Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3177
2026-08-04
Strafrecht; Materieel strafrecht
18.044463.26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Veroordeling seksueel misbruik van stiefdochters door stiefvader. Veroordeling voor seksueel binnendringen (<12 jaar) en seksueel corrumperen onder de nieuwe zedenwetgeving. Vrijspraak seksueel binnendringen en seksueel corrumperen onder oude zedenwetgeving. Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 voorwaardelijk, proeftijd 3 jaren + bijzondere voorwaarden. Gedeeltelijke toewijzing vordering BP.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2017:1216 Hoge Raad 04-07-2017
- ECLI:NL:HR:2010:BK6910 Hoge Raad 18-05-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (65.679 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.044463.26
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 04 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 juli 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.O. Roosjen, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Broekstra.
1Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2024 te [plaatsnaam] , in elk geval Nederland met (zijn stiefdochters) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 en/of [slachtoffer
2] , geboren op [geboortedatum] 2017 die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , te weten
het brengen en/of bewegen en/of houden van zijn, verdachtes, vingers in de vagina, in elk geval tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
het betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
het brengen en/of houden en/of bewegen van de handen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] naar zijn, verdachtes, penis;
2. hij in of omstreeks in de periode van 1 juli 2024 tot en met 17 januari 2026 te [plaatsnaam] , in elk geval in Nederland met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten (zijn stiefdochters) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 en/of [slachtoffer 2]
, geboren op [geboortedatum] 2017 een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het brengen en/of bewegen en/of houden van zijn, verdachtes, vingers in de vagina, in elk geval tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
het betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
het brengen en/of houden en/of bewegen van de handen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] naar zijn, verdachtes, penis;
3. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2024 te [plaatsnaam] , in elk geval in Nederland een kind beneden de leeftijd van zestien jaren , te weten (zijn stiefdochters) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 en/of [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 getuige heeft doen zijn van een handeling en/of een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door
4. in het zicht en/of bijzijn van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te masturberen en/of
5. het zuigen aan de tepel van zijn vrouw in het bijzijn van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
6. in het bijzin van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] porno te kijken en/of
7. een of meer dildo's te tonen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
8. met een ontbloot onderlichaam door de woning te bewegen;
4. hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 17 januari 2026 te [plaatsnaam] , in elk geval in Nederland een kind beneden de leeftijd van zestien jaren , te weten (zijn stiefdochters) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 en/of [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 getuige heeft doen zijn van een handeling en/of een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door
5. in het zicht en/of bijzijn van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te masturberen en/of
6. het zuigen aan de tepel van zijn vrouw in het bijzijn van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
7. in het bijzin van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] porno te kijken en/of
8. een of meer dildo's te tonen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
9. met een ontbloot onderlichaam door de woning te bewegen.
2Beoordeling van het bewijs
2.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1, 2 en 4. Zij acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen. De verklaringen van de aangeefsters, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , zijn volgens de officier van justitie voldoende betrouwbaar en vinden onder meer steun in de verklaring van hun halfbroer, de WhatsApp- en Snapchatberichten en de bevindingen van de politie bij het aanzeggen van het onderzoek in de woning van verdachte.
Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie ontslag van alle rechtsvervolging gevorderd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het bestanddeel met ontuchtig oogmerk niet in de tenlastelegging is opgenomen, waardoor het ten laste gelegde feit niet kan worden gekwalificeerd als een strafbaar feit.
2.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1, 2 en 4. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de feiten consequent heeft ontkend en dat vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters. Ten aanzien van feiten 1 en 2 kan volgens de raadsman uit de verklaringen van de aangeefsters en hun halfbroer onvoldoende worden afgeleid dat sprake is geweest van seksueel binnendringen. Ten aanzien van feit 4 heeft verdachte ontkend dat de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover de rechtbank van oordeel is dat (een deel van) die handelingen wel heeft plaatsgevonden, niet kan worden vastgesteld dat verdachte deze opzettelijk heeft verricht.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het vereiste bestanddeel met ontuchtig oogmerk niet in de tenlastelegging is opgenomen.
2.3
Oordeel van de rechtbank
2.3.1
Vrijspraak
Aan verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2024 schuldig heeft gemaakt aan onder meer seksueel binnendringen van de aangeefsters. Onder feit 3 is hem ten laste gelegd dat hij zich in diezelfde periode schuldig heeft gemaakt aan het seksueel corrumperen van de aangeefsters.
De rechtbank stelt vast dat de stukken in het procesdossier onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de in de tenlastelegging omschreven handelingen hebben plaatsgevonden in de periode vóór 1 juli 2024. De rechtbank kan daarom niet tot een bewezenverklaring komen van de feiten 1 en 3. Verdachte zal wegens het ontbreken van wettig bewijs van deze feiten worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 3 merkt de rechtbank nog het volgende op. De officier van justitie en de raadsman hebben terecht aangevoerd dat het bestanddeel met ontuchtig oogmerk niet in de tenlastelegging is opgenomen. De rechtbank komt tot dezelfde conclusie. In aanvulling daarop stelt de rechtbank vast dat de tenlastelegging van feit 3 niet aansluit bij de wettelijke omschrijving van het strafbare feit zoals dat gold vóór 1 juli 2024. In de tenlastelegging zijn de delictsomschrijving en de daarin omschreven feitelijke gedraging ontleend aan de nieuwe zedenwetgeving, terwijl het feit voor wat betreft de periode is ten laste gelegd onder de oude wettelijke bepaling. De rechtbank komt echter niet toe aan de vraag welke gevolgen dit heeft voor de strafbaarheid van het ten laste gelegde feit, nu eerst moet worden beoordeeld of het feit bewezen kan worden. Nu dat niet het geval is, wordt verdachte van feit 3 vrijgesproken.
Zoals hiervoor is vastgesteld door de rechtbank is de tenlastelegging voor feit 3 opgesteld op basis van wetgeving die pas gold vanaf 1 juli 2024. De rechtbank merkt daarover, ten overvloede
op, dat van het openbaar ministerie mag worden verwacht dat een tenlastelegging nauwkeurig en in overeenstemming met de toepasselijke strafbepalingen wordt opgesteld. De nieuwe wetgeving gaat uit van een ruimere strafbaarstelling van seksueel corrumperen en kent een hoger strafmaximum dan bijvoorbeeld artikel 240a (oud) Wetboek van Strafrecht (Sr) waar een deel van de ten laste gelegde feitelijke handelingen op lijken te zien. Het openbaar ministerie had de tenlastelegging kunnen corrigeren maar heeft dat nagelaten en door te zo handelen is zij onachtzaam met het de haar toekomende bevoegdheden omgegaan. De rechtbank acht dit onzorgvuldig en nalatig, maar zal hier geen consequenties aan verbinden.
2.3.2
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht feiten 2 en 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten. De bewijsmiddelen zijn in bijlage I aan dit vonnis gehecht.
2.3.3
Bewijsoverwegingen
Juridisch kader in zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat de zedenzaken bewijstechnisch vaak complex zijn. De verweten gedragingen vinden veelal plaats buiten aanwezigheid van derden, waardoor het niet altijd eenvoudig is om vast te stellen wat zich precies heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van één getuige. Dat betekent dat er aanvullend bewijs nodig is dat afkomstig is uit een andere bron dan het vermeende slachtoffer. Dit wordt steunbewijs genoemd. Steunbewijs hoeft, zo volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, bij zedenzaken niet per definitie te zien op de ontuchtige handelingen zelf. Het is voldoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer. Het benodigde steunbewijs moet tevens zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan verdachte verweten gedragingen.
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te gebruiken. Daarbij betrekt de rechtbank onder meer de consistentie en authenticiteit van die verklaringen.
Op basis van het bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 16 januari 2026 waren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met een vriendinnetje pannenkoeken aan het bakken bij hun vader thuis. Toen zij van het beslag de vorm van een “piemel” maakten, ontstond een gesprek over seksualiteit. Tijdens dit gesprek vertelde [slachtoffer 2] spontaan dat verdachte thuis op de bank elke dag aan zijn piemel trok en dat daar wit spul uit kwam. [slachtoffer 1] vertelde vervolgens dat verdachte met zijn handen in de onderbroek van haar en [slachtoffer 2] zat en hen bij hun vagina aanraakte. De vader heeft naar aanleiding van dit voorval aangifte gedaan en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn hierna afzonderlijk van elkaar door de politie in een studioverhoor gehoord.
