Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3209
2026-07-31
Civiel recht; Arbeidsrecht
11861255 \ AR VERZ 25-55
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Arbeidsovereenkomst ontbonden op grond van ernstige wanprestatie (artikel 7:686 BW). Werknemer niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs. Werknemer moet schadevergoeding betalen aan werkgever.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2022:1934 Hoge Raad 23-12-2022
- ECLI:NL:HR:2006:AX6246 Hoge Raad 30-06-2006
- ECLI:NL:HR:2010:BO1815 Hoge Raad 17-12-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (66.063 tekens)
RECHTBANK
NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer / rekestnummer: 11861255 \ AR VERZ 25-55
Beschikking van 31 juli 2026
in de zaak van
STICHTING VEILIGHEIDSZORG DRENTHE ("VZD"),
te Emmen,
verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek,
hierna te noemen: VZD,
gemachtigde: mr. W.J.F. Nieuwenhuis,
tegen
[verweerder]
,
te [woonplaats 1] ,
verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. R.P. van Boven.
1De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de akte houdende uitlating na tussenbeschikking aan de zijde van [verweerder] , ingekomen ter griffie op 15 januari 2026;
proces-verbaal van het getuigenverhoor van 27 maart 2026;
de e-mail aan de zijde van VZD met de mededeling dat zij geen gebruik maakt van haar recht op contra-enquête;
akte na enquête aan de zijde van [verweerder] , ingekomen ter griffie op 24 april 2026;
akte na enquête tevens houdende overlegging producties aan de zijde van VZD, ingekomen ter griffie op 2 juni 2026.
1.2.
De beschikking is (nader) bepaald op vandaag.
2De verdere beoordeling
Tussenbeschikking 5 december 2025
2.1.
Als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd hetgeen de kantonrechter heeft overwogen en beslist in zijn tussenbeschikking van 5 december 2025. In deze tussenbeschikking is overwogen dat de door VZD gestelde tekortkomingen van [verweerder] zijn gestoeld op de bevindingen van het onderzoeksrapport uitgevoerd door Berenschot. De kantonrechter heeft overwogen dat het onderzoeksrapport blijk geeft van een talrijke (28) opsomming van onderzochte misstanden. Voor het leeuwendeel daarvan heeft te gelden dat de bevindingen niet leiden tot de conclusie dat daarmee, voor de onderzochte misstand op zichzelf noch de onderzochte misstanden in onderling samenhang bezien, sprake is van een ernstige tekortkoming die is vereist voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens wanprestatie (artikel 7:686 BW). De kantonrechter heeft ten aanzien daarvan in de tussenbeschikking overwogen dat die gebeurtenissen gezien moeten worden in het licht van het nagenoeg drie decennia durende dienstverband van [verweerder] en de grote mate van vrijheid die [verweerder] van VZD kreeg om te ondernemen met VZD, hetwelk op zijn minst oogluikend werd toegestaan door het bestuur en zelfs ook wel werd aangemoedigd door het bestuur. Van een andere orde zijn het privégebruik van de 70 m² van de gehuurde opslaglocatie te [plaatsnaam] , de uitgevoerde privé-klussen voor [verweerder] door de medewerkers van Ben Kwijt en de privékosten van Unica die [verweerder] ten laste van VZD heeft laten komen. Deze gebeurtenissen zijn aan te merken als tekortkomingen aan de zijde van [verweerder] . De kantonrechter heeft in zijn tussenbeschikking van 5 december 2025 geoordeeld dat voornoemde drie gebeurtenissen, op zichzelf en in samenhang bezien, nog een onvoldoende ernstige tekortkoming betreffen om de ontbinding met al haar gevolgen te dragen. Dit gezien in het licht van het bijna dertig jaar durende dienstverband en de mate van vrijheid die [verweerder] oogluikend werd toegestaan. Voor de bouwkosten van Bouwbedrijf [bedrijf 4] ten bedrage van € 11.134,35 en/of de inruil van auto’s bij autobedrijf [naam 1] ligt dit anders.
2.2.
Ten aanzien van de kosten van Bouwbedrijf [bedrijf 4] heeft de kantonrechter [verweerder] , gelet op het door hem uitdrukkelijk gedane bewijsaanbod, toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands door de kantonrechter bewezen geachte feit dat [verweerder] VZD heeft laten betalen voor zijn privé-aanbouw ten bedrage van € 11.134,35. Met betrekking tot de inruil van auto’s bij autobedrijf [naam 1] heeft de kantonrechter [verweerder] , gelet op het door hem uitdrukkelijk gedane bewijsaanbod, toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands door de kantonrechter bewezen geachte feit dat [verweerder] ten koste van VZD een privévoordeel van € 5.000,00 heeft bewerkstelligd.
2.3.
Voor het leveren van tegenbewijs volstaat het dat het bewijs door het tegenbewijs wordt ontzenuwd. Tegenbewijs kan bijvoorbeeld worden geleverd door feiten te bewijzen die de bewezen feiten onaannemelijk maken of uitsluiten. Tegenbewijs kan er ook in bestaan dat de bewijsmiddelen of bewijsconstructies waarop het bewijs is gebaseerd, worden ontkracht. In de regel is voldoende dat twijfel wordt gezaaid ten aanzien van het voorliggende bewijs, althans zoveel twijfel dat de aanvankelijke overtuiging van de rechter aan het wankelen wordt gebracht.
De bewijslevering
2.4.
In de akte van 16 januari 2026 heeft [verweerder] aangegeven het tegenbewijs te willen leveren door middel van stukken en door het laten horen van getuigen. Voor de bewijsstukken heeft [verweerder] verwezen naar een bezoeknotitie van bouwtechnisch bureau [bedrijf 7] van 27 december 2025 (productie 18). Daarnaast heeft [verweerder] tijdens het getuigenverhoor van 27 maart 2026 de heer [naam 1] als getuige laten horen. Bij akte na enquête heeft [verweerder] nog een zevental producties als bewijsstuk overgelegd, zijnde een drietal artikelen die zijn gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden (producties 19 tot en met 21), verklaringen van respectievelijk [naam 2] (productie 22), [naam 3] (productie 23) en [naam 4] (productie 24) en twee foto’s van de in de loods te [plaatsnaam] opgeslagen zaken (productie 25).
2.5.
Vervolgens heeft VZD een akte na enquête ingediend met daarbij de producties 53 tot en met 70, waarbij VZD heeft gereageerd op het reeds gehouden getuigenverhoor waar [naam 1] is gehoord alsmede heeft gereageerd op de akte na enquête van [verweerder] . VZD heeft zich op het standpunt gesteld dat door [verweerder] het tegenbewijs wat betreft de bouwkosten van Bouwbedrijf [bedrijf 4] en de inruil van auto’s bij autobedrijf [naam 1] niet is geleverd.
Bouwkosten Bouwbedrijf [bedrijf 4]
2.6.
Allereerst wijst [verweerder] voor het leveren van het tegenbewijs tegen het voorshands door de kantonrechter bewezen geachte feit dat [verweerder] VZD heeft laten betalen voor zijn privé-aanbouw ten bedrage van € 11.134,35 op een bezoeknotitie van [bedrijf 7] . [bedrijf 7] heeft op 27 december 2025 een bezoek gebracht aan de woning van [verweerder] en vervolgens de kosten voor zijn aanbouw begroot. In de bezoeknotitie heeft [bedrijf 7] opgenomen dat het aannemelijk is dat de waarde van de aanbouw op basis van de door [verweerder] getoonde facturen niet afwijkt van de werkelijkheid. Zoals VZD terecht opmerkt gaat [bedrijf 7] uit van slechts een inschatting van wat de privé-aanbouw zou hebben kunnen kosten en is [bedrijf 7] niet uitgegaan van de prijsafspraken die [verweerder] daadwerkelijk heeft gemaakt met de aannemer voor zijn privé-aanbouw. Ook is het rapport door [bedrijf 7] achteraf, na de uitgevoerde werkzaamheden, opgemaakt en zegt de bezoeknotitie niets over de factuur aan [verweerder] van 12 maart 2024 van € 6.011,28, de creditfactuur van 14 maart 2024 van
€ 6.011,28 en het Excel-overzicht welke [bedrijf 4] naar [verweerder] heeft gezonden in maart 2024 met daarop het nog te betalen bedrag van € 5.122,77. Met inachtneming van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat door overlegging van de bezoeknotitie van [bedrijf 7] op geen enkele manier is gebleken dat door [verweerder] de bedragen voor zijn verbouwing van € 6.011,28 en € 5.122,77 door hem zijn betaald, terwijl door VZD wel de bedragen van € 6.011,58 en € 5.122,77 aan [bedrijf 4] zijn betaald. Van het ontzenuwen van het voorshands bewezen geachte feit is derhalve geen sprake.
2.7.
[naam 2] en [naam 3] hebben een schriftelijke verklaring afgelegd waarin zij hebben aangegeven dat zij werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van de privé-aanbouw van [verweerder] . Deze verklaringen brengen echter niets in tegen het voorshands bewezen geachte feit dat het bedrag van € 11.134,35 (€ 6.011,58 + € 5.122,77), dat door [bedrijf 4] aan VZD in rekening is gebracht, betrekking heeft op de privé-aanbouw van [verweerder] , zodat door deze verklaringen het voorshands bewezen geachte feit niet is ontzenuwd.
2.8.
Tevens heeft [verweerder] een schriftelijke verklaring van [naam 4] overgelegd. [naam 4] heeft in zijn verklaring aangegeven dat hij in 2023 mede eigenaar was van [bedrijf 1] te Emmen en [verweerder] medio februari 2024 hem de opdracht heeft gegeven om timmer- en installatiewerkzaamheden in de loods te [plaatsnaam] uit te voeren. De totale factuur voor deze werkzaamheden bedroeg € 11.134,35 en is betaald door VZD. Vervolgens is er daarna abusievelijk een factuur naar [verweerder] gezonden en deze is op verzoek van [verweerder] gecrediteerd, aldus [naam 4] in zijn verklaring.
De kantonrechter stelt vast dat zowel [naam 4] als [naam 5] tot 10 november 2023 ieder via elk zijn eigen besloten vennootschap, respectievelijk [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V., middellijk bestuurder en aandeelhouder zijn geweest van [bedrijf 1] B.V. Met ingang van 10 november 2023 is [bedrijf 1] B.V ontbonden. Daarna is [naam 4] met ingang van 1 november 2023 een eenmanszaak gestart, genaamd [bedrijf 6] en [naam 5] is op 18 oktober 2023 een eenmanszaak gestart met de handelsnamen [bedrijf 4] en [bedrijf 5] . Deze gegevens volgen uit de door VZD overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel van voornoemde ondernemingen. De eenmanszaak van [naam 5] , [bedrijf 4] , heeft op 1 maart 2024 de factuur van € 11.134,35 naar VZD gezonden alsmede de factuur, creditfactuur en het Excel-overzicht van het nog openstaande bedrag van de privé-aanbouw naar [verweerder] gezonden. Omdat uit voornoemde uittreksels van de Kamer van Koophandel volgt dat [naam 4] niet betrokken is bij de eenmanszaak van [naam 5] , valt niet in te zien dat [naam 4] enige informatie kan verschaffen over een door [verweerder] in februari 2024 gegeven opdracht aan [bedrijf 4] . Gelet hierop hecht de kantonrechter aan de verklaring van [naam 4] geen waarde. Daarbij komt ook dat de verklaring van [naam 4] niet onder ede is afgelegd.
2.9.
Tot slot stelt [verweerder] zich op het standpunt dat de discussie wat betreft de kosten voor zijn privé-verbouwing slechts zou moeten gaan over een bedrag van € 6.011,28 in plaats van het bedrag van € 11.134,35. Dit standpunt van [verweerder] kan geen standhouden. Uit het Excel-overzicht dat op 12 maart 2024 door [bedrijf 4] naar [verweerder] is gezonden staat dat de kosten voor de aanbouw € 15.000,00 bedragen en er nog een bedrag van € 5.122,77 door [verweerder] moet worden voldaan. Nu vervolgens op 14 maart 2024 door [bedrijf 4] de rekening van € 6.011,28 aan [verweerder] wordt gecrediteerd, staat zowel het bedrag van € 5.122,77 alsmede dat van € 6.011,28 nog open. Nu vaststaat dat er op 1 maart 2024 door het bouwbedrijf de bedragen van € 6.011,58 en € 5.122,77 aan VZD zijn gefactureerd en ook door VZD zijn betaald, terwijl niet is gebleken dat aan deze bedragen een opdracht van VZD ten grondslag lag, heeft VZD door betaling van voornoemde twee bedragen de kosten van de privé-verbouwing van [verweerder] betaald voor een bedrag van € 11.134,35 (€ 6.011,58 + € 5.122,77). Dat door [verweerder] deze kosten van de verbouwing aan [bedrijf 4] zijn betaald is door hem niet aangetoond. De verwijzing van [verweerder] naar de verschillende data waarop voornoemde facturen door [bedrijf 4] naar [verweerder] en VZD zijn gezonden, doet aan voornoemde conclusie niets af en maakt niet dat de kosten voor de verbouwing door [verweerder] zijn betaald.
2.10.
Met inachtneming van het hier voorgaande onder rechtsoverweging 2.6 tot en met 2.9 komt de kantonrechter tot de conclusie dat de door [verweerder] overgelegde verklaringen en nadere stukken, in onderling verband en samenhang bezien, onvoldoende twijfel zaaien over de door VZD aangevoerde feiten en omstandigheden op grond waarvan de kantonrechter voorshands bewezen heeft geacht dat [verweerder] VZD heeft laten betalen voor zijn privé-aanbouw ten bedrage van € 11.134,35. Alles overziend heeft het door [verweerder] bijgebrachte bewijs het door VZD geschetste beeld niet ontzenuwd. Het tegenbewijs is door [verweerder] dus niet geleverd.
Inruil auto’s bij autobedrijf [naam 1]
2.11.
[verweerder] heeft voor het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands door de kantonrechter bewezen geachte feit dat [verweerder] ten koste van VZD een privévoordeel heeft bewerkstelligd van € 5.000,00 door de inruil en koop van auto’s bij autobedrijf [naam 1] één getuige laten horen, te weten de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ).
2.12.
[naam 1] heeft in zijn verklaring, voor zover van belang, het volgende verklaard:
“(…) Het klopt dat ik een e-mail heb gestuurd op 25 maart 2024 aan VZD over een Skoda Enyaq en een Skoda Kodiaq. Het klopt dat het daarbij ging over de inruil van een Suzuki Jimny en een Fiat Panda. Het klopt zoals omschreven in de mail dat ik voor deze twee auto’s op de inruil van een Skoda Enyaq aanbood om € 10.000,00 te betalen. Het klopt dat er ook nog werd gesproken over de aankoop van een Skoda Kodiaq. Voor de Citroën Cactus op de aankoop van een Skoda Kodiaq heb ik € 15.500,00 geboden. Het kwam tot een deal in april 2024.
(…)
Ik wist dat de schoonzoon van [verweerder] de eigenaar was van de Citroën Cactus.
(…)
Uiteindelijk werd er voor de Suzuki Jimny en een Fiat Panda minder betaald dan aanvankelijk werd voorgesteld. Uiteindelijk heeft VZD daarvoor gekregen € 6.350,00.
Tegelijkertijd kwam de deal met de Cactus en de Kodiaq tot stand voor de schoonzoon van [verweerder] . Het bedrag voor de Citroën Cactus bleef hetzelfde namelijk € 15.500,00.
