Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3251

2026-07-29 Bestuursrecht; Omgevingsrecht LEE 26/2350, LEE 25/5504, LEE 26/2183 en LEE 26/2184
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-08-06
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zaaknummer
LEE 26/2350, LEE 25/5504, LEE 26/2183 en LEE 26/2184
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.652 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen


Bestuursrecht


zaaknummers: LEE 26/2350 (voorlopige voorziening), LEE 25/5504 (beroep), LEE 26/2183 (voorlopige voorziening) en LEE 26/2184 (beroep)


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2026 op de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen




[verzoeker] en [verzoeker], uit [plaats], verzoekers


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf, het college
(gemachtigden: M.B.A. van der Meulen, P.J. Daling en K. Prins).



Als belanghebbende in deze zaken zijn aangemerkt:





[naam]
, gevestigd in [plaats] (vergunninghouder in de zaak 26/2350 en LEE 25/5504);




[naam]
, gevestigd in [plaats] (vergunninghouder in de zaak LEE 26/2183 en LEE 26/2184).






Inleiding


1. De uitspraak in de zaak LEE 26/2350 en LEE 25/5504 gaat over de omgevingsvergunning voor de bouw van zes woningen aan de Rederijker 12 t/m 22 in Oldeberkoop. Deze vergunning (bouwactiviteit; omgevingsplan) is verleend op 1 september 2025 (primair besluit). Met het besluit van 20 november 2025 (bestreden besluit) is het bezwaar van verzoekers kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend.



1.1.
De uitspraak in de zaak LEE 26/2183 en LEE 26/2184 gaat over de omgevingsvergunning voor de bouw van tien woningen aan de Rederijker 1 t/m 19 in Oldeberkoop. Deze vergunning (bouwactiviteit; omgevingsplan) is verleend op 19 maart 2026 (primair besluit). Met het besluit van 15 juni 2026 (bestreden besluit) is het bezwaar van verzoekers kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekers geen belanghebbenden zijn.



1.2.
Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.



1.3.
De voorzieningenrechter heeft de zaken op 29 juli 2026 op zitting behandeld Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers en de gemachtigden van het college.



1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan in de zaken.





Beoordeling door de voorzieningenrechter



Beslissing



2. De voorzieningenrechter:

 verklaart de beroepen ongegrond;
 wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.




Overwegingen



3. Het gaat in deze zaken alleen om de vraag of het college in de besluiten van 20 november 2025 en 15 juni 2026 de bezwaren van verzoekers tegen de besluiten van 1 september 2025 (over de zes woningen) en 19 maart 2026 (over de 10 woningen) terecht kennelijk niet-ontvankelijk hebben verklaard.


3.1.
De voorzieningenrechter vindt dat dat het geval is.



3.2.
Het is namelijk heel duidelijk dat verzoekers geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zij wonen ver van de te bouwen woningen; circa 250 meter van de zes woningen en circa 300 meter van de 10 woningen. Tussen hun woning en de te bouwen woningen liggen veel andere gebouwen, wegen en ook groen. Zij zien de woningen niet vanaf hun perceel en ondervinden van de nieuw te bouwen woningen geen gevolgen van enige betekenis. Dat vond de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ook in de uitspraak van 12 februari 2025 over het bestemmingsplan “’t Hooge fase 2, Oldeberkoop” (dat de bouw van de zestien woningen waar deze procedures over gaan mogelijk maakt) en daar is de voorzieningenrechter het mee eens.



3.3.
Verzoekers hebben er in de stukken en ter zitting van alles bijgehaald. Zij voelen zich betrokken bij wat er in Oldeberkoop gebeurt. Maar dat maakt hen geen belanghebbenden in de zin van de Awb. Hun gronden gaan over van alles en nog wat – bijvoorbeeld over prins Bernhard en de Lockheedaffaire, een Bijbeltekst, niet meer geldende bestemmingsplannen, de persoon van de ontwikkelaar en hun eigen opvattingen over andere projecten in de gemeente. Die gronden gaan niet over het belanghebbendenbegrip van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zoals dat in vaste rechtspraak is uitgewerkt. Daarom laat de voorzieningenrechter die gronden, wat daar verder van zij, buiten beschouwing en is het niet nodig ze te bespreken.



3.4.
Daarnaast heeft het college het bezwaarschrift van 20 oktober 2025 terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het besluit van 1 september 2025 is op de juiste wijze bekendgemaakt en gepubliceerd. Dat verzoekers geen internet hebben, maakt in dit geval niet dat het (een week) te laat indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Zij waren namelijk via de publicatie in de (papieren) Nieuwe Ooststellingwerver van 11 september 2025 op de hoogte van het besluit van 1 september 2025. Zij hebben daarover op 23 september 2025 op het gemeentehuis gesproken met een ambtenaar en de stukken ingezien. Het lag onder deze omstandigheden op de weg van verzoekers zich te informeren over de bezwaarmogelijkheden en de bezwaartermijn.



Conclusie en gevolgen



4. Het college heeft verzoekers dus terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in de beslissingen op bezwaar van 20 november 2025 (over de zes woningen) en 15 juni 2026 (over de tien woningen).

5. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaken, beslist de voorzieningenrechter ook op de beroepen daartegen. Artikel 8:86 van de Awb maakt dat mogelijk. Die beroepen verklaart de voorzieningenrechter ongegrond en de gevraagde voorlopige voorzieningen worden daarom afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen deze mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.




Beslissing


De voorzieningenrechter:



verklaart de beroepen ongegrond;


wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.





Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026 door mr. W.R. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. Meijer, griffier.
















griffier


voorzieningenrechter





















Een kopie van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over de beroepen, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal van mondelinge uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.



zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:523. Dit bestemmingsplan vormt de planologische basis van de verleende omgevingsvergunningen, die bovendien voldoen aan de planregels van dit bestemmingsplan


zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 juni 2024 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2024:2323 en de uitspraak van 23 augustus 2017 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2017:2271.