Zij hebben bij de politie, onafhankelijk van elkaar, beiden verklaard over de seksuele handelingen die verdachte bij en met hen zou hebben verricht en over de omstandigheden waaronder deze zouden hebben plaatsgevonden. Hun verklaringen komen op belangrijke onderdelen met elkaar overeen en sluiten aan bij wat zij eerder spontaan aan hun vader hebben verteld. Daarbij zijn zij in hun verklaringen over de kern van de verweten gedragingen consistent gebleven. Dat hun verklaringen op detailniveau op enkele punten verschillen, doet naar het
oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid daarvan. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voldoende betrouwbaar om als uitgangspunt voor het bewijs te dienen.
De raadsman heeft erop gewezen dat [slachtoffer 1] eerder ten onrechte heeft verteld dat zij een naakte man in een speeltuin had gezien en later heeft toegegeven dat zij dit had verzonnen. De rechtbank ziet hierin onvoldoende aanleiding om haar verklaringen in deze zaak onbetrouwbaar te achten. Dit eerdere voorval staat op zichzelf en maakt niet dat haar verklaringen in deze zaak reeds daarom onbetrouwbaar zijn.
Steunbewijs
Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de vraag of de verklaringen voldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal in het dossier. De rechtbank stelt daarbij voorop dat volgens vaste jurisprudentie verklaringen van verschillende slachtoffers in zedenzaken onder omstandigheden over en weer als steunbewijs kunnen worden gebruikt.1 Daarbij is onder meer van belang of die verklaringen op relevante onderdelen overeenkomen wat betreft de aard van de seksuele handelingen en de wijze en omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] daarnaast voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Zij overweegt daartoe als volgt.
De verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ondersteunen elkaar over en weer. Het gaat om twee afzonderlijk afgelegde verklaringen over soortgelijke seksuele handelingen door dezelfde verdachte. De verklaringen vertonen bovendien relevante overeenkomsten wat betreft de aard van de handelingen, de plek waar deze plaatsvonden en de omstandigheden waaronder dit gebeurde. Zo verklaren beide aangeefsters over het door verdachte aanraken van hun vagina, op de bank beneden en op momenten dat hun moeder niet in huis, maar in de [salon] was. Ze verklaren daarnaast beiden dat verdachte vaak naakt onder een dekentje op de bank zat en dat hij dan aan zijn piemel trok. Gelet op deze overeenkomsten en de samenhang tussen beide verklaringen is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op deze onderdelen over en weer als steunbewijs kunnen dienen.
De verklaringen van aangeefsters vinden daarnaast steun in de verklaring van hun halfbroer [getuige] . Hij heeft verklaard dat hij via de aanbouw de woning binnenkwam en [slachtoffer 2] met ontbloot onderlichaam op de bank zag. Volgens [getuige] stond verdachte achter [slachtoffer 2] en zag hij dat verdachte zijn hand in en bij haar vagina had. Kort daarna heeft [getuige] naar aanleiding hiervan contact opgenomen met de Kindertelefoon en [slachtoffer 1] via Snapchat gevraagd of dit vaker gebeurde. Diezelfde avond heeft hij zijn moeder, onder meer via Whatsappberichten gedateerd op 27 mei 2025, verteld wat hij had gezien. Dat [getuige] later is gaan twijfelen aan wat hij had gezien, schrijft de rechtbank toe aan de reactie van zijn moeder op zijn melding. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van zijn oorspronkelijke verklaring.
Ook het berichtenverkeer tussen [getuige] en [slachtoffer 1] via Snapchat op 27 mei 2025 biedt naar het oordeel van de rechtbank steun aan de verklaringen van aangeefsters. Kort na de hiervoor beschreven waarneming heeft [getuige] via Snapchat aan [slachtoffer 1] gevraagd wat verdachte bij hen deed. [slachtoffer 1] antwoordde dat verdachte met zijn hand bij onze vagina ging en dat dit al langere tijd drie of vier keren per week gebeurde wanneer hun moeder niet thuis was. De rechtbank weegt mee dat deze berichten ruim vóór de aangifte en de studioverhoren zijn verstuurd en dat de inhoud daarvan op belangrijke onderdelen overeenkomt met wat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] later bij vader en later afzonderlijk van elkaar bij de politie hebben verklaard.
Seksueel binnendringen
Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , die beiden jonger waren dan twaalf jaar, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden
uit het seksueel binnendringen van hun lichaam. De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van seksueel binnendringen.
Volgens vaste jurisprudentie kan het aanraken tussen de schaamlippen seksueel binnendringen opleveren.2 [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte met één of twee vingers over haar blote vagina wreef en haar daarbij overal aanraakte. Tijdens het studioverhoor heeft zij een vagina getekend met daarin twee halve cirkels, ze heeft het gebied daartussen aangewezen als een plek waar verdachte haar onder meer aanraakte. De rechtbank begrijpt dat de halve cirkels de schaamlippen voorstellen en leidt daaruit af dat verdachte haar tussen de schaamlippen heeft aangeraakt. [slachtoffer 2] heeft eveneens verklaard dat verdachte met zijn vingers over haar vagina wreef en haar daarbij overal aanraakte. Haar verklaring vindt op dit punt steun in de verklaring van [slachtoffer 1] en in die van [getuige] , die heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] met ontbloot onderlichaam op de bank zag en de hand van verdachte in en bij haar vagina zag.
Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat [getuige] dit vanuit zijn positie niet kan hebben waargenomen, volgt de rechtbank dit verweer niet. Uit de verklaring van [getuige] en de door hem gemaakte plattegrond van de woonkamer blijkt dat hij vanaf de zijde van de aanbouw en de keuken zicht had op de bank. Gelet op de door [getuige] beschreven positie van [slachtoffer 2] , met haar hoofd in de richting van de gang, en de indeling van de woning, acht de rechtbank het aannemelijk dat [getuige] de situatie vanaf de zijkant heeft kunnen waarnemen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan de juistheid van de verklaring van [getuige] te twijfelen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zowel bij [slachtoffer 2] als bij [slachtoffer 1] seksueel is binnengedrongen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Seksueel corrumperen
Onder feit 4 is aan verdachte het seksueel corrumperen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ten laste gelegd. De rechtbank dient te beoordelen of verdachte hen opzettelijk getuige heeft doen zijn van handelingen of beelden van seksuele aard. Voorwaardelijk opzet is daartoe voldoende.
Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] volgt dat verdachte in hun aanwezigheid masturbeerde en naakt op de bank lag en zich naakt door de woning bewoog. Daarnaast volgt uit de verklaring van [getuige] , het onderzoek aan de telefoon van verdachte en het berichtenverkeer tussen verdachte en de moeder van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dat verdachte in de woonkamer veelvuldig pornografisch materiaal bekeek, op een plaats waar dit voor de kinderen zichtbaar was. Dat dit daadwerkelijk voor de kinderen zichtbaar was, vindt steun in een WhatsApp-bericht van moeder aan verdachte, waarin zij schrijft dat [slachtoffer 1] haar had verteld dat zij had gezien dat verdachte naar naakte vrouwen en porno keek.
De rechtbank is van oordeel dat het masturberen en het bekijken van pornografisch materiaal handelingen van seksuele aard zijn. Het zich met ontbloot onderlichaam door de woning bewegen kan naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet zonder meer als een handeling van seksuele aard worden aangemerkt. In samenhang bezien met de overige ten laste gelegde gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, is de rechtbank echter van oordeel dat ook deze gedraging een onmiskenbaar seksuele strekking had. Naar het oordeel van de rechtbank is het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het verrichten van deze seksuele gedragingen in de woning en in de directe nabijheid van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat zij daarvan getuige zouden zijn en die kans desondanks heeft aanvaard. Daarmee is ten minste sprake van voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht het ten laste gelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van de onder het tweede en vierde gedachtestreepje van feit 4 ten laste gelegde gedragingen, nu het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van deze handelingen te komen.
3Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 2 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Feit 2
hij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 17 januari 2026 te [plaatsnaam] , met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten zijn stiefdochters [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 seksuele handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het brengen en bewegen en houden van zijn vingers in de vagina, in elk geval tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en
het betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en
het brengen en bewegen van de handen van die [slachtoffer 2] naar zijn penis;
Feit 4
hij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 17 januari 2026 te [plaatsnaam] , een kind beneden de leeftijd van zestien jaren , te weten zijn stiefdochters [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 getuige heeft doen zijn van een handeling en een visuele weergave van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door
in het zicht en bijzijn van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te masturberen en
in het bijzijn van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] porno te kijken en
met een ontbloot onderlichaam door de woning te bewegen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 2 met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;
feit 4 een kind beneden de leeftijd van zestien jaren getuige doen zijn van een handeling en visuele weergave van seksuele aard op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van
zestien jaren.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
5Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
6Strafmotivering
6.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1, 2 en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.