Mijn aanvankelijke voorstel voor de Suzuki Jimny en een Fiat Panda gebeurde zonder dat ik de auto’s gezien had. Het gebeurde puur op kenteken en kilometerstand.
(…)
De deal met enerzijds VZD en anderzijds de schoonzoon beschouwde ik als afzonderlijke transacties, maar ik sprak wel in één mail over beide transacties. In de mail van 25 maart 2024 die zojuist werd genoemd worden twee transacties omschreven en er wordt ook geschreven over het schuiven met bedragen in die mail, maar die transacties hebben niets met elkaar te maken.
(…)
De inruilprijs voor de Citroën Cactus was € 15.500,00 en dat was destijds een marktconforme inruilprijs.
(…)
Met [verweerder] had ik voor het eerst contact over de koop van de Skoda Kodiaq op 25 maart 2024, per e-mail. U houdt mij voor het e-mailbericht van 25 maart 2024 van mij aan [verweerder] . Daarin wordt over de Skoda Kodiaq vermeld dat de prijs € 32.900,00 en de inruil € 10.500,00. Dat is een tikfout van mijn zijde geweest. Het had moeten zijn € 15.500,00.
Ten aanzien van de aankoop van de Skoda Enyaq en het contact met [verweerder] daarover is mij niet bekend dat hij ergens ontevreden over was.
(…)
Ik weet niet meer op welke dag de Suzuki Jimny en de Fiat Panda op mijn naam zijn gekomen. (…) De auto’s zijn naar een collega autobedrijf gegaan. Volgens mij waren ze voor de export bestemd. Ik heb de auto’s enigszins moeten repareren en de lakschade weer in orde gemaakt en de stickers verwijderd. (…)”
2.13.
Hetgeen [verweerder] ter zitting en [naam 1] tijdens het getuigenverhoor heeft verklaard dat er in de e-mail van 25 maart 2024 (productie 20 bij verzoekschrift) sprake is geweest van een tikfout, inhoudende dat voor de inruil van de Citroën Cactus er geen bedrag van € 10.500,00 had moeten staan maar een bedrag van € 15.500,00 acht de kantonrechter niet aannemelijk. Zoals ook door VZD wordt opgemerkt is er in de e-mail van 25 maart 2024 sprake van een rekensom, de autoprijs van € 32.900,00 minus de inruil van € 10.500,00 dan is het bij te betalen bedrag € 22.400,00. Uitgaande van de stelling van [naam 1] dat die € 10.500,00 een tikfout is en € 15.500,00 had moeten zijn, dan klopt het bij te betalen bedrag niet en had dit een bedrag van € 17.400,00 moeten zijn. Omdat [naam 1] het slechts heeft gehad over één tikfout wat betreft het inruilbedrag van de Citroën Cactus, is [naam 1] met zijn verklaring niet te volgen en gaat de kantonrechter hieraan voorbij. Daarbij komt dat [naam 1] de Citroën Cactus vanaf 9 april 2024 voor € 11.950,00 en vanaf 11 juli 2024 voor € 10.950,00 te koop heeft aangeboden (productie 60 akte na enquête van VZD), zodat het bedrag van € 10.500,00 door [naam 1] genoemd in zijn e-mail van 25 maart 2024 een marktconforme prijs was. Dat [naam 1] voor de inruil van de Citroën Cactus een bedrag van € 15.500,00 zou geven als inruilprijs en vervolgens deze auto te koop zou zetten voor een bedrag van € 11.950,00 acht de kantonrechter niet aannemelijk.
2.14.
[naam 1] heeft verklaard dat hij de deal met VZD en anderzijds de schoonzoon beschouwde als afzonderlijke transacties en deze transacties niets met elkaar te maken hadden. In de e-mail van 25 maart 2024 wordt door [naam 1] echter gesproken over beide transacties. Tevens heeft [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij een bedrag van € 15.000,00 had om bij te leggen voor de auto van zijn schoonzoon en er daarna nog € 2.000,00 door hem is betaald, zodat het op een bedrag van € 17.000,00 is uitgekomen. Ook is de koopovereenkomst van de Skoda Kodiaq naar [verweerder] gezonden (productie 21 verzoekschrift). Uit het hier voorgaande volgt dat [verweerder] zich wel degelijk heeft bemoeid met de aankoop van de Skoda Kodiaq voor zijn schoonzoon. Bovendien staat vast dat [verweerder] in dezelfde periode namens VZD ook de koop van de Skoda Enyaq en de inruil van de Fiat Panda Suzuki Jimny met [naam 1] heeft geregeld. Voornoemd handelen van [verweerder] brengt de verdenking met zich dat voornoemde transacties niet los van elkaar kunnen worden gezien.
2.15.
Hetgeen [naam 1] heeft verklaard dat hij pas voor het eerst per e-mail van 25 maart 2024 contact heeft gehad met [verweerder] over de koop van de Skoda Kodiaq voor zijn schoonzoon, valt niet te rijmen met hetgeen [naam 1] in zijn e-mail van 25 maart 2024 schrijft. In deze e-mail schrijft [naam 1] “Wat betreft de Kodiaq, daar had ik je al het eea over geappt.” Hieruit volgt dat [verweerder] al in een eerder stadium contact heeft gehad met [naam 1] over de koop van de Skoda Kodiaq voor zijn schoonzoon en ook dat op dit punt de verklaring van [naam 1] niet strookt met hetgeen hij op een eerder moment per e-mail zelf heeft aangegeven.
2.16.
Verder blijkt uit de overgelegde verkoopgeschiedenis van de Skoda Kodiaq dat Centruy deze auto in januari 2024 te koop had staan voor een bedrag van € 34.900,00 (productie 61 akte na enquête). [naam 1] heeft vervolgens deze Skoda Kodiaq drie maanden later per e-mail van 25 maart 2024 te koop aangeboden aan [verweerder] als auto voor zijn schoonzoon voor een bedrag van € 32.900,00 en dit is € 2.000,00 minder dan waarvoor die auto drie maanden daarvoor te koop stond. Ook heeft [naam 1] de Citroën Cactus van de schoonzoon van [verweerder] voor een aanzienlijk lagere prijs aangeboden (€ 12.950,00, productie 60) dan waarvoor hij stelt deze te hebben gekocht van de schoonzoon van [verweerder] (€ 15.500,00). Door zowel [naam 1] als [verweerder] is geen enkele verklaring gegeven waarom [naam 1] flinke bedragen heeft toegelegd op de verkoop van de Skoda Skodiaq en de inruil van de Citroën Cactus en daartegenover het feit dat er voor de inruilers van VZD minder is betaald dan in eerste instantie voorgesteld door [naam 1] .
2.17.
Met betrekking tot de Fiat Panda en Suzuki Jimny heeft [naam 1] verklaard dat hij voor deze auto’s een inruilprijs van € 10.000,00 heeft genoemd zonder deze auto’s te hebben gezien. Dit strookt echter niet met de verklaring van [verweerder] ter zitting dat [naam 1] de waardes van de Fiat Panda en Suzuki Jimny heeft ingeschat toen ze op de parkeerplaats stonden. Ook heeft [naam 1] verklaard dat het hem niet bekend was dat [verweerder] ten aanzien van de aankoop van de Skoda Enyaq voor VZD ergens ontevreden over was, terwijl in het rapport van Berenschot (pagina 10) staat opgenomen dat [naam 1] een lager voorstel heeft gedaan voor de inruil van de Fiat Panda en Suzuki Jimny en directeur [verweerder] met betrekking tot de namens VZD ter verkoop aangeboden auto’s niet erg gelukkig was met de opstelling van [naam 1] . Uit het voorgaande volgt dat voornoemde door [naam 1] tijdens het getuigenverhoor afgelegde verklaringen niet stroken met de zienswijze van [verweerder] zelf, zodat van de juistheid hiervan niet kan worden uitgegaan.
2.18.
Met inachtneming van het voorgaande onder rechtsoverweging 2.11 tot en met 2.17 is de kantonrechter van oordeel dat alles bij elkaar genomen de op een of meerdere punten elkaar tegensprekende verklaringen van [naam 1] in combinatie met de door de kantonrechter geconstateerde inconsistenties in zijn verklaring, er geen twijfel is ontstaan aan het voorshands bewezen feit dat [verweerder] ten koste van VZD een privévoordeel heeft bewerkstelligd van € 5.000,00 door de inruil en koop van auto’s bij autobedrijf [naam 1] . Daarentegen laten de met stukken onderbouwde stellingen van VZD een voldoende consistent beeld zien, namelijk dat VZD minder geld heeft gekregen voor de inruilauto’s de Fiat Panda en Suzuki Jimny dan eerder voorgesteld en [verweerder] een bedrag van € 5.000,00 meer heeft gekregen van [naam 1] voor de inruil van de Citroën Cactus van zijn schoonzoon dan eerder is aangeboden. [verweerder] heeft die overtuiging niet aan het wankelen gebracht en het geschetste beeld niet ontzenuwd. Dat betekent dat [verweerder] het tegenbewijs niet heeft geleverd.
Wanprestatie
2.19.
Zoals de kantonrechter hiervoor heeft geoordeeld is [verweerder] niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs met betrekking tot de bouwkosten van € 11.134,35 en de auto’s. Gelet hierop is komen vast te staan dat [verweerder] VZD heeft laten betalen voor zijn privé-aanbouw ten bedrage van € 11.134,35 en dat [verweerder] ten koste van VZD een privévoordeel van € 5.000,00 heeft bewerkstelligd ter zake de inruil van auto’s bij autobedrijf [naam 1] . Voornoemd handelen van [verweerder] is naar het oordeel van de kantonrechter te duiden als zeer ernstige tekortkomingen aan zijn zijde, waardoor [verweerder] in ernstige mate niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst. Daar komt bij dat [verweerder] naast voornoemde twee gevallen ook nog privévoordeel heeft behaald door het privégebruik van de 70 m² van de door VZD gehuurde opslaglocatie te [plaatsnaam] , de uitgevoerde privé-klussen voor [verweerder] door de medewerkers van Ben Kwijt en de privékosten van Unica die [verweerder] ten laste van VZD heeft laten komen. Ondanks dat [verweerder] een bepaalde mate van vrijheid had die oogluikend werd toegestaan door het bestuur van VZD, had [verweerder] zich er naar het oordeel van de kantonrechter bewust van moeten zijn dat het op deze wijze behalen van privévoordeel ten koste van VZD de grenzen van wat redelijk is ver te buiten gaat.
Naar het oordeel van de kantonrechter brengt het voorgaande met zich dat de tekortkoming van [verweerder] in de nakoming van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst met VZD dermate ernstig is dat deze de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen daarvan rechtvaardigt. Hierbij heeft de kantonrechter in ogenschouw genomen dat [verweerder] een dienstverband bij VZD heeft van bijna dertig jaar, [verweerder] nog maar enkele maanden tot zijn pensioen heeft te werken en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst vergaande negatieve financiële gevolgen voor hem heeft. Deze omstandigheden doen niet dan wel onvoldoende af aan de ernstige tekortkomingen van [verweerder] .
2.20.
Doordat sprake is van ernstige wanprestatie, kan van VZD niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing ligt dan ook niet in de rede (artikel 7:669 lid 1 BW). Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden.
2.21.
Omdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden op de primair verzochte grond van ernstige verwijtbare wanprestatie ex artikel 7:686 BW, behoeft hetgeen subsidiair en meer subsidiair door VZD is verzocht geen bespreking meer.
Arbeidsovereenkomst eindigt per 1 augustus 2026
2.22.
De vraag die vervolgens voorligt, is per welke datum de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden. VZD heeft verzocht de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden en geen rekening te houden met de opzegtermijn. [verweerder] heeft in zijn tegenverzoek verzocht bij de ontbinding rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden.
2.23.
Omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbare wanprestatie van [verweerder] , zal de kantonrechter, overeenkomstig het verzoek van VZD, de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn ontbinden (artikel 7:671b lid 9 sub b BW). Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 augustus 2026.
Transitievergoeding
2.24.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of VZD een transitievergoeding aan [verweerder] is verschuldigd. VZD heeft daartoe aangevoerd dat [verweerder] bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van wanprestatie geen recht heeft op een transitievergoeding, omdat artikel 7:673 BW op een dergelijke situatie niet van toepassing is. En indien zal worden geoordeeld dat van een toerekenbare tekortkoming geen sprake is of dat een dergelijke tekortkoming het recht op een transitievergoeding niet uitsluit, stelt VZD zich op het standpunt dat het aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde handelen eveneens kwalificeert als ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van [verweerder] . Volgens VZD is zij op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW dan geen transitievergoeding aan [verweerder] verschuldigd.
2.25.
[verweerder] heeft daartegenover aangevoerd dat artikel 7:673 BW voorschrijft dat de werkgever in beginsel een transitievergoeding verschuldigd is in geval van ontbinding door de rechter en dit ook geldt bij ontbinding wegens artikel 6:265 BW. Het niet toekennen van de transitievergoeding moet volgens [verweerder] terughoudend worden toegepast en kan alleen in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werknemer niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt.
2.26.
Artikel 7:673 lid 1 onderdeel a onder 2 BW bepaalt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is als de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden, wat evengoed het geval is bij een ontbinding op grond van artikel 7:686 BW als artikel 7:671b BW. De kantonrechter stelt daarom voorop dat de werknemer op grond van artikel 7:673 lid 1 BW in beginsel recht heeft op de transitievergoeding in de daar omschreven gevallen. Echter hiervoor is overwogen dat [verweerder] ernstig tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst en er aan de zijde van [verweerder] sprake is van een ernstige verwijtbare wanprestatie. Gelet hierop, welk handelen ook is aan te merken als verwijtbaar handelen van [verweerder] , is de kantonrechter het met VZD eens dat in deze gegeven omstandigheden [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding (gelet op artikel 7:673 lid 7 sub c BW). Evenmin is door [verweerder] voldoende onderbouwd dat het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is ex artikel 7:673 lid 8 BW. Het verzoek van VZD om te bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op de transitievergoeding of enige andere vergoeding wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zal dan ook worden toegewezen.
Schadevergoeding
2.27.
De kantonrechter stelt voorop dat artikel 7:686 BW bepaalt dat de bepalingen van afdeling 9 van titel 10 van Boek 7 BW de mogelijkheid van partijen om schadevergoeding te vorderen niet uitsluit. Naar de letter van de wet biedt dit de werkgever de mogelijkheid om in geval van ontbinding op grond van art. 7:686 BW vergoeding van schade te vorderen die het gevolg is van de ‘ernstige wanprestatie’ van de werknemer. Omdat reeds is geoordeeld dat [verweerder] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst en aan de zijde van [verweerder] sprake is van ernstige wanprestatie, is hij aansprakelijk voor de door VZD hierdoor geleden en nog te lijden schade. De verklaring voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door VZD geleden en nog te lijden schade zal derhalve worden toegewezen.
2.28.
Op de beoordeling van de vorderingen van VZD tot schadevergoeding zijn de artikelen 6:74 BW e.v. van toepassing. Dat betekent dat sprake moet zijn van een toerekenbare tekortkoming van [verweerder] en dat de door VZD gevorderde schadevergoeding in causaal verband moet staan met de tekortkoming. Ingevolge artikel 6:75 BW is iedere tekortkoming toerekenbaar, tenzij de schuldenaar ( [verweerder] ) aantoont dat de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend. Daarnaast moet volgens artikel 6:74 lid 2 BW ofwel de nakoming blijvend onmogelijk zijn ofwel de partij die wanprestatie pleegt in verzuim zijn. Voor de vorderingen tot schadevergoeding geldt op de voet van artikel 150 Rv dat de stelplicht en bewijslast voor de feiten die daaraan ten grondslag worden gelegd bij VZD liggen.
