Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3213
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de hoogte van de aan eiseres toegekende schadevergoeding. Aan eiseres is schadevergoeding toegekend voor fysieke schade aan haar woning door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat het Instituut de hoogte van de schadevergoeding op goede gronden heeft vastgesteld. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij de wandafwerking, voorzetwanden en plafonds enkel heeft laten verwijderen om de schadeomvang aan de binnenkant van de woning te bepalen. Het Instituut heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat vergoeding voor herstel van de wandafwerking zoals eiseres voorstelt, er in dit geval toe zou leiden dat eiseres in een betere situatie komt dan waarin zij verkeerde voor het ontstaan van de mijnbouwschade. Beroep ongegrond verklaard.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2010:BL0539 Hoge Raad 26-03-2010
- ECLI:NL:RVS:2023:3215 Raad van State 23-08-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.787 tekens)
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/3564
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. K. Mulder),
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
(gemachtigden: mr. B.P. van der Togt en mr. A.H. Beijer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van de aan eiseres toegekende schadevergoeding. Aan eiseres is schadevergoeding toegekend voor fysieke schade aan de woning aan de [adres] in [plaats] (de woning) door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de schadevergoeding. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de hoogte van de schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut de hoogte van de schadevergoeding op goede gronden heeft vastgesteld. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor vergoeding van fysieke schade aan haar woning door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Het Instituut heeft in het besluit van 18 juni 2025 aan eiseres een schadevergoeding van € 7.971,19 (inclusief wettelijke rente en bijkomende kosten) toegekend. Met het bestreden besluit van 25 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is het Instituut bij die schadevergoeding gebleven.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.1.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres met haar partner, mr. D.J. Meijer als kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het Instituut en L.H.M. Nabben van D.O.G. Ingenieurs B.V. (Nabben).
Beoordeling door de rechtbank
Is op goede gronden geen schadevergoeding toegekend voor wandafwerking?
4. Eiseres betoogt dat ten onrechte geen schadevergoeding aan haar is toegekend voor de wandafwerking in de woning. Volgens eiseres heeft het Instituut zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake was van renovatiewerkzaamheden of een verbouwing. Eiseres stelt dat zij direct na de eigendomsoverdracht in februari 2025 in de woning wilde gaan wonen. De woning was namelijk in goede staat, zoals blijkt uit de foto’s van de advertentie op Funda. Eiseres had toen geen behoefte aan renovatie en/of verbouwing van de woning. Na de eigendomsoverdracht heeft zij één grote scheur in de buitengevel ontdekt, namelijk schade 13. In overleg met een aannemer zijn vervolgens de wandafwerking, de voorzetwanden en de plafonds verwijderd om de schadeomvang aan de binnenkant van de woning te bepalen. Eiseres meent dat haar niet kan worden verweten dat zij eigenhandig de schadeomvang wilde vaststellen, aangezien zij het recht heeft om de staat van haar eigendom te onderzoeken. De vermindering van de schadevergoeding acht eiseres een ongerechtvaardigde beslissing, waarmee zij zich in een aanmerkelijk nadeliger positie bevindt dan vóór de constatering van de scheuren. Het Instituut handelt in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door het uitgangspunt dat een vergoeding wordt uitgekeerd voor herstel in oude staat niet te volgen. Uit de werkinstructies van het Instituut volgt dat de eindafwerking bij destructief onderzoek wel wordt vergoed, aldus eiseres.
4.1.
Het Instituut handhaaft het standpunt dat eiseres geen schadevergoeding voor de wandafwerking toekomt. Uit de foto’s bij het rapport van 18 maart 2025 blijkt dat de woning volledig was ontdaan van alle (wand)afwerking, zowel op de begane grond als op de verdieping, met uitzondering van de keuken. De ruimte op de bovenverdieping was een grote open ruimte geworden. Het Instituut meent dat sprake is geweest van een (voornemen tot) renovatie dan wel volledige verbouwing van de woning. Het Instituut vermoedt dat eiseres de scheuren in de woning eerst heeft ontdekt toen zij de woning aan de binnenkant had gestript om de woning te renoveren. Het Instituut acht van belang dat in de woning nergens meubels te zien waren, op tuinstoelen in de keuken na. De aanwezigheid van meubels zou volgens het Instituut logisch zijn geweest als eiseres van plan was geweest de woning direct na de eigendomsoverdracht te betrekken. Voorts voert het Instituut aan dat uit nader onderzoek door Nabben is gebleken dat in de woning ten tijde van de verkoop op onderdelen (ruimte(s)/bouwdelen) sprake was van uitgesteld onderhoud. Dit geldt voor het dakbeschot van de dak-uitbouw/-kapel. Ook waren niet alle ruimtes voorzien van een hedendaagse (eind)afwerking, zoals de overloop en de badkamer op de verdieping. Uit de verkooptekst van de makelaar blijkt dat de woning gedeeltelijk in eenvoudige staat verkeerde. Het Instituut acht het daarom onwaarschijnlijk dat eiseres de intentie had om de woning direct te betrekken en niets aan de woning te veranderen/renoveren. Verder acht het Instituut het onwaarschijnlijk dat eiseres niet vóór de aankoop bekend was met de door haar genoemde grote scheur, gelet op de plek waar die scheur zit. De aanleiding voor het verwijderen van de houtskeletwanden, plafonds, ruimtescheidende wanden en gemetselde schoorsteenkanalen moet daarom een andere zijn geweest dan eiseres aangeeft. Eiseres heeft direct na aankoop van de woning in een kort tijdsbestek vergaand hak- en breekwerk verricht. Zou eiseres alleen op zoek zijn geweest naar scheuren, dan zou zij dit niet hebben verwijderd. Zouden de herstelkosten voor de wandafwerking worden vergoed, dan is feitelijk sprake van een verbetering van de woning, aldus het Instituut. Ter onderbouwing verwijst het Instituut het nader deskundigenrapport van Nabben van 4 februari 2026.
5. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Het Instituut heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen schadevergoeding toekomt voor de wandafwerking in de woning. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat uitgangspunt in het civielrechtelijke aansprakelijkheidsrecht bij de begroting van (vermogens)schade is dat degene die schade heeft geleden zoveel als mogelijk moet worden teruggebracht in de toestand waarin hij (met een redelijke mate van waarschijnlijkheid) zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis zich niet zou hebben voorgedaan.
5.2.
In dit geval staat vast dat de vorige eigenaren van de woning een aanvraag voor vergoeding van fysieke schade aan de woning door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten hebben ingediend. In dat kader heeft op 10 april 2024 een opname van de woning plaatsgevonden. De bevindingen zijn vastgelegd in het adviesrapport van 22 mei 2024. Uit dat adviesrapport volgt dat destijds zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van de woning schades zijn opgenomen. Op foto’s van de binnenkant van de woning is te zien dat diverse wanden in de woning waren voorzien van wandafwerking. Bij besluit van 7 juni 2024 heeft het Instituut aan de vorige eigenaren een schadevergoeding uitgekeerd voor fysieke schade aan de woning. Voorts stelt de rechtbank vast dat op de door eiseres overgelegde foto’s van Funda is te zien dat zowel de wanden boven als de wanden beneden in de woning waren voorzien van wandafwerking. Ook zijn daarop plafonds en ruimtescheidende wanden met tussendeuren te zien. Verder staat vast dat eiseres op 31 januari 2025 eigenaar van de woning is geworden en dat zij op 6 februari 2025 de onderhavige schadevergoedingsaanvraag heeft ingediend. Op 24 februari 2025 heeft een opname van de woning plaatsgevonden. De bevindingen van die opname zijn vastgelegd in het adviesrapport van 18 maart 2025. Uit dat adviesrapport volgt dat schades aan de binnenkant van de woning zijn opgenomen.
5.3.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij de wandafwerking, voorzetwanden en plafonds enkel heeft laten verwijderen om de schadeomvang aan de binnenkant van de woning te bepalen. Er zijn namelijk grote verschillen tussen de staat van (de wandafwerking in) de woning op de foto’s uit 2024 en de foto’s van Funda enerzijds en de staat van (de wandafwerking in) de woning op de foto’s bij het adviesrapport van 18 maart 2025 anderzijds. Op foto’s bij laatstgenoemd rapport is te zien dat op de bovenverdieping alle wanden zijn ontdaan van wandafwerking en dat alle plafonds en plafondafwerking zijn verwijderd. Dit is ook het geval op de benedenverdieping in de woonkamer. Dat terwijl op foto’s uit 2024 en op Funda te zien is dat die wanden boven en beneden nog volledig afgewerkt waren. Op foto’s bij het adviesrapport van 18 maart 2025 is verder te zien dat op de bovenverdieping ruimtescheidende wanden met tussendeuren en gemetselde schoorsteenkanalen zijn verwijderd. Die gebouwonderdelen waren nog wel te zien op foto’s uit 2024 en op Funda. Gelet op de functie van die gebouwonderdelen acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verwijdering van die onderdelen noodzakelijk was om de schadeomvang te bepalen. Meer aannemelijk is dat die onderdelen, de wandafwerking, voorzetwanden en plafonds in februari 2025 zijn verwijderd in het kader van een verbouwing van de woning. De stelling van eiseres over schade 13 leidt niet tot een andere conclusie. Gelet op de foto’s uit 2024 en op Funda acht de rechtbank niet aannemelijk dat die scheur vóór aankoop van de woning zichtbaar was en enkel met kit was gevuld, zoals eiseres op zitting heeft verklaard. Als die scheur vóór aankoop wel zichtbaar was, moet eiseres zo’n duidelijke scheur toen hebben kunnen ontdekken gelet op de onderzoeksplicht die op dat moment op haar rustte. Van beperkt of plaatselijk onderzoek in het kader van destructief onderzoek is naar het oordeel van de rechtbank in geen enkel opzicht sprake. Daar komt bij dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat een deskundige voorafgaand aan verwijdering van de wandafwerking in de woning niet kon uitsluiten dat er in de woning sprake was van niet zichtbare fysieke schade als bedoeld in het beleid van het Instituut. Enkel (gesteld) overleg van eiseres met een aannemer is daartoe onvoldoende.
5.4.
Gelet op het voorgaande heeft het Instituut zich terecht op het standpunt gesteld dat vergoeding voor herstel van de wandafwerking zoals eiseres voorstelt, er in dit geval toe zou leiden dat eiseres in een betere situatie komt dan waarin zij verkeerde voor het ontstaan van de mijnbouwschade. Het Instituut mocht daarbij op het advies van 18 maart 2025 afgaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de hoogte van de toegekende schadevergoeding niet verandert. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3215.