6.2
Standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zodat daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen met zijn toen acht- en tienjarige stiefdochters. Deze handelingen hebben meermalen plaatsgevonden en bestonden onder meer uit seksueel binnendringen van hun lichaam. Aangeefsters zullen moeten leven met het feit dat hun eerste seksuele ervaring met hun stiefvader is geweest. Verdachte heeft daarmee niet alleen een grove inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als psychische integriteit van de aangeefsters, hij heeft ook de normale seksuele en lichamelijke ontwikkeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] doorkruist. Door zo te handelen heeft verdachte uitsluitend oog gehad voor zijn eigen seksuele behoeften en geen rekening gehouden met de ingrijpende gevolgen die zijn handelen voor [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zou hebben. Verdachte heeft daarmee in ernstige mate het vertrouwen geschonden dat zij in hem als stiefvader mochten stellen. De rechtbank rekent verdachte dit alles ernstig aan en gelet op de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank merkt hierbij nog op dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 7 juli 2026. De reclassering maakt zich zorgen over meerdere leefgebieden van verdachte, waaronder zijn huisvesting, de relatie met zijn partner en gezin, zijn sociale netwerk en
zijn middelengebruik. Ook bestaan er zorgen over het psychosociaal functioneren en de houding van verdachte. De reclassering merkt daarbij op dat een deel van deze zorgen is toegenomen als gevolg van de onderhavige strafzaak en de huidige detentie. Omdat verdachte geen openheid van zaken geeft, kan de reclassering het recidiverisico niet inschatten. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de voor soortgelijke feiten geldende LOVS-oriëntatiepunten en op de straffen die in vergelijkbare zedenzaken worden opgelegd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat voor feiten als de onderhavige een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat de ontuchtige handelingen mede hebben bestaan uit seksueel binnendringen. Daarnaast betrekt de rechtbank bij de straftoemeting dat verdachte de bewezenverklaarde feiten gedurende een langere periode hebben plaatsgevonden ten aanzien van twee jonge slachtoffers in de gezamenlijke woning, alwaar de slachtoffers zich juist veilig zouden moet voelen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, waaraan de rechtbank toevoegt dat verdachte ook medewerking dient te verlenen aan de voor de behandeling benodigde diagnostiek.
De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat zij tot een beperktere bewezenverklaring komt en verdachte van de feiten 1 en 3 zal vrijspreken.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7Benadeelde partij
De volgende personen hebben zich ten aanzien van feit 2 als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.
[naam 1] heeft als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige benadeelde partij [slachtoffer 2] en bijgestaan door mr. R.J. van der Vijver, advocaat te Groningen, een vordering tot schadevergoeding van 18.750,00 ingediend ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[naam 1] heeft als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige benadeelde partij [slachtoffer 1] en bijgestaan door mr. R.J. van der Vijver, advocaat te Groningen, een vordering tot schadevergoeding van 18.750,00 ingediend ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van beide benadeelde partijen geheel kunnen worden toegewezen.
7.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, nu hij vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft hij verzocht het gevraagde schadevergoedingsbedrag te
matigen.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partijen hebben vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn.
Voor de toewijsbaarheid van een vordering gebaseerd op de aantasting van de persoon is volgens de Hoge Raad het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen en dat dit letsel moet bestaan uit een aan de hand van objectieve maatstaven vast te stellen psychische beschadiging, daaronder begrepen een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De Hoge Raad heeft echter ook bepaald dat op dit uitgangspunt uitzonderingen kunnen worden aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Hierbij valt met name te denken aan zedenzaken, waarin het strafbare feit een dusdanig ernstige inbreuk vormt op het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit, dat dit in zichzelf als een aantasting van de persoon dient te worden beschouwd en reeds daarom smartengeld toegewezen kan worden.
Vordering [slachtoffer 2]
De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat met de door verdachte gepleegde ontucht een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, waardoor zij in haar persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij daarom recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van die schade. Bij de begroting van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank acht geslagen op de aard en ernst van de normschending, de gevolgen die het bewezenverklaarde voor de benadeelde partij heeft gehad en de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend. Daarbij heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, categorie 15.2, categorie ernstig
(b). De rechtbank heeft tevens rekening gehouden met de jonge leeftijd van de benadeelde partij. Alles afwegende acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van 10.000,- billijk, met oplegging van de wettelijke rente. De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de overig gevorderde immateriële schade.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering [slachtoffer 1]
De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat met de door verdachte gepleegde ontucht een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, waardoor zij in haar persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij daarom recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van die schade. Bij de begroting van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank acht geslagen op de aard en ernst van de normschending, de gevolgen die het bewezenverklaarde voor de benadeelde partij heeft gehad en de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend. Daarbij heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, categorie 15.2, ernstcategorie ernstig (b). De rechtbank heeft tevens rekening gehouden met de jonge leeftijd van de benadeelde
partij. Alles afwegende acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van 10.000,- billijk, met oplegging van de wettelijke rente. De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de overig gevorderde immateriële schade.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 250, 251 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en onder 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 en onder 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:
dat de veroordeelde zich uiterlijk binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan meldt bij Reclassering Nederland, [adres 2] . De veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;
dat veroordeelde gedurende de proeftijd zal meewerken aan behandeling en/of diagnostiek door de Forensische Poli van de GGZ Friesland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start bij het ingaan van de proeftijd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
Ten aanzien van parketnummer 18.044463.26, feit 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] (wettelijk vertegenwoordiger: [naam 1] ) te betalen:
het bedrag van 10.000,00 (zegge: tienduizend euro);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 januari 2026 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit
10.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 100 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
Ten aanzien van parketnummer 18.044463.26, feit 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] (wettelijk vertegenwoordiger: [naam 1] ) te betalen:
het bedrag van 10.000,00 (zegge: tienduizend euro);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 januari 2026 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17
januari 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 10.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 100 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door mr. mr. C. Brouwer, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. M. Raven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 augustus 2026.
Bijlage I:
De bewijsmiddelen
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 19 januari 2026, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026014764 van 12 juni 2026, inhoudend als verklaring van [naam 1] :
V: Je hebt 2 jaar geleden ook een melding gedaan ter zake seksuele misbruik. Wat kun je daarover vertellen?
A: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vertelden aan [naam 2] dat ze op de billen betast werden door [verdachte] . Ze vertelden dat [slachtoffer 2] naakt op bed moest liggen zodat haar plasser bloot lag.
V: Wat we je nu willen vragen is dat je ons alles vertelt, het liefst zo chronologisch mogelijk, wat er is gebeurd.
A: Afgelopen vrijdag was er vriendinnetje van [slachtoffer 1] bij ons te logeren, [naam 3] . Op een gourmetstel hebben we pannenkoeken gemaakt. Op een gegeven moment gingen ze zelf vormpjes maken met de knijpfles. Op een gegeven moment kwamen de woorden piemel en vagina ter sprake. Op een speelse manier ben ik gaan vragen wat ze daarover wisten. Ik vertelde wat de man kon doen en dat hij dan trek bewegingen doet. [slachtoffer 2] vertelde hierop dat [verdachte] dit elke dag doet. Wanneer zij beneden komt zag zij [verdachte] dit doen en dat er wit spul uitkwam. [slachtoffer 1] vertelde dat [verdachte] zijn handen in haar onderbroek doet, bij haar vagina. [slachtoffer 1] wil dat dan niet en zegt dit dan tegen [verdachte] . [verdachte] doet dit ook bij [slachtoffer 2] . Ik heb de moeder van [naam 3] gebeld. Ik haar gevraagd naar mij toe te komen. We hebben gevraagd, of de meiden nogmaals konden vertellen, wat ze aan mij verteld hadden. Ik heb dit gesprek toen opgenomen op mijn telefoon. [slachtoffer 1] heeft verteld dat [getuige] iets heeft gezien dat [verdachte] iets bij [slachtoffer 2] deed. [slachtoffer 1] heeft met [getuige] gesproken via Snap Chat.
O: De opname wordt ter beschikking gesteld van het onderzoek.
Uit het gesprek kwam ook naar voren dat [verdachte] vaak onder een kleedje op de bank zit. Dan zit hij in zijn onderbroek, of hij zit naakt onder het kleedje.
V: Wat zag je aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toen zij dit aan jou vertelden?
A: [slachtoffer 2] werd in een (1) keer stil. Ik denk dat ze schrok, dat ze wist dat ze iets had verteld wat ze niet mocht zeggen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van
2 februari 2026, opgenomen op pagina 52 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op donderdag, 22 januari 2026, is [slachtoffer 2] in de studio gehoord. V: Over wie kom je vertellen?