2.29.
Naast de toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [verweerder] heeft [verweerder] onrechtmatig gehandeld jegens VZD. Voor de omvang van de schadevergoeding neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat VZD zo veel mogelijk in de situatie moet worden gebracht waarin zij zou verkeren als [verweerder] niet onrechtmatig jegens VZD zou hebben gehandeld of niet zou hebben tekortgeschoten.
2.30.
Hieronder zullen de schadevergoedingen die door VZD worden verzocht per post worden beoordeeld met inachtneming van het vorengaande.
Gederfde huurinkomsten privéopslag
2.31.
In het tussenvonnis van 5 december 2025 in rechtsoverweging 5.10 is met betrekking tot het gebruik van 70 m² van de gehuurde opslaglocatie te [plaatsnaam] voor privé-opslag, met verwijzing naar het rapport van Berenschot, reeds het volgende overwogen. Door [verweerder] wordt erkend dat hij de loods voor privé-opslag heeft gebruikt. Daarnaast staat vast dat [verweerder] geen vergoeding heeft betaald voor de opslag van de privégoederen en is onbetwist gebleven dat de vergoeding voor het gebruik van de 70 m² een bedrag van € 2.500,00 per jaar zou moeten zijn. Tevens heeft de kantonrechter in voornoemd tussenvonnis overwogen dat uit de stukken volgt dat deze privé-opslag vier jaren heeft geduurd, er sprake is geweest van privé-opslag van structurele aard waardoor er op oneigenlijke wijze privé een voordeel mee is behaald en daarmee sprake is van een ernstige tekortkoming.
2.32.
Pas bij akte na enquête, op 27 april 2026, heeft [verweerder] zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van privé-opslag van 70 m² in de loods te [plaatsnaam] , maar van slechts 10 m². [verweerder] heeft daartoe aangevoerd dat hij door VZD pas op 19 december 2025 in de gelegenheid is gesteld om zaken uit de loods te [plaatsnaam] te halen en hij zich toen pas een goed beeld heeft kunnen vormen hoeveel goederen van hem daar waren opgeslagen. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [verweerder] als productie 25 twee foto’s overgelegd van de in de loods opgeslagen goederen. VZD heeft vervolgens bij akte na enquête een video-opname overgelegd waaruit volgt dat het deel van de loods waar de privéspullen van [verweerder] stonden aanzienlijk groter was dan de foto’s van [verweerder] doen vermoeden.
2.33.
De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] heeft erkend dat hij de loods te [plaatsnaam] heeft gebruikt om privé-goederen op te slaan. Op de foto’s van de loods, die door VZD als productie 10 bij verzoekschrift in het geding zijn gebracht, is onder andere te zien dat er een aanhanger van [verweerder] in de loods staat. In zijn verweerschrift heeft [verweerder] erkend dat hij zaken van zijn overleden ouders in de loods te [plaatsnaam] heeft gestald en hij ook wel eens een boot en twee aanhangers in de loods heeft neergezet (punt 8.1 en 8.2 verweerschrift). Ook staat in het rapport van Berenschot onder de beoordeling opgenomen dat is geconstateerd dat [verweerder] 70 m² van de loods te [plaatsnaam] als privéopslag heeft gebruikt. De enkele foto’s van slechts een gedeelte van de loods te [plaatsnaam] , die nadien door [verweerder] als productie 25 zijn overgelegd, doen aan voornoemde erkenning van [verweerder] niets af. In het licht van de eerdere erkenning van [verweerder] dat hij ook wel eens een boot en twee aanhangers in de loods heeft gestald, de conclusies uit het rapport van Berenschot alsmede de foto’s en het filmpje van VZD van de privé-opslag door [verweerder] , is de kantonrechter van oordeel dat is komen vast te staan dat [verweerder] 70 m² van de loods heeft gebruikt voor privé-opslag. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter reeds overwogen dat het opslaan van privégoederen in de loods te [plaatsnaam] is aan te merken als een ernstige tekortkoming, welke tekortkoming aan [verweerder] is toe te rekenen. Nakoming hiervan is blijvend onmogelijk. Het in gebruik hebben gehad door [verweerder] van de loods in de periode vanaf 2021 tot en met 2025 kan namelijk niet meer ongedaan worden gemaakt, zodat er aan de zijde van [verweerder] sprake is van verzuim. Eveneens is [verweerder] door voornoemd handelen, hetgeen ook onrechtmatig is, tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit zijn arbeidsovereenkomst, waardoor nakoming onmogelijk is. Doordat [verweerder] VZD niet heeft betaald voor de opslag van zijn privégoederen in de loods, heeft VZD schade geleden. Zoals door Berenschot is geconcludeerd is de vergoeding voor het gebruik van 70 m² een bedrag van € 2.500,00 per jaar, zodat [verweerder] een schadevergoeding van € 10.000,00 (4 x € 2.500,00) aan VZD is verschuldigd ter zake de opslag van privégoederen in de loods te [plaatsnaam] . De door VZD verzochte schadevergoeding van € 10.000,00 zal dan ook worden toegewezen.
Gederfde inruilwaarde voor bedrijfsauto’s;
2.34.
De kantonrechter heeft hiervoor onder rechtsoverweging 2.18 geoordeeld dat door [verweerder] het tegenbewijs niet is geleverd en derhalve is komen vast te staan dat [verweerder] zich ten koste van VZD voor een bedrag van € 5.000,00 heeft bevoordeeld. Dit handelen van [verweerder] is aan te merken als een ernstige toerekenbare tekortkoming. [verweerder] heeft de twee auto’s (Suzuki Jimny en Fiat Panda) van VZD ingeruild bij autobedrijf [naam 1] en autobedrijf [naam 1] heeft deze auto’s doorverkocht, zodat nakoming blijvend onmogelijk is en er aan de zijde van [verweerder] sprake is van verzuim. Door dit handelen van [verweerder] heeft VZD schade geleden, welke schade [verweerder] aan VZD dient te vergoeden. Het verzoek tot betaling van € 5.000,00, ter zake de gederfde inruilwaarde voor de bedrijfsauto’s, zal worden toegewezen.
2.35.
Aan hetgeen [verweerder] heeft aangevoerd dat de vordering ter zake van de inruilwaarde voor de bedrijfsauto’s de strenge toets van artikel 7:661 BW niet kan doorstaan, gaat de kantonrechter voorbij. In artikel 7:661 BW is bepaald dat de werknemer die bij de uitvoering van zijn werk schade toebrengt aan de werkgever, slechts gehouden is tot schadevergoeding indien die schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. Dit is hier aan de orde naar het oordeel van de kantonrechter. De hiervoor omschreven actieve rol van [verweerder] leidt tot de conclusie dat een en ander opzettelijk heeft plaatsgehad. [verweerder] is dan ook schadeplichtig .
Privé-verbouwing
2.36.
De kantonrechter heeft hiervoor onder rechtsoverweging 2.10 geoordeeld dat door [verweerder] het tegenbewijs niet is geleverd en derhalve is komen vast te staan dat [verweerder] VZD heeft laten betalen voor zijn privé-aanbouw ten bedrage van € 11.134,35. Dit handelen van [verweerder] is aan te merken als een ernstige toerekenbare tekortkoming en hij is hierdoor ernstig tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen die voortvloeien uit zijn arbeidsovereenkomst, waardoor nakoming van die verplichtingen inmiddels onmogelijk is en sprake is van verzuim. Door dit handelen van [verweerder] , hetgeen ook onrechtmatig is, heeft VZD schade geleden, welke schade [verweerder] aan VZD dient te vergoeden. Het verzoek tot betaling van de schadevergoeding van € 11.134,35, ter zake de kosten van de privé-verbouwing, zal worden toegewezen.
Facturen installatiebedrijf Unica
2.37.
In het tussenvonnis van 5 december 2025 heeft de kantonrechter ten aanzien van de factuur van Unica van 30 november 2021 ten bedrage van € 321,00 exclusief btw (€ 388,41 inclusief btw) overwogen dat [verweerder] heeft erkend dat deze factuur betrekking heeft op werkzaamheden ten behoeve van hem in privé en deze factuur onrechte door VZD is voldaan. Omdat [verweerder] heeft erkend dat deze factuur ziet op werkzaamheden voor hem in privé en niet VZD maar hij de factuur had moeten betalen, wijst de kantonrechter het verzochte schadebedrag van € 388,41 inclusief btw toe.
2.38.
Wat betreft de facturen ten bedrage van € 1.993,00 te vermeerderen met btw en ten bedrage van € 1.231,14 te vermeerderen met btw heeft de kantonrechter in het tussenvonnis van 5 december 2025 reeds overwogen dat deze facturen betrekking hebben op kantoorvoorzieningen bij [verweerder] thuis die hij nodig had voor het werk. In het Berenschot rapport staat ten aanzien van deze facturen ook opgenomen dat het bestuur geen afspraken met [verweerder] heeft gemaakt over het declareren van kosten voor thuiswerken, zodat [verweerder] formeel niet in strijd met de wet- en regelgeving of interne afspraken heeft gehandeld. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat ten aanzien van de hiervoor genoemde twee facturen niet kan worden gezegd dat [verweerder] toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van VZD. Hetgeen VZD nog heeft aangevoerd dat de factuur ten bedrage van € 1.231,14 betrekking zou hebben op de badkamer in de privéwoning van [verweerder] en niet op kantoorvoorzieningen, gaat de kantonrechter voorbij. In de e-mail van Unica van 1 mei 2024 met daarbij de prijsopgave wordt verwezen naar werkzaamheden ten behoeve van de container en zo werd het thuiskantoor van [verweerder] genoemd. De verzoeken tot vergoeding van de facturen ten bedrage van € 1.993.00 en € 1.231.14 zullen worden afgewezen.
Onderzoekskosten door Berenschot
2.39.
VZD heeft zich op het standpunt gesteld dat het uitvoeren van het onderzoek door Berenschot noodzakelijk was om de onrechtmatigheid van het handelen en nalaten van [verweerder] vast te stellen als ook de omvang van de geleden schade in kaart te brengen. De kosten van het onderzoek van Berenschot van € 43.500,00 te vermeerderen met btw, betreffen volgens VZD redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid, die op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen, aldus VZD.
2.40.
[verweerder] heeft daartegenover aangevoerd dat door VZD onvoldoende is gesteld dat wat betreft de kosten van het onderzoeksrapport van Berenschot is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW. Daarbij komt volgens [verweerder] dat de meeste meldingen die door Berenschot zijn onderzocht niet terecht zijn gebleken of althans niet zijn komen vast te staan. De tijd die Berenschot heeft besteed aan de meldingen die niet terecht zijn gebleken en de kosten die daarmee gemoeid zijn kunnen niet voor rekening van [verweerder] komen, aldus [verweerder] . Tevens voert [verweerder] aan dat de gestelde schade niet in zodanig verband staat dat deze aan [verweerder] kan worden toegerekend. Tot slot stelt [verweerder] zich op het standpunt dat Berenschot haar onderzoek niet zorgvuldig heeft uitgevoerd en de gevorderde onderzoekskosten van € 52.635,00 inclusief btw disproportioneel zijn.
2.41.
Vaststaat dat VZD Berenschot heeft ingeschakeld om de onrechtmatigheid van het handelen en nalaten van [verweerder] in zijn functie van directeur bij VZD te onderzoeken. Uitgangspunt is dat op de voet van artikel 6:96 lid 2 sub b BW deze kosten, waaronder onderzoekskosten, als vermogensschade voor rekening van de aansprakelijke partij kunnen worden gebracht, mits voldaan is aan de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets. Die toets houdt in dat de werkzaamheden slechts voor vergoeding in aanmerking komen indien het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs noodzakelijk was deze te verrichten én de ter zake gevorderde kosten naar hun aard en omvang redelijk zijn.
2.42.
Allereerst merkt de kantonrechter op dat wat betreft de zorgvuldigheid van het onderzoek door Berenschot de kantonrechter in de beschikking van 5 december 2025 in rechtsoverweging 5.6 heeft vermeld dat de kantonrechter geen aanleiding ziet om niet van de getrouwheid van het rapport uit te gaan. De kantonrechter gaat derhalve aan het verweer van [verweerder] voorbij dat het rapport onzorgvuldig is en daar niet vanuit kan worden gegaan
2.43.
De kantonrechter is van oordeel dat naar aanleiding van de meldingen van de twee werknemers van VZD en gelet op de aard van de tegen [verweerder] gerezen verdenkingen, namelijk het niet integer handelen en mogelijke belangenverstrengeling, VZD in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een onderzoek door Berenschot te laten instellen. Dat op een aantal punten de aantijgingen jegens [verweerder] niet zo ernstig zijn gebleken en niet zijn komen vast te staan, doet niets af aan het feit dat er wel degelijk meldingen zijn komen vast te staan die als ernstig zijn te kwalificeren. Op voorhand is niet duidelijk wat de uitkomst van een onderzoek brengt. Echter uit het rapport van Berenschot is naar voren gekomen dat, gelet op de meldingen die zijn komen vast te staan en als ernstig zijn te kwalificeren, het onderzoek wel noodzakelijk is gebleken. De kosten voor het onderzoek en rapport zijn door het overleggen van de offerte (productie 7 bij verzoekschrift) voldoende onderbouwd. Niet gesteld noch gebleken is dat het aantal uren dat Berenschot heeft besteed aan het onderzoek en het maken van het rapport onredelijk zijn. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het onderzoek van Berenschot noodzakelijk was en de gevorderde kosten redelijk zijn, zodat voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets. Het verzoek dat [verweerder] de onderzoekskosten van Berenschot ten bedrage van € 43.500,00 te vermeerderen met btw dient te betalen zal dan ook worden toegewezen.
Kosten van juridisch advies
2.44.
De kantonrechter stelt vast dat VZD om betaling van de kosten van juridisch advies, betreffende de periode maart 2025 tot en met juli 2025 ten bedrage van € 36.068,09 (exclusief btw), heeft verzocht. Kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (art. 6:96 lid 2 onder b BW) komen als vermogensschade voor volledige vergoeding in aanmerking, mits in redelijkheid gemaakt en redelijk naar omvang. Met betrekking tot de samenloop van de vermogensschade van art. 6:96 lid 2 BW en de proceskostenveroordeling van art. 237 e.v. Rv bepaalt art. 241 Rv, eerste volzin, dat jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van art. 6:96 lid 2 BW kan worden toegekend ter zake van verrichtingen waarvoor de in de art. 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak. De kantonrechter is van oordeel dat de juridische kosten die op de facturen staan genoemd, zoals bestudering van literatuur en het lezen van ingekomen stukken, zijn aan te merken als kosten ter instructie van de zaak. De werkzaamheden die de advocaat heeft verricht betreffen werkzaamheden die zijn uitgevoerd om een beeld te vormen van de zaak tegen [verweerder] en zijn allemaal verricht in de periode voordat het verzoekschrift door VZD is ingediend. Met inachtneming van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de door VZD gevorderde advocaatkosten onder de noemer van artikel 6:96 lid 2 onder b BW niet kunnen worden toegewezen, omdat hierop de regels betreffende de proceskosten exclusief van toepassing is.
