reizen met zijn vreemdelingenpaspoort is onvoldoende, de staatssecretaris verwacht namelijk niet van eiser dat hij naar Irak afreist om de documenten te bemachtigen.



10.3.
Wat eiser verder nog aanvoert is niet van zoveel gewicht of zo bijzonder dat het vasthouden aan het documentvereiste onevenredig is in verhouding tot het met dat vereiste te dienen doel dat de nationaliteit van eiser wordt vastgesteld voordat tot verlening van het Nederlanderschap wordt overgegaan. Het betoog van eiser dat de staatssecretaris gebruik had moeten maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid slaagt dus niet.


10.4.

De rechtbank overweegt tot slot dat het voor eiser niet blijvend onmogelijk is om aan de voorwaarden voor naturalisatie te gaan voldoen, zodat hij misschien in de toekomst alsnog in aanmerking kan komen voor naturalisatie. Het staat eiser altijd vrij om een nieuw verzoek om naturalisatie in te dienen.Gelijkheidsbeginsel
11. Voor zover eiser een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel slaagt dit niet. Eiser heeft namelijk niet nader onderbouwd met stukken dat andere Irakezen in dezelfde situatie als eiser wel konden naturaliseren. Het is dan ook niet duidelijk dat het gaat om gelijke gevallen.





Conclusie en gevolgen


12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van 14 augustus 2025 in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, op 7 augustus 2026, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.















griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

















Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) in samenhang gelezen met artikel 23 van de RWN, artikel 4:2, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BvvN).


Artikel 31, vijfde lid van het BvvN.


Paragraaf 2.3.5.6. van de Handleiding RWN.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1597.