A: Over mijn stiefvader, die heet [verdachte] . V: Vertel me alles over [verdachte] .
A: Als ik beneden kom heeft hij, [verdachte] , zijn onderbroek niet aan. Als ik naar beneden kom, gaat hij aan zijn piemel trekken. En dan...dan...als hij dat heel lang doet, als mama weg is, dan gaat hij dat doen. Of als mama in de [salon] zit. Als hij het heel lang doet, dan komt er wit spul uit. Dan zit hij ook bij ons... Hij zit aan onze plasser daar aan... Ook wel bij [slachtoffer 1] . () Dan zeg ik dat ik naar de wc moet en dan ga ik naar boven. Dat doet [slachtoffer 1] ook, als hij, [verdachte] , dit bij ons doet. Als ik eerst naar beneden kom gaat hij zeggen: "Goedemorgen [slachtoffer 2] ." Dan gaat hij direct, tja. wat ik net zei. Dan zeg ik; dat is niet fijn, maar dan gaat hij gewoon door.
V: Je hebt mij verschillende dingen vertelt over [verdachte] . Je hebt vertelt dat hij aan je plasser zit. Hoe vaak is dat gebeurd?
A: Elke ochtend.
V: Waar is dat gebeurd?
A: Bededen op de bank, wanneer we tv kijken. V: Is het ook wel ergens anders gebeurd?
A: Nee, altijd op de bank.
V: [verdachte] ging ook altijd aan zijn piemel trekken. A: Als hij dat te lang doet komt er wit spul uit.
V: Waar gebeurd dat dan?
A: Op de bank. Alles wat ik heb verteld doet hij op de bank
V: Wat was er eerder, dat hij aan je plasser ging zitten, of aan zijn piemel trekken? A: Aan zijn piemel trekken.
[slachtoffer 2] tekent de woonkamer. [slachtoffer 2] legt uit hoe de woonkamer eruit ziet. [slachtoffer 2] zegt dat de woonkamer die zij tekent van [verdachte] is. Zij tekent een bank met daarop [verdachte] en [slachtoffer 2] .
V: Jij bent daar en [verdachte] is daar, en dan gaat hij aan je plasser zitten. Vertel eens hoe gaat dat? A: Hij gaat dan lopend over de bank naar mij en gaat dan bij mijn plasser zitten.
V: Hoe kan die dan bij je plasser komen?
A: Dan heb ik alleen mijn onderbroek en hij trekt mijn onderbroek uit. Maar niet helemaal. En dan gaat hij aan mijn plasser zitten. Dat doet hij ook bij [slachtoffer 1] .
V: Je zegt je onderbroek gaat niet helemaal uit. Tot waar gaat je onderbroek uit? A: Tot aan mijn knieën.
V: Wat doet die hand bij je plasser precies?
A: Hij gaat dan met zijn hand bij mijn plasser wrijven. V: Wat kan jij eigenlijk met je plasser?
A: Eigenlijks niks, alleen maar plassen.
V: Als [verdachte] aan je plasser zit en dan gaat wrijven. Wrijft hij aan de zijkant, in het midden, er over, of ergens anders.
A: Overal eigenlijk allemaal. V: Wat voel je dan?
A: Zijn vingers.
V: Wat voel je dan van zijn vingers? A: Rimpels, wat papa dus ook heeft.
V: Hoe wrijft hij dan, naast erop er in zijkant, midden, over er in op of aan de andere kant. V: Volgens mij in of op. Dat doet hij soms het allebei.
V: Van welke kant kwam zijn hand. A: Via de onderkant.
V: [verdachte] had jou broek naar beneden gedaan. Hoe zit het met [verdachte] zijn kleding? A: Hij had zijn deken om, maar verder weet ik het niet. () Een zwarte met witte deken.
V: Als hij aan je plasser gaat zitten, hoe is het dan met de deken? A: Die heeft hij nog steeds over.
V: Als [verdachte] aan de plasser van [slachtoffer 1] zit, hoe gaat het dan?
A: Wij zitten in het midden van de bank en dan gaat hij het bij [slachtoffer 1] doen, wanneer ik boven ben. Maar als ik beneden kom is hij soms nog steeds bezig. Dan zit zij in het hoekje en dan gaat [verdachte] daar ook heen.
V: Hoe is het met zijn kleding?
A: Als mama beneden komt geeft zij [verdachte] een onderbroek, omdat hij dan geen onderbroek aan heeft.
V: Als [verdachte] aan piemel gaat trekken, hoe is het dat zijn kleding, hoe kan hij bij zijn piemel? A: Dan gaat hij zijn onderbroek naar beneden trekken.
V: Wat bedoel je met trekken?
A: Hij trekt er aan tot er wit spul uit komt. V: Wat doet hij dan met zijn hand?
A: Gewoon trekken.
[slachtoffer 2] doet het voor op een potlood. Haar hand gaat op en neer over de potlood. V: Hoe is de piemel van [verdachte] dan, welk kant wijst de piemel dan op?
A: Gewoon het midden,
V: Waar komt dat witte spul er dan uit?
A: Gewoon, uit het midden van zijn piemel. V: Zegt [verdachte] dan ook wat?
A: Dan moet ik ook bij hem bij zijn piemel zitten. Dan moet ik ook trekken, maar dan komt er ook wit spul uit.
V: Hoe weet je dan wat je moet doen? A: Eerst doet hij het en dan doe ik het.
V: Hoe weet je dat dan wat je moet doen?
A: Weet ik niet. Hij doet het vaker en dan moet ik het ook vaker doen. V: Wat gebeurd er met dat witte spul?
A: Dan gaat hij dat op een handdoek doen of met een doekje uit de keuken. V: Waar is [slachtoffer 1] dan als jij gaat trekken aan zijn piemel?
A: Als er iemand komt dan gaat hij de deken over zich heen trekken.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van
2 februari 2026, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op donderdag, 22 januari 2026, is [slachtoffer 1] in de studio gehoord. V: Over wie kom je vertellen?
A: [verdachte] mijn stiefvader.
V: Vertel mij daar eens alles over.
A: Nou ehm? Het begon zeg maar, we waren aan het gourmetten, pannenkoeken aan
het maken. We waren een grappig gesprek aan het doen over piemels en zo. En toen begon [slachtoffer 2] in een keer zo van over. Ja uhm... als ik beneden kom dat hij, [verdachte] , aan zijn piemel
trekt en dan komt er wit spul uit. () Hij ( [verdachte] ) gaat dan ook wanneer mama aan het werk is, wanneer zij nagels aan het doen is en zo, dan gaat hij bij mij en [slachtoffer 2] ook wel, met zijn handen bij onze vagina's zitten. En dan zeg ik dat vind ik niet fijn. Ik zeg dat ik naar de wc moet en dan ga ik eigenlijk naar boven, dan ga ik boven liggen. En eh? Soms zegt [slachtoffer 2] tegen mij dat zij [verdachte] 's piemel moet vasthouden en dat ze dat ook niet fijn vindt. Maar als mama erbij is, doet [verdachte] dat zeg maar niet. () Ook als mijn vriendinnen bij mij thuis zijn, zit hij, [verdachte] , ook zonder kleren op de bank of zo, maar wel met een dekentje over zich heen.
V: Hoe ging dat met [getuige] ?
A: [getuige] had op Snapchat aan mij gevraagd of [verdachte] aan onze vagina's zit en over dat van piemels trekken.
[slachtoffer 1] vertelde dat er 2 jaar geleden ook iets is gebeurd. Ze waren toen een stuk jonger. En vonden het moeilijk om er over te praten. Toen deed [verdachte] het ook al. Maar ze durfden het niet te zeggen tegen papa. Ze vond het moeilijk om tegen haar papa te zeggen.
V: Je vertelt over aan je vagina zitten. Is dat één keer of vaker gebeurd? A: Vaker.
V: Waar waren jullie dan?
A: In de woonkamer, niet ergens anders. V: Waar in de woonkamer?
A: Op de bank, of op de stoel.
V: Je zegt dat hij het al langer doet, hoe oud was je toen [verdachte] dit voor het eerst deed?
A: Dat weet ik niet eigenlijk. Ik denk dat ik ongeveer 9 jaar was. 2 jaar geleden was ik 9. Toen mama en [verdachte] een relatie kregen gingen ze na 2 jaar trouwen.
V: Wat was er eerder, vagina of mama en [verdachte] trouwen? A: Ik denk eerst aan onze vagina zitten, daarna trouwen.