2.45.
In feite doet VZD met het verzoek tot betaling van de kosten van juridische bijstand ten bedrage van € 36.068,09 exclusief btw, het verzoek aan de kantonrechter om [verweerder] te veroordelen in de werkelijke proceskosten die zij zou hebben gemaakt. Op grond van artikel 289 Rv kan de rechter in een verzoekschriftprocedure een veroordeling in de proceskosten uitspreken. Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte kosten kan alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als grond voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter, dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hetgeen VZD in deze procedure heeft aangevoerd is echter onvoldoende om misbruik van procesrecht van [verweerder] te kunnen vaststellen. VZD is namelijk zelf deze procedure gestart tegen [verweerder] en heeft daardoor kosten voor juridische bijstand moeten maken. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat in dit geval niet kan worden geoordeeld dat een vergoeding van werkelijke proceskosten van VZD gerechtvaardigd is. De werkelijk verzochte kostenveroordeling zal door de kantonrechter worden afgewezen en de kantonrechter zal bij de veroordeling van [verweerder] in de kosten aansluiten bij de geldende liquidatietarieven.
Inzet van een waarnemend directeur
2.46.
VZD stelt dat zij na de op non-actiefstelling van [verweerder] een waarnemend directeur heeft moeten inhuren om de continuïteit van VZD te waarborgen met alle kosten van dien, terwijl VZD ook het loon van [verweerder] heeft doorbetaald. Het inhuren van een waarnemend directeur was noodzakelijk gelet op de ernst van de vermoedens jegens [verweerder] die door Berenschot uitvoerig zijn onderzocht, gelet op het onderzoeksbelang en vervolgens gelet op de onmogelijkheid om [verweerder] te laten terugkeren naar zijn werk, aldus VZD. VZD zou de hoge kosten voor de inzet van een waarnemend directeur volgens haar niet hebben hoeven maken als [verweerder] niet onrechtmatig zou hebben gehandeld. De kosten die VZD in deze procedure heeft verzocht voor de inzet van een waarnemend directeur betreft een bedrag van € 160.000,00 inclusief btw gerekend vanaf 25 maart 2025 tot en met oktober 2025.
2.47.
[verweerder] voert daartegenover aan dat de gevolgen van een op non-actiefstelling in redelijkheid voor rekening van VZD als werkgever dienen te komen, ook indien [verweerder] aanleiding heeft gegeven tot die maatregel. Dit brengt volgens [verweerder] met zich mee dat de gevolgen die de non-actiefstelling met zich meebrengen, de kosten voor vervangend personeel, ook voor rekening van de werkgever moeten blijven. Verder voert [verweerder] aan dat het de keuze is geweest van VZD om tot 29 augustus 2025 te wachten met het indienen van het verzoekschrift tot ontbinding. Dat VZD zo lang heeft gewacht en daardoor de kosten van de door VZD ingeschakelde waarnemend directeur zijn opgelopen kan in redelijkheid niet ten laste van [verweerder] komen als sprake zou zijn van aansprakelijkheid, aldus [verweerder] . Tevens voert [verweerder] aan dat de gestelde schade niet in zodanig verband staat met de volgens VZD gestelde gebeurtenissen en kunnen die kosten niet aan [verweerder] worden toegerekend. Volgens [verweerder] is de inzet van een waarnemend directeur het gevolg van een onterechte op non-actiefstelling, zodat de kosten van een waarnemend directeur voor rekening van VZD dienen te blijven. Wat betreft de hoogte van de kosten die door VZD voor de waarnemend directeur worden verzocht stelt [verweerder] zich op het standpunt dat de waarnemend directeur in [woonplaats 2] woont en een bedrag van € 26.667,00 per maand verdient, welk bedrag meer dan drie keer het maandsalaris van [verweerder] betreft. Volgens [verweerder] kunnen de loonkosten voor een waarnemend directeur niet hoger uitvallen dan het salaris dat [verweerder] ontvangt. Om de waarnemend directeur meer te betalen dan de hoogte van het loon van [verweerder] is een keuze van VZD geweest, aldus [verweerder] .
2.48.
De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] de kosten van zijn vervanging moet betalen voor de door VZD verzochte periode van 25 maart 2025 tot en met oktober 2025. VZD had op 19 maart 2025, gelet op de meldingen van de twee werknemers van VZD en gelet op de aard van de tegen [verweerder] gerezen verdenkingen, voldoende reden om hem op non-actief te stellen en nader onderzoek te laten doen door Berenschot naar zijn handelen. Hiervoor is reeds overwogen dat [verweerder] ernstig toerekenbaar tekort is geschoten in de uitoefening van zijn arbeidsovereenkomst en dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van ernstige wanprestatie zal worden toegewezen. Omdat [verweerder] , vanwege het ernstig verwijtbaar tekortschieten, terecht op non-actief is gesteld dient hij de schade die VZD hierdoor heeft geleden te vergoeden. Dat hij niet heeft gewerkt vanaf 19 maart 2025 komt dan ook voor zijn rekening en VZD heeft terecht een waarnemend directeur aangenomen om de continuïteit van de stichting tijdens de afwezigheid van directeur [verweerder] op te vangen. Wat betreft de hoogte van het salaris dat VZD heeft verzocht is de kantonrechter van oordeel dat dit een buitenproportioneel hoog bedrag is. Uit het verzoekschrift volgt dat het salaris van [verweerder] voor 36 uur per week € 8.244,98 bruto per maand bedraagt, exclusief € 816,87 bruto bijdrage pensioenvoorziening en overige emolumenten, welk bedrag de kantonrechter als een behoorlijk inkomen beschouwd. De kantonrechter is van oordeel dat VZD voor voornoemd bedrag per maand een vervanger had moeten kunnen vinden. De kantonrechter zal de kosten voor de inzet van een waarnemend directeur daarom slechts toewijzen tot aan de hoogte van het salaris van [verweerder] per maand en het overige zal worden afgewezen. VZD heeft verzocht het salaris van de waarnemend directeur toe te wijzen over de periode 25 maart 2025 tot en met oktober 2025, zodat de kantonrechter van deze periode uit zal gaan. [verweerder] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van de maandelijkse kosten van € 8.244,98 bruto, exclusief € 816,87 bruto bijdrage pensioenvoorziening en overige emolumenten voor de periode 25 maart 2025 tot en met oktober 2025 voor de inzet van de waarnemend directeur.
Kosten externe woordvoerder
2.49.
VZD vordert van [verweerder] de kosten van de ten behoeve van de publiciteit rond deze kwestie aangetrokken externe woordvoerder van € 13.310,00 exclusief btw voor de periode 27 april 2025 tot en met 14 juli 2025. VZD voert daartoe aan dat zij deze hoge kosten niet zou hebben hoeven maken als [verweerder] niet onrechtmatig zou hebben gehandeld. De inzet van een woordvoerder was noodzakelijk omdat VZD zich in het publieke domein begeeft en er vrijwel onmiddellijk media-aandacht kwam, aldus VZD.
2.50.
[verweerder] heeft hiertegenover aangevoerd dat het gevorderde bedrag voor een externe woordvoerder onevenredig hoog en buitenproportioneel is. Daarnaast stelt [verweerder] zich op het standpunt dat het niet [verweerder] is geweest die de pers heeft ingeschakeld, zodat de schade niet in zodanig verband met de gebeurtenis staat dat die schade aan [verweerder] kan worden toegerekend. Tevens voert [verweerder] aan dat productie 44 aan de zijde van VZD geen factuur betreft van de kosten van de externe woordvoerder, de data van de gestelde kosten niet overeenkomen met de data van de perspublicaties en de naam van [verweerder] alleen bij de datum van 14 juli 2025 staat genoemd. Tot slot voert [verweerder] aan dat VZD een professioneel bestuur heeft, zodat een externe woordvoerder niet nodig zou moeten zijn. Het is de eigen keuze van VZD geweest om een dure woordvoerder in te schakelen, aldus [verweerder] .
2.51.
De kantonrechter is het met [verweerder] eens dat VZD een professioneel bestuur heeft en niet valt in te zien dat er een externe woordvoerder nodig is (geweest). Het bestuur van VZD bestaat thans uit de burgemeesters van de gemeenten Borger-Odoorn en Coevorden en een (voormalig) wethouder van de gemeente Emmen. Van voornoemde personen mag verwacht worden dat zij tegenover de pers zich voldoende duidelijk kunnen uiten. Zeker omdat dit in hun (voormalige) functie ook van hen wordt gevergd. Ook zijn de gestelde kosten onvoldoende onderbouwd. Uit de pagina die door VZD als productie 44 is overgelegd blijkt niet dat er daadwerkelijk een externe woordvoerder door VZD is ingeschakeld en de daarop staande kosten daadwerkelijk door VZD zijn betaald. Het verzoek tot vergoeding van de gestelde schade bestaande uit de kosten van een externe woordvoerder zullen dan ook worden afgewezen.
Overige geleden en nog te lijden schade en verwijzing naar schadestaatprocedure
2.52.
VZD verzoekt om een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Artikel 612 Rv bepaalt dat de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, de schade in het vonnis begroot, voor zover hem dit mogelijk is. Indien begroting in het vonnis niet mogelijk is, spreekt hij een veroordeling uit tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Voldoende voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat de eiser de mogelijkheid van schade aannemelijk maakt.. VZD heeft in dit kader onder meer aangevoerd dat zij meer en andere schade lijden, waarvoor [verweerder] aansprakelijk is en de omvang daarvan nog niet exact is vast te stellen. Voorts heeft VZD kosten moeten maken voor de inzet van een waarnemend directeur na oktober 2025. Naar het oordeel van de kantonrechter is het op basis van deze omstandigheden voldoende aannemelijk dat VZD door de tekortkomingen van [verweerder] meer schade heeft geleden dan waar reeds in deze beschikking over is geoordeeld. De kantonrechter zal derhalve de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure voor de overige geleden en nog te lijden schade.
Wettelijke rente over schadevergoeding
2.53.
De wettelijke rente over de schadevergoeding is verschuldigd vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot de dag van volledige betaling. Dit verschilt per schadepost. Door VZD is geen nadere onderbouwing per schadepost gegeven wanneer de wettelijke rente begint te lopen. De datum van binnenkomst van het verzoekschrift komt, bij gebreke van gemotiveerde stellingen van partijen op dit punt, het meest in aanmerking. De wettelijke rente over de verschillende schadevergoedingen zal daarom worden toegewezen met ingang van 29 augustus 2025.
Afwijzing tegenverzoeken
2.54.
Hiervoor is reeds geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden op grond van ernstige wanprestatie ex artikel 7:686 BW, zodat het tegenverzoek van [verweerder] , om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, zal worden afgewezen.
2.55.
Tevens is hiervoor geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen, vanwege de ernstig verwijtbare wanprestatie aan de zijde van [verweerder] , op de kortst mogelijke termijn zal worden ontbonden (artikel 7:671b lid 9 sub b BW). Gelet hierop zal het tegenverzoek van [verweerder] om bij de ontbinding rekening te houden met een opzegtermijn van vier maanden dan ook worden afgewezen.
2.56.
De kantonrechter heeft hiervoor reeds geoordeeld dat [verweerder] vanwege de ernstig verwijtbare wanprestatie aan zijn zijde geen recht heeft op toekenning van de transitievergoeding, zodat het tegenverzoek tot betaling van de transitievergoeding zal worden afgewezen. Omdat het tegenverzoek tot betaling van de transitievergoeding zal worden afgewezen, worden ook de daaraan gekoppelde verzoeken tot overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie alsmede de over de transitievergoeding verzochte rente afgewezen.
2.57.
[verweerder] heeft om een billijke vergoeding verzocht op grond van artikel 7:671 b lid 9 onder c BW. Volgens [verweerder] is hij ten onrechte op non-actief gesteld en heeft VZD verwijtbaar jegens hem gehandeld. Hiervoor is reeds overwogen dat er aan de zijde van [verweerder] sprake is van toerekenbaar tekortschieten uit hoofde van de arbeidsovereenkomst. Niet valt in te zien dat VZD enig verwijt tref, laat staan een ernstig verwijt. Het tegenverzoek van [verweerder] tot toekenning van een billijke vergoeding aan hem zal dan ook worden afgewezen. Eveneens zullen de daaraan gekoppelde verzoeken tot overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie en de over de billijke vergoeding verzochte rente worden afgewezen.
Proceskosten en nakosten inzake de verzoeken en het tegenverzoek
2.58.
De proceskosten inzake het verzoek en het tegenverzoek komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. Zoals hiervoor reeds overwogen zal de kantonrechter de werkelijk verzochte kostenveroordeling afwijzen en aansluiten bij de geldende liquidatietarieven. De proceskosten aan de zijde van VZD worden begroot op € 1.433,00 (€ 135,00 griffierecht, € 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
2.59.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.60.
Hoewel [verweerder] inzake het tegenverzoek in het ongelijk is gesteld, ziet de kantonrechter geen aanleiding om hem te veroordelen in de proceskosten met betrekking tot het tegenverzoek. Het ingestelde tegenverzoek is ingesteld als reactie op de door VZD verzochte ontbinding en er is niet gebleken dat met het debat inzake het tegenverzoek extra kosten zijn gemaakt.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.61.
In deze procedure wordt de door VZD verzochte verklaring voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door VZD geleden schade toegewezen. De kantonrechter merkt op dat een verklaring voor recht naar haar aard niet vatbaar is voor tenuitvoerlegging en de door VZD verzochte en toegewezen verklaring voor recht daarom niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Evenmin is voor tenuitvoerlegging vatbaar de veroordeling waarin wordt bepaalt dat [verweerder] geen recht heeft op de transitievergoeding of enige andere vergoeding wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Gelet hierop kan ook deze veroordeling waarbij de kantonrechter bepaalt dat [verweerder] geen recht heeft op de transitievergoeding of enige andere vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst daarom niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
2.62.
De overige verzoeken zullen als verzocht door VZD en niet bestreden, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
3De beslissing
De kantonrechter
In de zaak van de verzoeken
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2026 op grond van artikel 7:686 BW;
3.2.
bepaalt dat [verweerder] geen recht heeft op de transitievergoeding of enige andere vergoeding wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst;
3.3.
verklaart voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door VZD geleden en nog te lijden schade;
3.4.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de volgende bedragen, ter vergoeding van de door VZD geleden schade:
(a) € 10.000,00 ter zake gederfde huurinkomsten voor privéopslag;
(b) € 5.000,00 ter zake gederfde inruilwaarde voor bedrijfsauto’s;
(c) € 11.134,35 ter zake een privé-verbouwing;
(d) € 388,41 inclusief btw betreffende de factuur van Unica van 30 november 2021;
(e) € 43.500,00 te vermeerderen met btw ter zake de onderzoekskosten door Berenschot;
(f) voor de periode 25 maart 2025 tot en met oktober 2025 het salaris voor de inzet van een waarnemend directeur, welk salaris maandelijks € 8.244,98 bruto, exclusief € 816,87 bruto bijdrage pensioenvoorziening en overige emolumenten bedraagt;
(g) de overige geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat;
3.5.
De hiervoor onder 3.4. onder a tot en met f genoemde schadevergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 29 augustus 2025;
3.6.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.433,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
3.7.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten en nakosten, zoals hiervoor genoemd onder 3.6., als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.8.
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 3.1, 3.4, 3.5, 3.6 en 3.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.9.
wijst het meer of anders verzochte af;
In de zaak van de tegenverzoeken
3.10.
wijst de tegenverzoeken van [verweerder] af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J.R. de Locht en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.typ/conc: 33514/awi
Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1934
HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246.
Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1815.
NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer / rekestnummer: 11861255 \ AR VERZ 25-55
Beschikking van 31 juli 2026
in de zaak van
STICHTING VEILIGHEIDSZORG DRENTHE ("VZD"),
te Emmen,
verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek,
hierna te noemen: VZD,
gemachtigde: mr. W.J.F. Nieuwenhuis,
tegen
[verweerder]
,
te [woonplaats 1] ,
verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. R.P. van Boven.
1De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de akte houdende uitlating na tussenbeschikking aan de zijde van [verweerder] , ingekomen ter griffie op 15 januari 2026;
proces-verbaal van het getuigenverhoor van 27 maart 2026;
de e-mail aan de zijde van VZD met de mededeling dat zij geen gebruik maakt van haar recht op contra-enquête;
akte na enquête aan de zijde van [verweerder] , ingekomen ter griffie op 24 april 2026;
akte na enquête tevens houdende overlegging producties aan de zijde van VZD, ingekomen ter griffie op 2 juni 2026.
1.2.
De beschikking is (nader) bepaald op vandaag.
2De verdere beoordeling
Tussenbeschikking 5 december 2025
2.1.
Als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd hetgeen de kantonrechter heeft overwogen en beslist in zijn tussenbeschikking van 5 december 2025. In deze tussenbeschikking is overwogen dat de door VZD gestelde tekortkomingen van [verweerder] zijn gestoeld op de bevindingen van het onderzoeksrapport uitgevoerd door Berenschot. De kantonrechter heeft overwogen dat het onderzoeksrapport blijk geeft van een talrijke (28) opsomming van onderzochte misstanden. Voor het leeuwendeel daarvan heeft te gelden dat de bevindingen niet leiden tot de conclusie dat daarmee, voor de onderzochte misstand op zichzelf noch de onderzochte misstanden in onderling samenhang bezien, sprake is van een ernstige tekortkoming die is vereist voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens wanprestatie (artikel 7:686 BW). De kantonrechter heeft ten aanzien daarvan in de tussenbeschikking overwogen dat die gebeurtenissen gezien moeten worden in het licht van het nagenoeg drie decennia durende dienstverband van [verweerder] en de grote mate van vrijheid die [verweerder] van VZD kreeg om te ondernemen met VZD, hetwelk op zijn minst oogluikend werd toegestaan door het bestuur en zelfs ook wel werd aangemoedigd door het bestuur. Van een andere orde zijn het privégebruik van de 70 m² van de gehuurde opslaglocatie te [plaatsnaam] , de uitgevoerde privé-klussen voor [verweerder] door de medewerkers van Ben Kwijt en de privékosten van Unica die [verweerder] ten laste van VZD heeft laten komen. Deze gebeurtenissen zijn aan te merken als tekortkomingen aan de zijde van [verweerder] . De kantonrechter heeft in zijn tussenbeschikking van 5 december 2025 geoordeeld dat voornoemde drie gebeurtenissen, op zichzelf en in samenhang bezien, nog een onvoldoende ernstige tekortkoming betreffen om de ontbinding met al haar gevolgen te dragen. Dit gezien in het licht van het bijna dertig jaar durende dienstverband en de mate van vrijheid die [verweerder] oogluikend werd toegestaan. Voor de bouwkosten van Bouwbedrijf [bedrijf 4] ten bedrage van € 11.134,35 en/of de inruil van auto’s bij autobedrijf [naam 1] ligt dit anders.
2.2.
Ten aanzien van de kosten van Bouwbedrijf [bedrijf 4] heeft de kantonrechter [verweerder] , gelet op het door hem uitdrukkelijk gedane bewijsaanbod, toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands door de kantonrechter bewezen geachte feit dat [verweerder] VZD heeft laten betalen voor zijn privé-aanbouw ten bedrage van € 11.134,35. Met betrekking tot de inruil van auto’s bij autobedrijf [naam 1] heeft de kantonrechter [verweerder] , gelet op het door hem uitdrukkelijk gedane bewijsaanbod, toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands door de kantonrechter bewezen geachte feit dat [verweerder] ten koste van VZD een privévoordeel van € 5.000,00 heeft bewerkstelligd.
2.3.
Voor het leveren van tegenbewijs volstaat het dat het bewijs door het tegenbewijs wordt ontzenuwd. Tegenbewijs kan bijvoorbeeld worden geleverd door feiten te bewijzen die de bewezen feiten onaannemelijk maken of uitsluiten. Tegenbewijs kan er ook in bestaan dat de bewijsmiddelen of bewijsconstructies waarop het bewijs is gebaseerd, worden ontkracht. In de regel is voldoende dat twijfel wordt gezaaid ten aanzien van het voorliggende bewijs, althans zoveel twijfel dat de aanvankelijke overtuiging van de rechter aan het wankelen wordt gebracht.
De bewijslevering
2.4.
In de akte van 16 januari 2026 heeft [verweerder] aangegeven het tegenbewijs te willen leveren door middel van stukken en door het laten horen van getuigen. Voor de bewijsstukken heeft [verweerder] verwezen naar een bezoeknotitie van bouwtechnisch bureau [bedrijf 7] van 27 december 2025 (productie 18). Daarnaast heeft [verweerder] tijdens het getuigenverhoor van 27 maart 2026 de heer [naam 1] als getuige laten horen. Bij akte na enquête heeft [verweerder] nog een zevental producties als bewijsstuk overgelegd, zijnde een drietal artikelen die zijn gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden (producties 19 tot en met 21), verklaringen van respectievelijk [naam 2] (productie 22), [naam 3] (productie 23) en [naam 4] (productie 24) en twee foto’s van de in de loods te [plaatsnaam] opgeslagen zaken (productie 25).
2.5.
Vervolgens heeft VZD een akte na enquête ingediend met daarbij de producties 53 tot en met 70, waarbij VZD heeft gereageerd op het reeds gehouden getuigenverhoor waar [naam 1] is gehoord alsmede heeft gereageerd op de akte na enquête van [verweerder] . VZD heeft zich op het standpunt gesteld dat door [verweerder] het tegenbewijs wat betreft de bouwkosten van Bouwbedrijf [bedrijf 4] en de inruil van auto’s bij autobedrijf [naam 1] niet is geleverd.
Bouwkosten Bouwbedrijf [bedrijf 4]
2.6.
Allereerst wijst [verweerder] voor het leveren van het tegenbewijs tegen het voorshands door de kantonrechter bewezen geachte feit dat [verweerder] VZD heeft laten betalen voor zijn privé-aanbouw ten bedrage van € 11.134,35 op een bezoeknotitie van [bedrijf 7] . [bedrijf 7] heeft op 27 december 2025 een bezoek gebracht aan de woning van [verweerder] en vervolgens de kosten voor zijn aanbouw begroot. In de bezoeknotitie heeft [bedrijf 7] opgenomen dat het aannemelijk is dat de waarde van de aanbouw op basis van de door [verweerder] getoonde facturen niet afwijkt van de werkelijkheid. Zoals VZD terecht opmerkt gaat [bedrijf 7] uit van slechts een inschatting van wat de privé-aanbouw zou hebben kunnen kosten en is [bedrijf 7] niet uitgegaan van de prijsafspraken die [verweerder] daadwerkelijk heeft gemaakt met de aannemer voor zijn privé-aanbouw. Ook is het rapport door [bedrijf 7] achteraf, na de uitgevoerde werkzaamheden, opgemaakt en zegt de bezoeknotitie niets over de factuur aan [verweerder] van 12 maart 2024 van € 6.011,28, de creditfactuur van 14 maart 2024 van
€ 6.011,28 en het Excel-overzicht welke [bedrijf 4] naar [verweerder] heeft gezonden in maart 2024 met daarop het nog te betalen bedrag van € 5.122,77. Met inachtneming van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat door overlegging van de bezoeknotitie van [bedrijf 7] op geen enkele manier is gebleken dat door [verweerder] de bedragen voor zijn verbouwing van € 6.011,28 en € 5.122,77 door hem zijn betaald, terwijl door VZD wel de bedragen van € 6.011,58 en € 5.122,77 aan [bedrijf 4] zijn betaald. Van het ontzenuwen van het voorshands bewezen geachte feit is derhalve geen sprake.
2.7.
[naam 2] en [naam 3] hebben een schriftelijke verklaring afgelegd waarin zij hebben aangegeven dat zij werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van de privé-aanbouw van [verweerder] . Deze verklaringen brengen echter niets in tegen het voorshands bewezen geachte feit dat het bedrag van € 11.134,35 (€ 6.011,58 + € 5.122,77), dat door [bedrijf 4] aan VZD in rekening is gebracht, betrekking heeft op de privé-aanbouw van [verweerder] , zodat door deze verklaringen het voorshands bewezen geachte feit niet is ontzenuwd.
2.8.
Tevens heeft [verweerder] een schriftelijke verklaring van [naam 4] overgelegd. [naam 4] heeft in zijn verklaring aangegeven dat hij in 2023 mede eigenaar was van [bedrijf 1] te Emmen en [verweerder] medio februari 2024 hem de opdracht heeft gegeven om timmer- en installatiewerkzaamheden in de loods te [plaatsnaam] uit te voeren. De totale factuur voor deze werkzaamheden bedroeg € 11.134,35 en is betaald door VZD. Vervolgens is er daarna abusievelijk een factuur naar [verweerder] gezonden en deze is op verzoek van [verweerder] gecrediteerd, aldus [naam 4] in zijn verklaring.
De kantonrechter stelt vast dat zowel [naam 4] als [naam 5] tot 10 november 2023 ieder via elk zijn eigen besloten vennootschap, respectievelijk [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V., middellijk bestuurder en aandeelhouder zijn geweest van [bedrijf 1] B.V. Met ingang van 10 november 2023 is [bedrijf 1] B.V ontbonden. Daarna is [naam 4] met ingang van 1 november 2023 een eenmanszaak gestart, genaamd [bedrijf 6] en [naam 5] is op 18 oktober 2023 een eenmanszaak gestart met de handelsnamen [bedrijf 4] en [bedrijf 5] . Deze gegevens volgen uit de door VZD overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel van voornoemde ondernemingen. De eenmanszaak van [naam 5] , [bedrijf 4] , heeft op 1 maart 2024 de factuur van € 11.134,35 naar VZD gezonden alsmede de factuur, creditfactuur en het Excel-overzicht van het nog openstaande bedrag van de privé-aanbouw naar [verweerder] gezonden. Omdat uit voornoemde uittreksels van de Kamer van Koophandel volgt dat [naam 4] niet betrokken is bij de eenmanszaak van [naam 5] , valt niet in te zien dat [naam 4] enige informatie kan verschaffen over een door [verweerder] in februari 2024 gegeven opdracht aan [bedrijf 4] . Gelet hierop hecht de kantonrechter aan de verklaring van [naam 4] geen waarde. Daarbij komt ook dat de verklaring van [naam 4] niet onder ede is afgelegd.
2.9.
Tot slot stelt [verweerder] zich op het standpunt dat de discussie wat betreft de kosten voor zijn privé-verbouwing slechts zou moeten gaan over een bedrag van € 6.011,28 in plaats van het bedrag van € 11.134,35. Dit standpunt van [verweerder] kan geen standhouden. Uit het Excel-overzicht dat op 12 maart 2024 door [bedrijf 4] naar [verweerder] is gezonden staat dat de kosten voor de aanbouw € 15.000,00 bedragen en er nog een bedrag van € 5.122,77 door [verweerder] moet worden voldaan. Nu vervolgens op 14 maart 2024 door [bedrijf 4] de rekening van € 6.011,28 aan [verweerder] wordt gecrediteerd, staat zowel het bedrag van € 5.122,77 alsmede dat van € 6.011,28 nog open. Nu vaststaat dat er op 1 maart 2024 door het bouwbedrijf de bedragen van € 6.011,58 en € 5.122,77 aan VZD zijn gefactureerd en ook door VZD zijn betaald, terwijl niet is gebleken dat aan deze bedragen een opdracht van VZD ten grondslag lag, heeft VZD door betaling van voornoemde twee bedragen de kosten van de privé-verbouwing van [verweerder] betaald voor een bedrag van € 11.134,35 (€ 6.011,58 + € 5.122,77). Dat door [verweerder] deze kosten van de verbouwing aan [bedrijf 4] zijn betaald is door hem niet aangetoond. De verwijzing van [verweerder] naar de verschillende data waarop voornoemde facturen door [bedrijf 4] naar [verweerder] en VZD zijn gezonden, doet aan voornoemde conclusie niets af en maakt niet dat de kosten voor de verbouwing door [verweerder] zijn betaald.
2.10.
Met inachtneming van het hier voorgaande onder rechtsoverweging 2.6 tot en met 2.9 komt de kantonrechter tot de conclusie dat de door [verweerder] overgelegde verklaringen en nadere stukken, in onderling verband en samenhang bezien, onvoldoende twijfel zaaien over de door VZD aangevoerde feiten en omstandigheden op grond waarvan de kantonrechter voorshands bewezen heeft geacht dat [verweerder] VZD heeft laten betalen voor zijn privé-aanbouw ten bedrage van € 11.134,35. Alles overziend heeft het door [verweerder] bijgebrachte bewijs het door VZD geschetste beeld niet ontzenuwd. Het tegenbewijs is door [verweerder] dus niet geleverd.
Inruil auto’s bij autobedrijf [naam 1]
2.11.
[verweerder] heeft voor het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands door de kantonrechter bewezen geachte feit dat [verweerder] ten koste van VZD een privévoordeel heeft bewerkstelligd van € 5.000,00 door de inruil en koop van auto’s bij autobedrijf [naam 1] één getuige laten horen, te weten de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ).
2.12.
[naam 1] heeft in zijn verklaring, voor zover van belang, het volgende verklaard:
“(…) Het klopt dat ik een e-mail heb gestuurd op 25 maart 2024 aan VZD over een Skoda Enyaq en een Skoda Kodiaq. Het klopt dat het daarbij ging over de inruil van een Suzuki Jimny en een Fiat Panda. Het klopt zoals omschreven in de mail dat ik voor deze twee auto’s op de inruil van een Skoda Enyaq aanbood om € 10.000,00 te betalen. Het klopt dat er ook nog werd gesproken over de aankoop van een Skoda Kodiaq. Voor de Citroën Cactus op de aankoop van een Skoda Kodiaq heb ik € 15.500,00 geboden. Het kwam tot een deal in april 2024.
(…)
Ik wist dat de schoonzoon van [verweerder] de eigenaar was van de Citroën Cactus.
(…)
Uiteindelijk werd er voor de Suzuki Jimny en een Fiat Panda minder betaald dan aanvankelijk werd voorgesteld. Uiteindelijk heeft VZD daarvoor gekregen € 6.350,00.
Tegelijkertijd kwam de deal met de Cactus en de Kodiaq tot stand voor de schoonzoon van [verweerder] . Het bedrag voor de Citroën Cactus bleef hetzelfde namelijk € 15.500,00.
Mijn aanvankelijke voorstel voor de Suzuki Jimny en een Fiat Panda gebeurde zonder dat ik de auto’s gezien had. Het gebeurde puur op kenteken en kilometerstand.