V: Wanneer is de laatste keer geweest dat hij aan je vagina zat? A: Sowieso de week toen ik voor het laatst bij mama was.
V: Heb je weleens gezien dat hij dit bij [slachtoffer 2] deed?
A: Ja, [getuige] heeft gezegd dat ik het eens moest proberen te filmen, dit lukte niet.
V: Hoe vaak heeft [verdachte] aan de vagina [slachtoffer 2] gezeten? Eén keer of vaker? A: Vaker, dat heeft [slachtoffer 2] aan mij verteld.
V: Heb je dat één keer of vaker gezien dat [verdachte] aan [slachtoffer 2] haar vagina zat? A: Ik heb het wel één keer gezien.
V: Als [verdachte] aan de vagina van [slachtoffer 2] zat, waar was dat dan? A: Op de bank, wanneer mama er niet bij was.
V: Hoe oud was [slachtoffer 2] toen jij het zag? A: Ik denk zeven ook wel acht.
[slachtoffer 1] verteld dat [verdachte] aan zijn piemel zit. Elke avond bijna zit hij aan zijn piemel. [slachtoffer 1] verteld dat alles in de woonkamer gebeurd.
V: Laten we naar die laatste keer gaan toen je bij mama was. Wie is dan waar?
A: Volgens mij zat mama in haar kamer, maar ik weet het niet zeker. Dan zit [verdachte] hier en ik hier. Dan gaat hij een beetje naar mij toe en dan gaat hij heel sneaky met zijn hand in mijn broek, in mijn onderbroek en dan gaat hij er aan zitten.
V: Waar gaat hij langs met zijn hand?
A: Hij gaat dan eerst naar de broek toe. Niet van achter maar van voor. V: Wat raakt hij dan aan bij de voorkant?
A: Gewoon hier, hij begint mijn onderbuik en dan gaat hij naar mijn vagina. Hij zit dan op mijn blote vagina.
V: Wat deed hij dan bij je vagina.
A: Dan doe hij, dan beweegt hij zo, hij wrijft en beweegt. Ik zeg dan dat ik naar boven ga. V: Als [verdachte] aan je vagina gaat wrijven, zit hij er naast op, of in, of anders?
A: Op denk ik.
V: Als hij dan op je vagina zit, wat raakt hij dan aan?
A: Ja alles gewoon, hij raakt alles aan. Dan beweegt hij heen en weer. V: Wat voel je dan als hij je aanraakt bij je vagina?
A: Gewoon zijn hand, vooral zijn vingers. Hij gebruikt dan 1 of 2 vingers. Tenminste, zo voelt het. V: Hoe zat het met zijn kleding de laatste keer?
A: Ik weet niet of hij had een onderbroek aan of niet. Soms is hij helemaal uitgekleed. Soms loopt hij naar de wc en dan loopt hij in zijn blootje naar de wc.
V: Als [verdachte] met zijn hand aan jou vagina zit, heb je dan ook weleens dat je hem naakt kan zien, dat jij zijn piemel kan zien?
A: Nee, dan zit hij op de bank en dan heeft hij vaak die deken over zich heen. Als hij gaat koffie halen of naar de wc gaat dan loopt hij in zijn blootje daarheen. Ik kijk er niet naar. Ik hoef het niet te zien.
V: Wanneer is de laatste keer geweest dat hij aan zijn piemel heeft getrokken?
A: Dat doet hij elke dag. Dan gaat hij gewoon. ik weet hij eigenlijk niet. Ik zie dan onder de deken
op en neer gaan.
0: Ik verbalisant zie dat [slachtoffer 1] twee kleine en twee grote halve cirkels tegenover elkaar heeft getekend.
0: tekening van de vagina wordt bijgevoegd onder bijlage III
[slachtoffer 1] tekent een vagina en geeft aan dat zij niet precies weet wat, wat is. [naam 4] vraagt waar [verdachte] dan aan zit en of [slachtoffer 1] dit kan aanwijzen op de tekening. Ik verbalisant zie dat [slachtoffer 1] met haar hand de alles aanwijst. Ze wijst de ruimte aan tussen de twee halve cirkels. Ze wijst ook de hele vagina aan.
V: Dus hij zit aan de zij kanten, maar zit hij dan ook op je vagina, in het midden, of ook in je vagina of aan de buitenkant of nog anders?
A: Op wel, maar gaat er niet in of zo. Maar hij drukt dan een beetje. Maar gaat er niet persé in of zo.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 27 januari 2026, opgenomen op pagina 76 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :
V: Wanneer was je moeder van huis?
A:. Ze heeft een [salon] aan huis. Ze hebben de schuur omgebouwd. Ze zit hier vaak in de avond, ik denk drie of vier keer in de week. De afspraken heeft ze meestal rond 18.30 uur en dan is ze ongeveer 2 uur bezig. Ik ben op dit tijdstip meestal weg, voetbal met vrienden. De meiden waren dan wel thuis samen met [verdachte] .
V: In hoeverre wordt er porno gekeken?
A: [verdachte] zit op die vage sites. Dan kijkt hij s avonds livestreams. Als hij site bekijkt en die ligt op tafel kan iedereen het zien.
V: Je hebt aangegeven datje iets gezien zou hebben met betrekking tot [verdachte] . Wat kun je ons vertellen?
A: Ik kwam thuis, ik had mijn auto geparkeerd, via de aanbouw ging ik naar binnen. Ik zag dat [slachtoffer 2] gebogen op haar knieën zat, [verdachte] stond erachter met zijn hand in haar vagina. Ik gooide deur dicht, zodat hij hoorde dat ik thuis kwam. Hij trok [slachtoffer 2] recht zodat ze normaal lag. Ik ben gelijk naar boven gegaan. Ik keek bij [slachtoffer 1] om te kijken of zij oké was.
[slachtoffer 2] kwam naar boven. Ik ben weggegaan van huis. Ik heb de kindertelefoon gebeld. Ik heb [slachtoffer 1] ook geappt en gevraagd of het vaker gebeurde. Ook zodat ik zekerheid had, van wat ik had gezien. De kindertelefoon gaf aan dat ik met mijn moeder moest spreken. Ik heb mijn moeder nog gesproken, diezelfde avond. Ik ben de [salon] binnen gelopen en toen heb ik het tegen haar gezegd.
V: Wanneer was dit?
A: 27 mei 2025. Dit weet ik, omdat ik toen berichten heb verstuurd naar mijn moeder. V: Waar kom je dan binnen?
A: Via de achterkant.
V: Dan kan je al naar binnen kijkt, wat zie je dan?
A: Ik keek naar links. Ik zag [slachtoffer 2] op de bank zitten op haar knieën en [verdachte] stond achter haar.
O: Een tekening wordt bijgevoegd onder bijlage I V: Waar zat [slachtoffer 2] op de bank?
A: Op de hoek zat zij van de bank. Ze zat op haar knieën, voorover gebukt. V: Waar stond [verdachte] ?
A: Die stond achter de bank. Met zijn hand bij [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] haar hoofd wees naar de gangkant. Ik zag dat hij met zijn handen tussen haar vagina zat.
V: Hoe zat het met de kleding van [slachtoffer 2] ?
A: Volgens mij had zij een shirt aan. Haar onderkant was naakt. Ik zag haar blote benen en haar kont. V: En toen heb je [slachtoffer 1] geappt.
A. Ja dat klopt, hier heb ik screenshots van gemaakt. Deze screenshots heb ik verstuurd naar mijn moeder.
Als bijlagen is bij dit proces-verbaal gevoegd: bijlage 1.
De rechtbank begrijpt dat de door de getuige aan de verbalisanten verstrekte Snapchatberichten als bijlage 1 vanaf pagina 86 e.v. aan het dossier zijn toegevoegd. De rechtbank begrijpt dat in deze berichten met "ik" de getuige [getuige] wordt bedoeld en met " [slachtoffer 1] " de aangeefster [slachtoffer 1] . De rechtbank leest in deze berichten het volgende:
Ik: Wat doet hij allemaal (20.08)
[slachtoffer 1] : Ik weet niet hoe ik het uit moet leggen (20.09) Ik: Probeer het (20.10)
[slachtoffer 1] : Hij gaat met zijn hand bij onze vagina (20.11) Ik: Hoe vaak doet hij dat? (20.12)
[slachtoffer 1] : Per week ongeveer als je bij hem zit dan drie keer per week of (20.13) vier keer of zo.