(…)
De deal met enerzijds VZD en anderzijds de schoonzoon beschouwde ik als afzonderlijke transacties, maar ik sprak wel in één mail over beide transacties. In de mail van 25 maart 2024 die zojuist werd genoemd worden twee transacties omschreven en er wordt ook geschreven over het schuiven met bedragen in die mail, maar die transacties hebben niets met elkaar te maken.
(…)
De inruilprijs voor de Citroën Cactus was € 15.500,00 en dat was destijds een marktconforme inruilprijs.
(…)
Met [verweerder] had ik voor het eerst contact over de koop van de Skoda Kodiaq op 25 maart 2024, per e-mail. U houdt mij voor het e-mailbericht van 25 maart 2024 van mij aan [verweerder] . Daarin wordt over de Skoda Kodiaq vermeld dat de prijs € 32.900,00 en de inruil € 10.500,00. Dat is een tikfout van mijn zijde geweest. Het had moeten zijn € 15.500,00.
Ten aanzien van de aankoop van de Skoda Enyaq en het contact met [verweerder] daarover is mij niet bekend dat hij ergens ontevreden over was.
(…)
Ik weet niet meer op welke dag de Suzuki Jimny en de Fiat Panda op mijn naam zijn gekomen. (…) De auto’s zijn naar een collega autobedrijf gegaan. Volgens mij waren ze voor de export bestemd. Ik heb de auto’s enigszins moeten repareren en de lakschade weer in orde gemaakt en de stickers verwijderd. (…)”
2.13.
Hetgeen [verweerder] ter zitting en [naam 1] tijdens het getuigenverhoor heeft verklaard dat er in de e-mail van 25 maart 2024 (productie 20 bij verzoekschrift) sprake is geweest van een tikfout, inhoudende dat voor de inruil van de Citroën Cactus er geen bedrag van € 10.500,00 had moeten staan maar een bedrag van € 15.500,00 acht de kantonrechter niet aannemelijk. Zoals ook door VZD wordt opgemerkt is er in de e-mail van 25 maart 2024 sprake van een rekensom, de autoprijs van € 32.900,00 minus de inruil van € 10.500,00 dan is het bij te betalen bedrag € 22.400,00. Uitgaande van de stelling van [naam 1] dat die € 10.500,00 een tikfout is en € 15.500,00 had moeten zijn, dan klopt het bij te betalen bedrag niet en had dit een bedrag van € 17.400,00 moeten zijn. Omdat [naam 1] het slechts heeft gehad over één tikfout wat betreft het inruilbedrag van de Citroën Cactus, is [naam 1] met zijn verklaring niet te volgen en gaat de kantonrechter hieraan voorbij. Daarbij komt dat [naam 1] de Citroën Cactus vanaf 9 april 2024 voor € 11.950,00 en vanaf 11 juli 2024 voor € 10.950,00 te koop heeft aangeboden (productie 60 akte na enquête van VZD), zodat het bedrag van € 10.500,00 door [naam 1] genoemd in zijn e-mail van 25 maart 2024 een marktconforme prijs was. Dat [naam 1] voor de inruil van de Citroën Cactus een bedrag van € 15.500,00 zou geven als inruilprijs en vervolgens deze auto te koop zou zetten voor een bedrag van € 11.950,00 acht de kantonrechter niet aannemelijk.
2.14.
[naam 1] heeft verklaard dat hij de deal met VZD en anderzijds de schoonzoon beschouwde als afzonderlijke transacties en deze transacties niets met elkaar te maken hadden. In de e-mail van 25 maart 2024 wordt door [naam 1] echter gesproken over beide transacties. Tevens heeft [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij een bedrag van € 15.000,00 had om bij te leggen voor de auto van zijn schoonzoon en er daarna nog € 2.000,00 door hem is betaald, zodat het op een bedrag van € 17.000,00 is uitgekomen. Ook is de koopovereenkomst van de Skoda Kodiaq naar [verweerder] gezonden (productie 21 verzoekschrift). Uit het hier voorgaande volgt dat [verweerder] zich wel degelijk heeft bemoeid met de aankoop van de Skoda Kodiaq voor zijn schoonzoon. Bovendien staat vast dat [verweerder] in dezelfde periode namens VZD ook de koop van de Skoda Enyaq en de inruil van de Fiat Panda Suzuki Jimny met [naam 1] heeft geregeld. Voornoemd handelen van [verweerder] brengt de verdenking met zich dat voornoemde transacties niet los van elkaar kunnen worden gezien.
2.15.
Hetgeen [naam 1] heeft verklaard dat hij pas voor het eerst per e-mail van 25 maart 2024 contact heeft gehad met [verweerder] over de koop van de Skoda Kodiaq voor zijn schoonzoon, valt niet te rijmen met hetgeen [naam 1] in zijn e-mail van 25 maart 2024 schrijft. In deze e-mail schrijft [naam 1] “Wat betreft de Kodiaq, daar had ik je al het eea over geappt.” Hieruit volgt dat [verweerder] al in een eerder stadium contact heeft gehad met [naam 1] over de koop van de Skoda Kodiaq voor zijn schoonzoon en ook dat op dit punt de verklaring van [naam 1] niet strookt met hetgeen hij op een eerder moment per e-mail zelf heeft aangegeven.
2.16.
Verder blijkt uit de overgelegde verkoopgeschiedenis van de Skoda Kodiaq dat Centruy deze auto in januari 2024 te koop had staan voor een bedrag van € 34.900,00 (productie 61 akte na enquête). [naam 1] heeft vervolgens deze Skoda Kodiaq drie maanden later per e-mail van 25 maart 2024 te koop aangeboden aan [verweerder] als auto voor zijn schoonzoon voor een bedrag van € 32.900,00 en dit is € 2.000,00 minder dan waarvoor die auto drie maanden daarvoor te koop stond. Ook heeft [naam 1] de Citroën Cactus van de schoonzoon van [verweerder] voor een aanzienlijk lagere prijs aangeboden (€ 12.950,00, productie 60) dan waarvoor hij stelt deze te hebben gekocht van de schoonzoon van [verweerder] (€ 15.500,00). Door zowel [naam 1] als [verweerder] is geen enkele verklaring gegeven waarom [naam 1] flinke bedragen heeft toegelegd op de verkoop van de Skoda Skodiaq en de inruil van de Citroën Cactus en daartegenover het feit dat er voor de inruilers van VZD minder is betaald dan in eerste instantie voorgesteld door [naam 1] .
2.17.
Met betrekking tot de Fiat Panda en Suzuki Jimny heeft [naam 1] verklaard dat hij voor deze auto’s een inruilprijs van € 10.000,00 heeft genoemd zonder deze auto’s te hebben gezien. Dit strookt echter niet met de verklaring van [verweerder] ter zitting dat [naam 1] de waardes van de Fiat Panda en Suzuki Jimny heeft ingeschat toen ze op de parkeerplaats stonden. Ook heeft [naam 1] verklaard dat het hem niet bekend was dat [verweerder] ten aanzien van de aankoop van de Skoda Enyaq voor VZD ergens ontevreden over was, terwijl in het rapport van Berenschot (pagina 10) staat opgenomen dat [naam 1] een lager voorstel heeft gedaan voor de inruil van de Fiat Panda en Suzuki Jimny en directeur [verweerder] met betrekking tot de namens VZD ter verkoop aangeboden auto’s niet erg gelukkig was met de opstelling van [naam 1] . Uit het voorgaande volgt dat voornoemde door [naam 1] tijdens het getuigenverhoor afgelegde verklaringen niet stroken met de zienswijze van [verweerder] zelf, zodat van de juistheid hiervan niet kan worden uitgegaan.
2.18.
Met inachtneming van het voorgaande onder rechtsoverweging 2.11 tot en met 2.17 is de kantonrechter van oordeel dat alles bij elkaar genomen de op een of meerdere punten elkaar tegensprekende verklaringen van [naam 1] in combinatie met de door de kantonrechter geconstateerde inconsistenties in zijn verklaring, er geen twijfel is ontstaan aan het voorshands bewezen feit dat [verweerder] ten koste van VZD een privévoordeel heeft bewerkstelligd van € 5.000,00 door de inruil en koop van auto’s bij autobedrijf [naam 1] . Daarentegen laten de met stukken onderbouwde stellingen van VZD een voldoende consistent beeld zien, namelijk dat VZD minder geld heeft gekregen voor de inruilauto’s de Fiat Panda en Suzuki Jimny dan eerder voorgesteld en [verweerder] een bedrag van € 5.000,00 meer heeft gekregen van [naam 1] voor de inruil van de Citroën Cactus van zijn schoonzoon dan eerder is aangeboden. [verweerder] heeft die overtuiging niet aan het wankelen gebracht en het geschetste beeld niet ontzenuwd. Dat betekent dat [verweerder] het tegenbewijs niet heeft geleverd.
Wanprestatie
2.19.
Zoals de kantonrechter hiervoor heeft geoordeeld is [verweerder] niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs met betrekking tot de bouwkosten van € 11.134,35 en de auto’s. Gelet hierop is komen vast te staan dat [verweerder] VZD heeft laten betalen voor zijn privé-aanbouw ten bedrage van € 11.134,35 en dat [verweerder] ten koste van VZD een privévoordeel van € 5.000,00 heeft bewerkstelligd ter zake de inruil van auto’s bij autobedrijf [naam 1] . Voornoemd handelen van [verweerder] is naar het oordeel van de kantonrechter te duiden als zeer ernstige tekortkomingen aan zijn zijde, waardoor [verweerder] in ernstige mate niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst. Daar komt bij dat [verweerder] naast voornoemde twee gevallen ook nog privévoordeel heeft behaald door het privégebruik van de 70 m² van de door VZD gehuurde opslaglocatie te [plaatsnaam] , de uitgevoerde privé-klussen voor [verweerder] door de medewerkers van Ben Kwijt en de privékosten van Unica die [verweerder] ten laste van VZD heeft laten komen. Ondanks dat [verweerder] een bepaalde mate van vrijheid had die oogluikend werd toegestaan door het bestuur van VZD, had [verweerder] zich er naar het oordeel van de kantonrechter bewust van moeten zijn dat het op deze wijze behalen van privévoordeel ten koste van VZD de grenzen van wat redelijk is ver te buiten gaat.
Naar het oordeel van de kantonrechter brengt het voorgaande met zich dat de tekortkoming van [verweerder] in de nakoming van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst met VZD dermate ernstig is dat deze de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen daarvan rechtvaardigt. Hierbij heeft de kantonrechter in ogenschouw genomen dat [verweerder] een dienstverband bij VZD heeft van bijna dertig jaar, [verweerder] nog maar enkele maanden tot zijn pensioen heeft te werken en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst vergaande negatieve financiële gevolgen voor hem heeft. Deze omstandigheden doen niet dan wel onvoldoende af aan de ernstige tekortkomingen van [verweerder] .
2.20.
Doordat sprake is van ernstige wanprestatie, kan van VZD niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing ligt dan ook niet in de rede (artikel 7:669 lid 1 BW). Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden.
2.21.
Omdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden op de primair verzochte grond van ernstige verwijtbare wanprestatie ex artikel 7:686 BW, behoeft hetgeen subsidiair en meer subsidiair door VZD is verzocht geen bespreking meer.
Arbeidsovereenkomst eindigt per 1 augustus 2026
2.22.
De vraag die vervolgens voorligt, is per welke datum de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden. VZD heeft verzocht de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden en geen rekening te houden met de opzegtermijn. [verweerder] heeft in zijn tegenverzoek verzocht bij de ontbinding rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden.
2.23.
Omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbare wanprestatie van [verweerder] , zal de kantonrechter, overeenkomstig het verzoek van VZD, de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn ontbinden (artikel 7:671b lid 9 sub b BW). Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 augustus 2026.
Transitievergoeding
2.24.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of VZD een transitievergoeding aan [verweerder] is verschuldigd. VZD heeft daartoe aangevoerd dat [verweerder] bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van wanprestatie geen recht heeft op een transitievergoeding, omdat artikel 7:673 BW op een dergelijke situatie niet van toepassing is. En indien zal worden geoordeeld dat van een toerekenbare tekortkoming geen sprake is of dat een dergelijke tekortkoming het recht op een transitievergoeding niet uitsluit, stelt VZD zich op het standpunt dat het aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde handelen eveneens kwalificeert als ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van [verweerder] . Volgens VZD is zij op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW dan geen transitievergoeding aan [verweerder] verschuldigd.
2.25.
[verweerder] heeft daartegenover aangevoerd dat artikel 7:673 BW voorschrijft dat de werkgever in beginsel een transitievergoeding verschuldigd is in geval van ontbinding door de rechter en dit ook geldt bij ontbinding wegens artikel 6:265 BW. Het niet toekennen van de transitievergoeding moet volgens [verweerder] terughoudend worden toegepast en kan alleen in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werknemer niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt.
2.26.
Artikel 7:673 lid 1 onderdeel a onder 2 BW bepaalt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is als de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden, wat evengoed het geval is bij een ontbinding op grond van artikel 7:686 BW als artikel 7:671b BW. De kantonrechter stelt daarom voorop dat de werknemer op grond van artikel 7:673 lid 1 BW in beginsel recht heeft op de transitievergoeding in de daar omschreven gevallen. Echter hiervoor is overwogen dat [verweerder] ernstig tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst en er aan de zijde van [verweerder] sprake is van een ernstige verwijtbare wanprestatie. Gelet hierop, welk handelen ook is aan te merken als verwijtbaar handelen van [verweerder] , is de kantonrechter het met VZD eens dat in deze gegeven omstandigheden [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding (gelet op artikel 7:673 lid 7 sub c BW). Evenmin is door [verweerder] voldoende onderbouwd dat het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is ex artikel 7:673 lid 8 BW. Het verzoek van VZD om te bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op de transitievergoeding of enige andere vergoeding wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zal dan ook worden toegewezen.
Schadevergoeding
2.27.
De kantonrechter stelt voorop dat artikel 7:686 BW bepaalt dat de bepalingen van afdeling 9 van titel 10 van Boek 7 BW de mogelijkheid van partijen om schadevergoeding te vorderen niet uitsluit. Naar de letter van de wet biedt dit de werkgever de mogelijkheid om in geval van ontbinding op grond van art. 7:686 BW vergoeding van schade te vorderen die het gevolg is van de ‘ernstige wanprestatie’ van de werknemer. Omdat reeds is geoordeeld dat [verweerder] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst en aan de zijde van [verweerder] sprake is van ernstige wanprestatie, is hij aansprakelijk voor de door VZD hierdoor geleden en nog te lijden schade. De verklaring voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door VZD geleden en nog te lijden schade zal derhalve worden toegewezen.
2.28.
Op de beoordeling van de vorderingen van VZD tot schadevergoeding zijn de artikelen 6:74 BW e.v. van toepassing. Dat betekent dat sprake moet zijn van een toerekenbare tekortkoming van [verweerder] en dat de door VZD gevorderde schadevergoeding in causaal verband moet staan met de tekortkoming. Ingevolge artikel 6:75 BW is iedere tekortkoming toerekenbaar, tenzij de schuldenaar ( [verweerder] ) aantoont dat de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend. Daarnaast moet volgens artikel 6:74 lid 2 BW ofwel de nakoming blijvend onmogelijk zijn ofwel de partij die wanprestatie pleegt in verzuim zijn. Voor de vorderingen tot schadevergoeding geldt op de voet van artikel 150 Rv dat de stelplicht en bewijslast voor de feiten die daaraan ten grondslag worden gelegd bij VZD liggen.
2.29.
Naast de toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [verweerder] heeft [verweerder] onrechtmatig gehandeld jegens VZD. Voor de omvang van de schadevergoeding neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat VZD zo veel mogelijk in de situatie moet worden gebracht waarin zij zou verkeren als [verweerder] niet onrechtmatig jegens VZD zou hebben gehandeld of niet zou hebben tekortgeschoten.
2.30.
Hieronder zullen de schadevergoedingen die door VZD worden verzocht per post worden beoordeeld met inachtneming van het vorengaande.
Gederfde huurinkomsten privéopslag
2.31.
In het tussenvonnis van 5 december 2025 in rechtsoverweging 5.10 is met betrekking tot het gebruik van 70 m² van de gehuurde opslaglocatie te [plaatsnaam] voor privé-opslag, met verwijzing naar het rapport van Berenschot, reeds het volgende overwogen. Door [verweerder] wordt erkend dat hij de loods voor privé-opslag heeft gebruikt. Daarnaast staat vast dat [verweerder] geen vergoeding heeft betaald voor de opslag van de privégoederen en is onbetwist gebleven dat de vergoeding voor het gebruik van de 70 m² een bedrag van € 2.500,00 per jaar zou moeten zijn. Tevens heeft de kantonrechter in voornoemd tussenvonnis overwogen dat uit de stukken volgt dat deze privé-opslag vier jaren heeft geduurd, er sprake is geweest van privé-opslag van structurele aard waardoor er op oneigenlijke wijze privé een voordeel mee is behaald en daarmee sprake is van een ernstige tekortkoming.
2.32.
Pas bij akte na enquête, op 27 april 2026, heeft [verweerder] zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van privé-opslag van 70 m² in de loods te [plaatsnaam] , maar van slechts 10 m². [verweerder] heeft daartoe aangevoerd dat hij door VZD pas op 19 december 2025 in de gelegenheid is gesteld om zaken uit de loods te [plaatsnaam] te halen en hij zich toen pas een goed beeld heeft kunnen vormen hoeveel goederen van hem daar waren opgeslagen. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [verweerder] als productie 25 twee foto’s overgelegd van de in de loods opgeslagen goederen. VZD heeft vervolgens bij akte na enquête een video-opname overgelegd waaruit volgt dat het deel van de loods waar de privéspullen van [verweerder] stonden aanzienlijk groter was dan de foto’s van [verweerder] doen vermoeden.
2.33.
De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] heeft erkend dat hij de loods te [plaatsnaam] heeft gebruikt om privé-goederen op te slaan. Op de foto’s van de loods, die door VZD als productie 10 bij verzoekschrift in het geding zijn gebracht, is onder andere te zien dat er een aanhanger van [verweerder] in de loods staat. In zijn verweerschrift heeft [verweerder] erkend dat hij zaken van zijn overleden ouders in de loods te [plaatsnaam] heeft gestald en hij ook wel eens een boot en twee aanhangers in de loods heeft neergezet (punt 8.1 en 8.2 verweerschrift). Ook staat in het rapport van Berenschot onder de beoordeling opgenomen dat is geconstateerd dat [verweerder] 70 m² van de loods te [plaatsnaam] als privéopslag heeft gebruikt. De enkele foto’s van slechts een gedeelte van de loods te [plaatsnaam] , die nadien door [verweerder] als productie 25 zijn overgelegd, doen aan voornoemde erkenning van [verweerder] niets af. In het licht van de eerdere erkenning van [verweerder] dat hij ook wel eens een boot en twee aanhangers in de loods heeft gestald, de conclusies uit het rapport van Berenschot alsmede de foto’s en het filmpje van VZD van de privé-opslag door [verweerder] , is de kantonrechter van oordeel dat is komen vast te staan dat [verweerder] 70 m² van de loods heeft gebruikt voor privé-opslag. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter reeds overwogen dat het opslaan van privégoederen in de loods te [plaatsnaam] is aan te merken als een ernstige tekortkoming, welke tekortkoming aan [verweerder] is toe te rekenen. Nakoming hiervan is blijvend onmogelijk. Het in gebruik hebben gehad door [verweerder] van de loods in de periode vanaf 2021 tot en met 2025 kan namelijk niet meer ongedaan worden gemaakt, zodat er aan de zijde van [verweerder] sprake is van verzuim. Eveneens is [verweerder] door voornoemd handelen, hetgeen ook onrechtmatig is, tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit zijn arbeidsovereenkomst, waardoor nakoming onmogelijk is. Doordat [verweerder] VZD niet heeft betaald voor de opslag van zijn privégoederen in de loods, heeft VZD schade geleden. Zoals door Berenschot is geconcludeerd is de vergoeding voor het gebruik van 70 m² een bedrag van € 2.500,00 per jaar, zodat [verweerder] een schadevergoeding van € 10.000,00 (4 x € 2.500,00) aan VZD is verschuldigd ter zake de opslag van privégoederen in de loods te [plaatsnaam] . De door VZD verzochte schadevergoeding van € 10.000,00 zal dan ook worden toegewezen.
Gederfde inruilwaarde voor bedrijfsauto’s;
2.34.
De kantonrechter heeft hiervoor onder rechtsoverweging 2.18 geoordeeld dat door [verweerder] het tegenbewijs niet is geleverd en derhalve is komen vast te staan dat [verweerder] zich ten koste van VZD voor een bedrag van € 5.000,00 heeft bevoordeeld. Dit handelen van [verweerder] is aan te merken als een ernstige toerekenbare tekortkoming. [verweerder] heeft de twee auto’s (Suzuki Jimny en Fiat Panda) van VZD ingeruild bij autobedrijf [naam 1] en autobedrijf [naam 1] heeft deze auto’s doorverkocht, zodat nakoming blijvend onmogelijk is en er aan de zijde van [verweerder] sprake is van verzuim. Door dit handelen van [verweerder] heeft VZD schade geleden, welke schade [verweerder] aan VZD dient te vergoeden. Het verzoek tot betaling van € 5.000,00, ter zake de gederfde inruilwaarde voor de bedrijfsauto’s, zal worden toegewezen.
2.35.
Aan hetgeen [verweerder] heeft aangevoerd dat de vordering ter zake van de inruilwaarde voor de bedrijfsauto’s de strenge toets van artikel 7:661 BW niet kan doorstaan, gaat de kantonrechter voorbij. In artikel 7:661 BW is bepaald dat de werknemer die bij de uitvoering van zijn werk schade toebrengt aan de werkgever, slechts gehouden is tot schadevergoeding indien die schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. Dit is hier aan de orde naar het oordeel van de kantonrechter. De hiervoor omschreven actieve rol van [verweerder] leidt tot de conclusie dat een en ander opzettelijk heeft plaatsgehad. [verweerder] is dan ook schadeplichtig .
Privé-verbouwing
2.36.
De kantonrechter heeft hiervoor onder rechtsoverweging 2.10 geoordeeld dat door [verweerder] het tegenbewijs niet is geleverd en derhalve is komen vast te staan dat [verweerder] VZD heeft laten betalen voor zijn privé-aanbouw ten bedrage van € 11.134,35. Dit handelen van [verweerder] is aan te merken als een ernstige toerekenbare tekortkoming en hij is hierdoor ernstig tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen die voortvloeien uit zijn arbeidsovereenkomst, waardoor nakoming van die verplichtingen inmiddels onmogelijk is en sprake is van verzuim. Door dit handelen van [verweerder] , hetgeen ook onrechtmatig is, heeft VZD schade geleden, welke schade [verweerder] aan VZD dient te vergoeden. Het verzoek tot betaling van de schadevergoeding van € 11.134,35, ter zake de kosten van de privé-verbouwing, zal worden toegewezen.
Facturen installatiebedrijf Unica
2.37.
In het tussenvonnis van 5 december 2025 heeft de kantonrechter ten aanzien van de factuur van Unica van 30 november 2021 ten bedrage van € 321,00 exclusief btw (€ 388,41 inclusief btw) overwogen dat [verweerder] heeft erkend dat deze factuur betrekking heeft op werkzaamheden ten behoeve van hem in privé en deze factuur onrechte door VZD is voldaan. Omdat [verweerder] heeft erkend dat deze factuur ziet op werkzaamheden voor hem in privé en niet VZD maar hij de factuur had moeten betalen, wijst de kantonrechter het verzochte schadebedrag van € 388,41 inclusief btw toe.
2.38.
Wat betreft de facturen ten bedrage van € 1.993,00 te vermeerderen met btw en ten bedrage van € 1.231,14 te vermeerderen met btw heeft de kantonrechter in het tussenvonnis van 5 december 2025 reeds overwogen dat deze facturen betrekking hebben op kantoorvoorzieningen bij [verweerder] thuis die hij nodig had voor het werk. In het Berenschot rapport staat ten aanzien van deze facturen ook opgenomen dat het bestuur geen afspraken met [verweerder] heeft gemaakt over het declareren van kosten voor thuiswerken, zodat [verweerder] formeel niet in strijd met de wet- en regelgeving of interne afspraken heeft gehandeld. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat ten aanzien van de hiervoor genoemde twee facturen niet kan worden gezegd dat [verweerder] toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van VZD. Hetgeen VZD nog heeft aangevoerd dat de factuur ten bedrage van € 1.231,14 betrekking zou hebben op de badkamer in de privéwoning van [verweerder] en niet op kantoorvoorzieningen, gaat de kantonrechter voorbij. In de e-mail van Unica van 1 mei 2024 met daarbij de prijsopgave wordt verwezen naar werkzaamheden ten behoeve van de container en zo werd het thuiskantoor van [verweerder] genoemd. De verzoeken tot vergoeding van de facturen ten bedrage van € 1.993.00 en € 1.231.14 zullen worden afgewezen.
Onderzoekskosten door Berenschot
2.39.
VZD heeft zich op het standpunt gesteld dat het uitvoeren van het onderzoek door Berenschot noodzakelijk was om de onrechtmatigheid van het handelen en nalaten van [verweerder] vast te stellen als ook de omvang van de geleden schade in kaart te brengen. De kosten van het onderzoek van Berenschot van € 43.500,00 te vermeerderen met btw, betreffen volgens VZD redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid, die op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen, aldus VZD.
2.40.
[verweerder] heeft daartegenover aangevoerd dat door VZD onvoldoende is gesteld dat wat betreft de kosten van het onderzoeksrapport van Berenschot is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW. Daarbij komt volgens [verweerder] dat de meeste meldingen die door Berenschot zijn onderzocht niet terecht zijn gebleken of althans niet zijn komen vast te staan. De tijd die Berenschot heeft besteed aan de meldingen die niet terecht zijn gebleken en de kosten die daarmee gemoeid zijn kunnen niet voor rekening van [verweerder] komen, aldus [verweerder] . Tevens voert [verweerder] aan dat de gestelde schade niet in zodanig verband staat dat deze aan [verweerder] kan worden toegerekend. Tot slot stelt [verweerder] zich op het standpunt dat Berenschot haar onderzoek niet zorgvuldig heeft uitgevoerd en de gevorderde onderzoekskosten van € 52.635,00 inclusief btw disproportioneel zijn.
2.41.
Vaststaat dat VZD Berenschot heeft ingeschakeld om de onrechtmatigheid van het handelen en nalaten van [verweerder] in zijn functie van directeur bij VZD te onderzoeken. Uitgangspunt is dat op de voet van artikel 6:96 lid 2 sub b BW deze kosten, waaronder onderzoekskosten, als vermogensschade voor rekening van de aansprakelijke partij kunnen worden gebracht, mits voldaan is aan de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets. Die toets houdt in dat de werkzaamheden slechts voor vergoeding in aanmerking komen indien het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs noodzakelijk was deze te verrichten én de ter zake gevorderde kosten naar hun aard en omvang redelijk zijn.
2.42.
Allereerst merkt de kantonrechter op dat wat betreft de zorgvuldigheid van het onderzoek door Berenschot de kantonrechter in de beschikking van 5 december 2025 in rechtsoverweging 5.6 heeft vermeld dat de kantonrechter geen aanleiding ziet om niet van de getrouwheid van het rapport uit te gaan. De kantonrechter gaat derhalve aan het verweer van [verweerder] voorbij dat het rapport onzorgvuldig is en daar niet vanuit kan worden gegaan
2.43.
De kantonrechter is van oordeel dat naar aanleiding van de meldingen van de twee werknemers van VZD en gelet op de aard van de tegen [verweerder] gerezen verdenkingen, namelijk het niet integer handelen en mogelijke belangenverstrengeling, VZD in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een onderzoek door Berenschot te laten instellen. Dat op een aantal punten de aantijgingen jegens [verweerder] niet zo ernstig zijn gebleken en niet zijn komen vast te staan, doet niets af aan het feit dat er wel degelijk meldingen zijn komen vast te staan die als ernstig zijn te kwalificeren. Op voorhand is niet duidelijk wat de uitkomst van een onderzoek brengt. Echter uit het rapport van Berenschot is naar voren gekomen dat, gelet op de meldingen die zijn komen vast te staan en als ernstig zijn te kwalificeren, het onderzoek wel noodzakelijk is gebleken. De kosten voor het onderzoek en rapport zijn door het overleggen van de offerte (productie 7 bij verzoekschrift) voldoende onderbouwd. Niet gesteld noch gebleken is dat het aantal uren dat Berenschot heeft besteed aan het onderzoek en het maken van het rapport onredelijk zijn. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het onderzoek van Berenschot noodzakelijk was en de gevorderde kosten redelijk zijn, zodat voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets. Het verzoek dat [verweerder] de onderzoekskosten van Berenschot ten bedrage van € 43.500,00 te vermeerderen met btw dient te betalen zal dan ook worden toegewezen.
Kosten van juridisch advies
2.44.
De kantonrechter stelt vast dat VZD om betaling van de kosten van juridisch advies, betreffende de periode maart 2025 tot en met juli 2025 ten bedrage van € 36.068,09 (exclusief btw), heeft verzocht. Kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (art. 6:96 lid 2 onder b BW) komen als vermogensschade voor volledige vergoeding in aanmerking, mits in redelijkheid gemaakt en redelijk naar omvang. Met betrekking tot de samenloop van de vermogensschade van art. 6:96 lid 2 BW en de proceskostenveroordeling van art. 237 e.v. Rv bepaalt art. 241 Rv, eerste volzin, dat jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van art. 6:96 lid 2 BW kan worden toegekend ter zake van verrichtingen waarvoor de in de art. 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak. De kantonrechter is van oordeel dat de juridische kosten die op de facturen staan genoemd, zoals bestudering van literatuur en het lezen van ingekomen stukken, zijn aan te merken als kosten ter instructie van de zaak. De werkzaamheden die de advocaat heeft verricht betreffen werkzaamheden die zijn uitgevoerd om een beeld te vormen van de zaak tegen [verweerder] en zijn allemaal verricht in de periode voordat het verzoekschrift door VZD is ingediend. Met inachtneming van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de door VZD gevorderde advocaatkosten onder de noemer van artikel 6:96 lid 2 onder b BW niet kunnen worden toegewezen, omdat hierop de regels betreffende de proceskosten exclusief van toepassing is.
2.45.