Ik: Oké waar is mama dan? (20.14) [slachtoffer 1] : Nu (20.14)
Ik: Nee als hij dat doet (20.14)
[slachtoffer 1] : Bij de winkel of bij de [salon] (20.14) Ik: Hoe lang gebeurt dit al (20.14)
[slachtoffer 1] : Best lang ik weet niet precies hoe lang (20.15)
De rechtbank begrijpt dat de door de getuige aan de verbalisanten verstrekte WhatsAppberichten als bijlage 1 vanaf pagina 91 e.v. aan het dossier zijn toegevoegd. De rechtbank begrijpt dat deze berichten een WhatsAppgesprek betreffen tussen de getuige [getuige] en zijn moeder. De rechtbank leest daarin het volgende:
27 mei 2025
Mama: Wat heb jij precies gezien? (23:13)
Ik: [slachtoffer 2] die voorover zat gebukt en [verdachte] die erachter stond (23.15) en hadden aan het vingeren was
Mama: En wat deed [slachtoffer 2] dan (23.16) Ik: Ik hoorde haar stop zeggen (23.17)
Ik: *stuurt het Snapchatbericht met [slachtoffer 1] door* (23.17) Mama: Maar hoe laat was dat (23.18)
Ik: Kwart voor 8 (23:19)
Mama: Oke. Jij kwam binnen en toen (23.21)
Ik: Ik zag het gebeuren en toen keek ik snel weg en toen trok hij (23:22) [slachtoffer 2] liggend alsof er niks gebeurd was.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van
26 januari 2026, opgenomen op pagina 132 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op zondag 18 januari 2026, ben ik verbalisant [verbalisant] , samen met mijn collega [verbalisant] naar de woning van verdachte [verdachte] gegaan om hem een onderzoek aan te zeggen. In de woonkamer zat verdachte [verdachte] op de bank. Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat verdachte
[verdachte] op de bank zat onder een zwart /wit kleedje. Ik zag dat hij een T-shirt droeg. Ik hoorde verdachte [verdachte] zeggen dat hij voor de rest niet veel aan had en daarom onder het kleedje bleef zitten.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van
20 februari 2026, opgenomen op pagina 174 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 20 februari 2026 deed ik onderzoek naar de data op de telefoon van verdachte [medeverdachte] . Ik deed onderzoek naar de whatsapp chatgeschiedenis tussen [medeverdachte] en haar man, tevens verdachte in deze zaak, [verdachte] Ik zag het volgende:
21 juli 2025:
[medeverdachte] : Waar ben jij. (16:23)
[medeverdachte] : Zegt [slachtoffer 1] . Mama, [verdachte] kijkt naar andere naakte vrouwen. (16:24)
En naar porno.
[verdachte] : Huh. Hoe de fuck waar heeft ze het over. (16.24) [medeverdachte] : En als ik dan uit de tent kom dat je het weg doet. (16.25)
1. ECLI:NL:HR:2017:1216, r.o. 2.4.
2 ECLI:NL:HR:2010:BK6910
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.044463.26
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 04 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 juli 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.O. Roosjen, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Broekstra.
1Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2024 te [plaatsnaam] , in elk geval Nederland met (zijn stiefdochters) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 en/of [slachtoffer
2] , geboren op [geboortedatum] 2017 die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , te weten
het brengen en/of bewegen en/of houden van zijn, verdachtes, vingers in de vagina, in elk geval tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
het betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
het brengen en/of houden en/of bewegen van de handen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] naar zijn, verdachtes, penis;
2. hij in of omstreeks in de periode van 1 juli 2024 tot en met 17 januari 2026 te [plaatsnaam] , in elk geval in Nederland met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten (zijn stiefdochters) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 en/of [slachtoffer 2]
, geboren op [geboortedatum] 2017 een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het brengen en/of bewegen en/of houden van zijn, verdachtes, vingers in de vagina, in elk geval tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
het betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
het brengen en/of houden en/of bewegen van de handen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] naar zijn, verdachtes, penis;
3. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2024 te [plaatsnaam] , in elk geval in Nederland een kind beneden de leeftijd van zestien jaren , te weten (zijn stiefdochters) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 en/of [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 getuige heeft doen zijn van een handeling en/of een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door
4. in het zicht en/of bijzijn van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te masturberen en/of
5. het zuigen aan de tepel van zijn vrouw in het bijzijn van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
6. in het bijzin van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] porno te kijken en/of
7. een of meer dildo's te tonen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
8. met een ontbloot onderlichaam door de woning te bewegen;
4. hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 17 januari 2026 te [plaatsnaam] , in elk geval in Nederland een kind beneden de leeftijd van zestien jaren , te weten (zijn stiefdochters) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 en/of [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 getuige heeft doen zijn van een handeling en/of een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door
5. in het zicht en/of bijzijn van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te masturberen en/of
6. het zuigen aan de tepel van zijn vrouw in het bijzijn van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
7. in het bijzin van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] porno te kijken en/of
8. een of meer dildo's te tonen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
9. met een ontbloot onderlichaam door de woning te bewegen.
2Beoordeling van het bewijs
2.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1, 2 en 4. Zij acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen. De verklaringen van de aangeefsters, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , zijn volgens de officier van justitie voldoende betrouwbaar en vinden onder meer steun in de verklaring van hun halfbroer, de WhatsApp- en Snapchatberichten en de bevindingen van de politie bij het aanzeggen van het onderzoek in de woning van verdachte.
Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie ontslag van alle rechtsvervolging gevorderd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het bestanddeel met ontuchtig oogmerk niet in de tenlastelegging is opgenomen, waardoor het ten laste gelegde feit niet kan worden gekwalificeerd als een strafbaar feit.
2.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1, 2 en 4. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de feiten consequent heeft ontkend en dat vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters. Ten aanzien van feiten 1 en 2 kan volgens de raadsman uit de verklaringen van de aangeefsters en hun halfbroer onvoldoende worden afgeleid dat sprake is geweest van seksueel binnendringen. Ten aanzien van feit 4 heeft verdachte ontkend dat de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover de rechtbank van oordeel is dat (een deel van) die handelingen wel heeft plaatsgevonden, niet kan worden vastgesteld dat verdachte deze opzettelijk heeft verricht.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het vereiste bestanddeel met ontuchtig oogmerk niet in de tenlastelegging is opgenomen.
2.3
Oordeel van de rechtbank
2.3.1
Vrijspraak
Aan verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2024 schuldig heeft gemaakt aan onder meer seksueel binnendringen van de aangeefsters. Onder feit 3 is hem ten laste gelegd dat hij zich in diezelfde periode schuldig heeft gemaakt aan het seksueel corrumperen van de aangeefsters.
De rechtbank stelt vast dat de stukken in het procesdossier onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de in de tenlastelegging omschreven handelingen hebben plaatsgevonden in de periode vóór 1 juli 2024. De rechtbank kan daarom niet tot een bewezenverklaring komen van de feiten 1 en 3. Verdachte zal wegens het ontbreken van wettig bewijs van deze feiten worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 3 merkt de rechtbank nog het volgende op. De officier van justitie en de raadsman hebben terecht aangevoerd dat het bestanddeel met ontuchtig oogmerk niet in de tenlastelegging is opgenomen. De rechtbank komt tot dezelfde conclusie. In aanvulling daarop stelt de rechtbank vast dat de tenlastelegging van feit 3 niet aansluit bij de wettelijke omschrijving van het strafbare feit zoals dat gold vóór 1 juli 2024. In de tenlastelegging zijn de delictsomschrijving en de daarin omschreven feitelijke gedraging ontleend aan de nieuwe zedenwetgeving, terwijl het feit voor wat betreft de periode is ten laste gelegd onder de oude wettelijke bepaling. De rechtbank komt echter niet toe aan de vraag welke gevolgen dit heeft voor de strafbaarheid van het ten laste gelegde feit, nu eerst moet worden beoordeeld of het feit bewezen kan worden. Nu dat niet het geval is, wordt verdachte van feit 3 vrijgesproken.
Zoals hiervoor is vastgesteld door de rechtbank is de tenlastelegging voor feit 3 opgesteld op basis van wetgeving die pas gold vanaf 1 juli 2024. De rechtbank merkt daarover, ten overvloede
op, dat van het openbaar ministerie mag worden verwacht dat een tenlastelegging nauwkeurig en in overeenstemming met de toepasselijke strafbepalingen wordt opgesteld. De nieuwe wetgeving gaat uit van een ruimere strafbaarstelling van seksueel corrumperen en kent een hoger strafmaximum dan bijvoorbeeld artikel 240a (oud) Wetboek van Strafrecht (Sr) waar een deel van de ten laste gelegde feitelijke handelingen op lijken te zien. Het openbaar ministerie had de tenlastelegging kunnen corrigeren maar heeft dat nagelaten en door te zo handelen is zij onachtzaam met het de haar toekomende bevoegdheden omgegaan. De rechtbank acht dit onzorgvuldig en nalatig, maar zal hier geen consequenties aan verbinden.
2.3.2
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht feiten 2 en 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten. De bewijsmiddelen zijn in bijlage I aan dit vonnis gehecht.
2.3.3
Bewijsoverwegingen
Juridisch kader in zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat de zedenzaken bewijstechnisch vaak complex zijn. De verweten gedragingen vinden veelal plaats buiten aanwezigheid van derden, waardoor het niet altijd eenvoudig is om vast te stellen wat zich precies heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van één getuige. Dat betekent dat er aanvullend bewijs nodig is dat afkomstig is uit een andere bron dan het vermeende slachtoffer. Dit wordt steunbewijs genoemd. Steunbewijs hoeft, zo volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, bij zedenzaken niet per definitie te zien op de ontuchtige handelingen zelf. Het is voldoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer. Het benodigde steunbewijs moet tevens zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan verdachte verweten gedragingen.
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te gebruiken. Daarbij betrekt de rechtbank onder meer de consistentie en authenticiteit van die verklaringen.
Op basis van het bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 16 januari 2026 waren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met een vriendinnetje pannenkoeken aan het bakken bij hun vader thuis. Toen zij van het beslag de vorm van een “piemel” maakten, ontstond een gesprek over seksualiteit. Tijdens dit gesprek vertelde [slachtoffer 2] spontaan dat verdachte thuis op de bank elke dag aan zijn piemel trok en dat daar wit spul uit kwam. [slachtoffer 1] vertelde vervolgens dat verdachte met zijn handen in de onderbroek van haar en [slachtoffer 2] zat en hen bij hun vagina aanraakte. De vader heeft naar aanleiding van dit voorval aangifte gedaan en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn hierna afzonderlijk van elkaar door de politie in een studioverhoor gehoord.
Zij hebben bij de politie, onafhankelijk van elkaar, beiden verklaard over de seksuele handelingen die verdachte bij en met hen zou hebben verricht en over de omstandigheden waaronder deze zouden hebben plaatsgevonden. Hun verklaringen komen op belangrijke onderdelen met elkaar overeen en sluiten aan bij wat zij eerder spontaan aan hun vader hebben verteld. Daarbij zijn zij in hun verklaringen over de kern van de verweten gedragingen consistent gebleven. Dat hun verklaringen op detailniveau op enkele punten verschillen, doet naar het
oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid daarvan. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voldoende betrouwbaar om als uitgangspunt voor het bewijs te dienen.
De raadsman heeft erop gewezen dat [slachtoffer 1] eerder ten onrechte heeft verteld dat zij een naakte man in een speeltuin had gezien en later heeft toegegeven dat zij dit had verzonnen. De rechtbank ziet hierin onvoldoende aanleiding om haar verklaringen in deze zaak onbetrouwbaar te achten. Dit eerdere voorval staat op zichzelf en maakt niet dat haar verklaringen in deze zaak reeds daarom onbetrouwbaar zijn.
Steunbewijs
Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de vraag of de verklaringen voldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal in het dossier. De rechtbank stelt daarbij voorop dat volgens vaste jurisprudentie verklaringen van verschillende slachtoffers in zedenzaken onder omstandigheden over en weer als steunbewijs kunnen worden gebruikt.1 Daarbij is onder meer van belang of die verklaringen op relevante onderdelen overeenkomen wat betreft de aard van de seksuele handelingen en de wijze en omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] daarnaast voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Zij overweegt daartoe als volgt.
De verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ondersteunen elkaar over en weer. Het gaat om twee afzonderlijk afgelegde verklaringen over soortgelijke seksuele handelingen door dezelfde verdachte. De verklaringen vertonen bovendien relevante overeenkomsten wat betreft de aard van de handelingen, de plek waar deze plaatsvonden en de omstandigheden waaronder dit gebeurde. Zo verklaren beide aangeefsters over het door verdachte aanraken van hun vagina, op de bank beneden en op momenten dat hun moeder niet in huis, maar in de [salon] was. Ze verklaren daarnaast beiden dat verdachte vaak naakt onder een dekentje op de bank zat en dat hij dan aan zijn piemel trok. Gelet op deze overeenkomsten en de samenhang tussen beide verklaringen is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op deze onderdelen over en weer als steunbewijs kunnen dienen.
De verklaringen van aangeefsters vinden daarnaast steun in de verklaring van hun halfbroer [getuige] . Hij heeft verklaard dat hij via de aanbouw de woning binnenkwam en [slachtoffer 2] met ontbloot onderlichaam op de bank zag. Volgens [getuige] stond verdachte achter [slachtoffer 2] en zag hij dat verdachte zijn hand in en bij haar vagina had. Kort daarna heeft [getuige] naar aanleiding hiervan contact opgenomen met de Kindertelefoon en [slachtoffer 1] via Snapchat gevraagd of dit vaker gebeurde. Diezelfde avond heeft hij zijn moeder, onder meer via Whatsappberichten gedateerd op 27 mei 2025, verteld wat hij had gezien. Dat [getuige] later is gaan twijfelen aan wat hij had gezien, schrijft de rechtbank toe aan de reactie van zijn moeder op zijn melding. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van zijn oorspronkelijke verklaring.
Ook het berichtenverkeer tussen [getuige] en [slachtoffer 1] via Snapchat op 27 mei 2025 biedt naar het oordeel van de rechtbank steun aan de verklaringen van aangeefsters. Kort na de hiervoor beschreven waarneming heeft [getuige] via Snapchat aan [slachtoffer 1] gevraagd wat verdachte bij hen deed. [slachtoffer 1] antwoordde dat verdachte met zijn hand bij onze vagina ging en dat dit al langere tijd drie of vier keren per week gebeurde wanneer hun moeder niet thuis was. De rechtbank weegt mee dat deze berichten ruim vóór de aangifte en de studioverhoren zijn verstuurd en dat de inhoud daarvan op belangrijke onderdelen overeenkomt met wat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] later bij vader en later afzonderlijk van elkaar bij de politie hebben verklaard.
Seksueel binnendringen
Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , die beiden jonger waren dan twaalf jaar, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden
uit het seksueel binnendringen van hun lichaam. De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van seksueel binnendringen.
Volgens vaste jurisprudentie kan het aanraken tussen de schaamlippen seksueel binnendringen opleveren.2 [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte met één of twee vingers over haar blote vagina wreef en haar daarbij overal aanraakte. Tijdens het studioverhoor heeft zij een vagina getekend met daarin twee halve cirkels, ze heeft het gebied daartussen aangewezen als een plek waar verdachte haar onder meer aanraakte. De rechtbank begrijpt dat de halve cirkels de schaamlippen voorstellen en leidt daaruit af dat verdachte haar tussen de schaamlippen heeft aangeraakt. [slachtoffer 2] heeft eveneens verklaard dat verdachte met zijn vingers over haar vagina wreef en haar daarbij overal aanraakte. Haar verklaring vindt op dit punt steun in de verklaring van [slachtoffer 1] en in die van [getuige] , die heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] met ontbloot onderlichaam op de bank zag en de hand van verdachte in en bij haar vagina zag.
Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat [getuige] dit vanuit zijn positie niet kan hebben waargenomen, volgt de rechtbank dit verweer niet. Uit de verklaring van [getuige] en de door hem gemaakte plattegrond van de woonkamer blijkt dat hij vanaf de zijde van de aanbouw en de keuken zicht had op de bank. Gelet op de door [getuige] beschreven positie van [slachtoffer 2] , met haar hoofd in de richting van de gang, en de indeling van de woning, acht de rechtbank het aannemelijk dat [getuige] de situatie vanaf de zijkant heeft kunnen waarnemen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan de juistheid van de verklaring van [getuige] te twijfelen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zowel bij [slachtoffer 2] als bij [slachtoffer 1] seksueel is binnengedrongen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Seksueel corrumperen
Onder feit 4 is aan verdachte het seksueel corrumperen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ten laste gelegd. De rechtbank dient te beoordelen of verdachte hen opzettelijk getuige heeft doen zijn van handelingen of beelden van seksuele aard. Voorwaardelijk opzet is daartoe voldoende.
Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] volgt dat verdachte in hun aanwezigheid masturbeerde en naakt op de bank lag en zich naakt door de woning bewoog. Daarnaast volgt uit de verklaring van [getuige] , het onderzoek aan de telefoon van verdachte en het berichtenverkeer tussen verdachte en de moeder van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dat verdachte in de woonkamer veelvuldig pornografisch materiaal bekeek, op een plaats waar dit voor de kinderen zichtbaar was. Dat dit daadwerkelijk voor de kinderen zichtbaar was, vindt steun in een WhatsApp-bericht van moeder aan verdachte, waarin zij schrijft dat [slachtoffer 1] haar had verteld dat zij had gezien dat verdachte naar naakte vrouwen en porno keek.