In feite doet VZD met het verzoek tot betaling van de kosten van juridische bijstand ten bedrage van € 36.068,09 exclusief btw, het verzoek aan de kantonrechter om [verweerder] te veroordelen in de werkelijke proceskosten die zij zou hebben gemaakt. Op grond van artikel 289 Rv kan de rechter in een verzoekschriftprocedure een veroordeling in de proceskosten uitspreken. Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte kosten kan alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als grond voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter, dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hetgeen VZD in deze procedure heeft aangevoerd is echter onvoldoende om misbruik van procesrecht van [verweerder] te kunnen vaststellen. VZD is namelijk zelf deze procedure gestart tegen [verweerder] en heeft daardoor kosten voor juridische bijstand moeten maken. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat in dit geval niet kan worden geoordeeld dat een vergoeding van werkelijke proceskosten van VZD gerechtvaardigd is. De werkelijk verzochte kostenveroordeling zal door de kantonrechter worden afgewezen en de kantonrechter zal bij de veroordeling van [verweerder] in de kosten aansluiten bij de geldende liquidatietarieven.
Inzet van een waarnemend directeur
2.46.
VZD stelt dat zij na de op non-actiefstelling van [verweerder] een waarnemend directeur heeft moeten inhuren om de continuïteit van VZD te waarborgen met alle kosten van dien, terwijl VZD ook het loon van [verweerder] heeft doorbetaald. Het inhuren van een waarnemend directeur was noodzakelijk gelet op de ernst van de vermoedens jegens [verweerder] die door Berenschot uitvoerig zijn onderzocht, gelet op het onderzoeksbelang en vervolgens gelet op de onmogelijkheid om [verweerder] te laten terugkeren naar zijn werk, aldus VZD. VZD zou de hoge kosten voor de inzet van een waarnemend directeur volgens haar niet hebben hoeven maken als [verweerder] niet onrechtmatig zou hebben gehandeld. De kosten die VZD in deze procedure heeft verzocht voor de inzet van een waarnemend directeur betreft een bedrag van € 160.000,00 inclusief btw gerekend vanaf 25 maart 2025 tot en met oktober 2025.
2.47.
[verweerder] voert daartegenover aan dat de gevolgen van een op non-actiefstelling in redelijkheid voor rekening van VZD als werkgever dienen te komen, ook indien [verweerder] aanleiding heeft gegeven tot die maatregel. Dit brengt volgens [verweerder] met zich mee dat de gevolgen die de non-actiefstelling met zich meebrengen, de kosten voor vervangend personeel, ook voor rekening van de werkgever moeten blijven. Verder voert [verweerder] aan dat het de keuze is geweest van VZD om tot 29 augustus 2025 te wachten met het indienen van het verzoekschrift tot ontbinding. Dat VZD zo lang heeft gewacht en daardoor de kosten van de door VZD ingeschakelde waarnemend directeur zijn opgelopen kan in redelijkheid niet ten laste van [verweerder] komen als sprake zou zijn van aansprakelijkheid, aldus [verweerder] . Tevens voert [verweerder] aan dat de gestelde schade niet in zodanig verband staat met de volgens VZD gestelde gebeurtenissen en kunnen die kosten niet aan [verweerder] worden toegerekend. Volgens [verweerder] is de inzet van een waarnemend directeur het gevolg van een onterechte op non-actiefstelling, zodat de kosten van een waarnemend directeur voor rekening van VZD dienen te blijven. Wat betreft de hoogte van de kosten die door VZD voor de waarnemend directeur worden verzocht stelt [verweerder] zich op het standpunt dat de waarnemend directeur in [woonplaats 2] woont en een bedrag van € 26.667,00 per maand verdient, welk bedrag meer dan drie keer het maandsalaris van [verweerder] betreft. Volgens [verweerder] kunnen de loonkosten voor een waarnemend directeur niet hoger uitvallen dan het salaris dat [verweerder] ontvangt. Om de waarnemend directeur meer te betalen dan de hoogte van het loon van [verweerder] is een keuze van VZD geweest, aldus [verweerder] .
2.48.
De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] de kosten van zijn vervanging moet betalen voor de door VZD verzochte periode van 25 maart 2025 tot en met oktober 2025. VZD had op 19 maart 2025, gelet op de meldingen van de twee werknemers van VZD en gelet op de aard van de tegen [verweerder] gerezen verdenkingen, voldoende reden om hem op non-actief te stellen en nader onderzoek te laten doen door Berenschot naar zijn handelen. Hiervoor is reeds overwogen dat [verweerder] ernstig toerekenbaar tekort is geschoten in de uitoefening van zijn arbeidsovereenkomst en dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van ernstige wanprestatie zal worden toegewezen. Omdat [verweerder] , vanwege het ernstig verwijtbaar tekortschieten, terecht op non-actief is gesteld dient hij de schade die VZD hierdoor heeft geleden te vergoeden. Dat hij niet heeft gewerkt vanaf 19 maart 2025 komt dan ook voor zijn rekening en VZD heeft terecht een waarnemend directeur aangenomen om de continuïteit van de stichting tijdens de afwezigheid van directeur [verweerder] op te vangen. Wat betreft de hoogte van het salaris dat VZD heeft verzocht is de kantonrechter van oordeel dat dit een buitenproportioneel hoog bedrag is. Uit het verzoekschrift volgt dat het salaris van [verweerder] voor 36 uur per week € 8.244,98 bruto per maand bedraagt, exclusief € 816,87 bruto bijdrage pensioenvoorziening en overige emolumenten, welk bedrag de kantonrechter als een behoorlijk inkomen beschouwd. De kantonrechter is van oordeel dat VZD voor voornoemd bedrag per maand een vervanger had moeten kunnen vinden. De kantonrechter zal de kosten voor de inzet van een waarnemend directeur daarom slechts toewijzen tot aan de hoogte van het salaris van [verweerder] per maand en het overige zal worden afgewezen. VZD heeft verzocht het salaris van de waarnemend directeur toe te wijzen over de periode 25 maart 2025 tot en met oktober 2025, zodat de kantonrechter van deze periode uit zal gaan. [verweerder] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van de maandelijkse kosten van € 8.244,98 bruto, exclusief € 816,87 bruto bijdrage pensioenvoorziening en overige emolumenten voor de periode 25 maart 2025 tot en met oktober 2025 voor de inzet van de waarnemend directeur.
Kosten externe woordvoerder
2.49.
VZD vordert van [verweerder] de kosten van de ten behoeve van de publiciteit rond deze kwestie aangetrokken externe woordvoerder van € 13.310,00 exclusief btw voor de periode 27 april 2025 tot en met 14 juli 2025. VZD voert daartoe aan dat zij deze hoge kosten niet zou hebben hoeven maken als [verweerder] niet onrechtmatig zou hebben gehandeld. De inzet van een woordvoerder was noodzakelijk omdat VZD zich in het publieke domein begeeft en er vrijwel onmiddellijk media-aandacht kwam, aldus VZD.
2.50.
[verweerder] heeft hiertegenover aangevoerd dat het gevorderde bedrag voor een externe woordvoerder onevenredig hoog en buitenproportioneel is. Daarnaast stelt [verweerder] zich op het standpunt dat het niet [verweerder] is geweest die de pers heeft ingeschakeld, zodat de schade niet in zodanig verband met de gebeurtenis staat dat die schade aan [verweerder] kan worden toegerekend. Tevens voert [verweerder] aan dat productie 44 aan de zijde van VZD geen factuur betreft van de kosten van de externe woordvoerder, de data van de gestelde kosten niet overeenkomen met de data van de perspublicaties en de naam van [verweerder] alleen bij de datum van 14 juli 2025 staat genoemd. Tot slot voert [verweerder] aan dat VZD een professioneel bestuur heeft, zodat een externe woordvoerder niet nodig zou moeten zijn. Het is de eigen keuze van VZD geweest om een dure woordvoerder in te schakelen, aldus [verweerder] .
2.51.
De kantonrechter is het met [verweerder] eens dat VZD een professioneel bestuur heeft en niet valt in te zien dat er een externe woordvoerder nodig is (geweest). Het bestuur van VZD bestaat thans uit de burgemeesters van de gemeenten Borger-Odoorn en Coevorden en een (voormalig) wethouder van de gemeente Emmen. Van voornoemde personen mag verwacht worden dat zij tegenover de pers zich voldoende duidelijk kunnen uiten. Zeker omdat dit in hun (voormalige) functie ook van hen wordt gevergd. Ook zijn de gestelde kosten onvoldoende onderbouwd. Uit de pagina die door VZD als productie 44 is overgelegd blijkt niet dat er daadwerkelijk een externe woordvoerder door VZD is ingeschakeld en de daarop staande kosten daadwerkelijk door VZD zijn betaald. Het verzoek tot vergoeding van de gestelde schade bestaande uit de kosten van een externe woordvoerder zullen dan ook worden afgewezen.
Overige geleden en nog te lijden schade en verwijzing naar schadestaatprocedure
2.52.
VZD verzoekt om een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Artikel 612 Rv bepaalt dat de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, de schade in het vonnis begroot, voor zover hem dit mogelijk is. Indien begroting in het vonnis niet mogelijk is, spreekt hij een veroordeling uit tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Voldoende voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat de eiser de mogelijkheid van schade aannemelijk maakt.. VZD heeft in dit kader onder meer aangevoerd dat zij meer en andere schade lijden, waarvoor [verweerder] aansprakelijk is en de omvang daarvan nog niet exact is vast te stellen. Voorts heeft VZD kosten moeten maken voor de inzet van een waarnemend directeur na oktober 2025. Naar het oordeel van de kantonrechter is het op basis van deze omstandigheden voldoende aannemelijk dat VZD door de tekortkomingen van [verweerder] meer schade heeft geleden dan waar reeds in deze beschikking over is geoordeeld. De kantonrechter zal derhalve de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure voor de overige geleden en nog te lijden schade.
Wettelijke rente over schadevergoeding
2.53.
De wettelijke rente over de schadevergoeding is verschuldigd vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot de dag van volledige betaling. Dit verschilt per schadepost. Door VZD is geen nadere onderbouwing per schadepost gegeven wanneer de wettelijke rente begint te lopen. De datum van binnenkomst van het verzoekschrift komt, bij gebreke van gemotiveerde stellingen van partijen op dit punt, het meest in aanmerking. De wettelijke rente over de verschillende schadevergoedingen zal daarom worden toegewezen met ingang van 29 augustus 2025.
Afwijzing tegenverzoeken
2.54.
Hiervoor is reeds geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden op grond van ernstige wanprestatie ex artikel 7:686 BW, zodat het tegenverzoek van [verweerder] , om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, zal worden afgewezen.
2.55.
Tevens is hiervoor geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen, vanwege de ernstig verwijtbare wanprestatie aan de zijde van [verweerder] , op de kortst mogelijke termijn zal worden ontbonden (artikel 7:671b lid 9 sub b BW). Gelet hierop zal het tegenverzoek van [verweerder] om bij de ontbinding rekening te houden met een opzegtermijn van vier maanden dan ook worden afgewezen.
2.56.
De kantonrechter heeft hiervoor reeds geoordeeld dat [verweerder] vanwege de ernstig verwijtbare wanprestatie aan zijn zijde geen recht heeft op toekenning van de transitievergoeding, zodat het tegenverzoek tot betaling van de transitievergoeding zal worden afgewezen. Omdat het tegenverzoek tot betaling van de transitievergoeding zal worden afgewezen, worden ook de daaraan gekoppelde verzoeken tot overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie alsmede de over de transitievergoeding verzochte rente afgewezen.
2.57.
[verweerder] heeft om een billijke vergoeding verzocht op grond van artikel 7:671 b lid 9 onder c BW. Volgens [verweerder] is hij ten onrechte op non-actief gesteld en heeft VZD verwijtbaar jegens hem gehandeld. Hiervoor is reeds overwogen dat er aan de zijde van [verweerder] sprake is van toerekenbaar tekortschieten uit hoofde van de arbeidsovereenkomst. Niet valt in te zien dat VZD enig verwijt tref, laat staan een ernstig verwijt. Het tegenverzoek van [verweerder] tot toekenning van een billijke vergoeding aan hem zal dan ook worden afgewezen. Eveneens zullen de daaraan gekoppelde verzoeken tot overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie en de over de billijke vergoeding verzochte rente worden afgewezen.
Proceskosten en nakosten inzake de verzoeken en het tegenverzoek
2.58.
De proceskosten inzake het verzoek en het tegenverzoek komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. Zoals hiervoor reeds overwogen zal de kantonrechter de werkelijk verzochte kostenveroordeling afwijzen en aansluiten bij de geldende liquidatietarieven. De proceskosten aan de zijde van VZD worden begroot op € 1.433,00 (€ 135,00 griffierecht, € 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
2.59.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.60.
Hoewel [verweerder] inzake het tegenverzoek in het ongelijk is gesteld, ziet de kantonrechter geen aanleiding om hem te veroordelen in de proceskosten met betrekking tot het tegenverzoek. Het ingestelde tegenverzoek is ingesteld als reactie op de door VZD verzochte ontbinding en er is niet gebleken dat met het debat inzake het tegenverzoek extra kosten zijn gemaakt.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.61.
In deze procedure wordt de door VZD verzochte verklaring voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door VZD geleden schade toegewezen. De kantonrechter merkt op dat een verklaring voor recht naar haar aard niet vatbaar is voor tenuitvoerlegging en de door VZD verzochte en toegewezen verklaring voor recht daarom niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Evenmin is voor tenuitvoerlegging vatbaar de veroordeling waarin wordt bepaalt dat [verweerder] geen recht heeft op de transitievergoeding of enige andere vergoeding wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Gelet hierop kan ook deze veroordeling waarbij de kantonrechter bepaalt dat [verweerder] geen recht heeft op de transitievergoeding of enige andere vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst daarom niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
2.62.
De overige verzoeken zullen als verzocht door VZD en niet bestreden, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
3De beslissing
De kantonrechter
In de zaak van de verzoeken
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2026 op grond van artikel 7:686 BW;
3.2.
bepaalt dat [verweerder] geen recht heeft op de transitievergoeding of enige andere vergoeding wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst;
3.3.
verklaart voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door VZD geleden en nog te lijden schade;
3.4.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de volgende bedragen, ter vergoeding van de door VZD geleden schade:
(a) € 10.000,00 ter zake gederfde huurinkomsten voor privéopslag;
(b) € 5.000,00 ter zake gederfde inruilwaarde voor bedrijfsauto’s;
(c) € 11.134,35 ter zake een privé-verbouwing;
(d) € 388,41 inclusief btw betreffende de factuur van Unica van 30 november 2021;
(e) € 43.500,00 te vermeerderen met btw ter zake de onderzoekskosten door Berenschot;
(f) voor de periode 25 maart 2025 tot en met oktober 2025 het salaris voor de inzet van een waarnemend directeur, welk salaris maandelijks € 8.244,98 bruto, exclusief € 816,87 bruto bijdrage pensioenvoorziening en overige emolumenten bedraagt;
(g) de overige geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat;
3.5.
De hiervoor onder 3.4. onder a tot en met f genoemde schadevergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 29 augustus 2025;
3.6.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.433,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
3.7.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten en nakosten, zoals hiervoor genoemd onder 3.6., als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.8.
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 3.1, 3.4, 3.5, 3.6 en 3.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.9.
wijst het meer of anders verzochte af;
In de zaak van de tegenverzoeken
3.10.
wijst de tegenverzoeken van [verweerder] af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J.R. de Locht en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.typ/conc: 33514/awi
Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1934
HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246.
Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1815.