De rechtbank is van oordeel dat het masturberen en het bekijken van pornografisch materiaal handelingen van seksuele aard zijn. Het zich met ontbloot onderlichaam door de woning bewegen kan naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet zonder meer als een handeling van seksuele aard worden aangemerkt. In samenhang bezien met de overige ten laste gelegde gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, is de rechtbank echter van oordeel dat ook deze gedraging een onmiskenbaar seksuele strekking had. Naar het oordeel van de rechtbank is het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het verrichten van deze seksuele gedragingen in de woning en in de directe nabijheid van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat zij daarvan getuige zouden zijn en die kans desondanks heeft aanvaard. Daarmee is ten minste sprake van voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht het ten laste gelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van de onder het tweede en vierde gedachtestreepje van feit 4 ten laste gelegde gedragingen, nu het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van deze handelingen te komen.
3Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 2 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Feit 2
hij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 17 januari 2026 te [plaatsnaam] , met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten zijn stiefdochters [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 seksuele handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het brengen en bewegen en houden van zijn vingers in de vagina, in elk geval tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en
het betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en
het brengen en bewegen van de handen van die [slachtoffer 2] naar zijn penis;
Feit 4
hij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 17 januari 2026 te [plaatsnaam] , een kind beneden de leeftijd van zestien jaren , te weten zijn stiefdochters [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 getuige heeft doen zijn van een handeling en een visuele weergave van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door
in het zicht en bijzijn van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te masturberen en
in het bijzijn van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] porno te kijken en
met een ontbloot onderlichaam door de woning te bewegen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 2 met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;
feit 4 een kind beneden de leeftijd van zestien jaren getuige doen zijn van een handeling en visuele weergave van seksuele aard op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van
zestien jaren.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
5Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
6Strafmotivering
6.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1, 2 en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.
6.2
Standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zodat daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen met zijn toen acht- en tienjarige stiefdochters. Deze handelingen hebben meermalen plaatsgevonden en bestonden onder meer uit seksueel binnendringen van hun lichaam. Aangeefsters zullen moeten leven met het feit dat hun eerste seksuele ervaring met hun stiefvader is geweest. Verdachte heeft daarmee niet alleen een grove inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als psychische integriteit van de aangeefsters, hij heeft ook de normale seksuele en lichamelijke ontwikkeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] doorkruist. Door zo te handelen heeft verdachte uitsluitend oog gehad voor zijn eigen seksuele behoeften en geen rekening gehouden met de ingrijpende gevolgen die zijn handelen voor [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zou hebben. Verdachte heeft daarmee in ernstige mate het vertrouwen geschonden dat zij in hem als stiefvader mochten stellen. De rechtbank rekent verdachte dit alles ernstig aan en gelet op de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank merkt hierbij nog op dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 7 juli 2026. De reclassering maakt zich zorgen over meerdere leefgebieden van verdachte, waaronder zijn huisvesting, de relatie met zijn partner en gezin, zijn sociale netwerk en
zijn middelengebruik. Ook bestaan er zorgen over het psychosociaal functioneren en de houding van verdachte. De reclassering merkt daarbij op dat een deel van deze zorgen is toegenomen als gevolg van de onderhavige strafzaak en de huidige detentie. Omdat verdachte geen openheid van zaken geeft, kan de reclassering het recidiverisico niet inschatten. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de voor soortgelijke feiten geldende LOVS-oriëntatiepunten en op de straffen die in vergelijkbare zedenzaken worden opgelegd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat voor feiten als de onderhavige een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat de ontuchtige handelingen mede hebben bestaan uit seksueel binnendringen. Daarnaast betrekt de rechtbank bij de straftoemeting dat verdachte de bewezenverklaarde feiten gedurende een langere periode hebben plaatsgevonden ten aanzien van twee jonge slachtoffers in de gezamenlijke woning, alwaar de slachtoffers zich juist veilig zouden moet voelen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, waaraan de rechtbank toevoegt dat verdachte ook medewerking dient te verlenen aan de voor de behandeling benodigde diagnostiek.
De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat zij tot een beperktere bewezenverklaring komt en verdachte van de feiten 1 en 3 zal vrijspreken.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7Benadeelde partij
De volgende personen hebben zich ten aanzien van feit 2 als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.
[naam 1] heeft als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige benadeelde partij [slachtoffer 2] en bijgestaan door mr. R.J. van der Vijver, advocaat te Groningen, een vordering tot schadevergoeding van 18.750,00 ingediend ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[naam 1] heeft als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige benadeelde partij [slachtoffer 1] en bijgestaan door mr. R.J. van der Vijver, advocaat te Groningen, een vordering tot schadevergoeding van 18.750,00 ingediend ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van beide benadeelde partijen geheel kunnen worden toegewezen.
7.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, nu hij vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft hij verzocht het gevraagde schadevergoedingsbedrag te
matigen.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partijen hebben vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn.
Voor de toewijsbaarheid van een vordering gebaseerd op de aantasting van de persoon is volgens de Hoge Raad het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen en dat dit letsel moet bestaan uit een aan de hand van objectieve maatstaven vast te stellen psychische beschadiging, daaronder begrepen een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De Hoge Raad heeft echter ook bepaald dat op dit uitgangspunt uitzonderingen kunnen worden aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Hierbij valt met name te denken aan zedenzaken, waarin het strafbare feit een dusdanig ernstige inbreuk vormt op het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit, dat dit in zichzelf als een aantasting van de persoon dient te worden beschouwd en reeds daarom smartengeld toegewezen kan worden.
Vordering [slachtoffer 2]
De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat met de door verdachte gepleegde ontucht een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, waardoor zij in haar persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij daarom recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van die schade. Bij de begroting van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank acht geslagen op de aard en ernst van de normschending, de gevolgen die het bewezenverklaarde voor de benadeelde partij heeft gehad en de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend. Daarbij heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, categorie 15.2, categorie ernstig
(b). De rechtbank heeft tevens rekening gehouden met de jonge leeftijd van de benadeelde partij. Alles afwegende acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van 10.000,- billijk, met oplegging van de wettelijke rente. De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de overig gevorderde immateriële schade.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering [slachtoffer 1]
De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat met de door verdachte gepleegde ontucht een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, waardoor zij in haar persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij daarom recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van die schade. Bij de begroting van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank acht geslagen op de aard en ernst van de normschending, de gevolgen die het bewezenverklaarde voor de benadeelde partij heeft gehad en de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend. Daarbij heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, categorie 15.2, ernstcategorie ernstig (b). De rechtbank heeft tevens rekening gehouden met de jonge leeftijd van de benadeelde
partij. Alles afwegende acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van 10.000,- billijk, met oplegging van de wettelijke rente. De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de overig gevorderde immateriële schade.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 250, 251 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en onder 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 en onder 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:
dat de veroordeelde zich uiterlijk binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan meldt bij Reclassering Nederland, [adres 2] . De veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;
dat veroordeelde gedurende de proeftijd zal meewerken aan behandeling en/of diagnostiek door de Forensische Poli van de GGZ Friesland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start bij het ingaan van de proeftijd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
Ten aanzien van parketnummer 18.044463.26, feit 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] (wettelijk vertegenwoordiger: [naam 1] ) te betalen:
het bedrag van 10.000,00 (zegge: tienduizend euro);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 januari 2026 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit
10.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 100 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
Ten aanzien van parketnummer 18.044463.26, feit 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] (wettelijk vertegenwoordiger: [naam 1] ) te betalen:
het bedrag van 10.000,00 (zegge: tienduizend euro);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 januari 2026 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17
januari 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 10.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 100 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door mr. mr. C. Brouwer, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. M. Raven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 augustus 2026.
Bijlage I:
De bewijsmiddelen
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 19 januari 2026, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026014764 van 12 juni 2026, inhoudend als verklaring van [naam 1] :
V: Je hebt 2 jaar geleden ook een melding gedaan ter zake seksuele misbruik. Wat kun je daarover vertellen?
A: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vertelden aan [naam 2] dat ze op de billen betast werden door [verdachte] . Ze vertelden dat [slachtoffer 2] naakt op bed moest liggen zodat haar plasser bloot lag.
V: Wat we je nu willen vragen is dat je ons alles vertelt, het liefst zo chronologisch mogelijk, wat er is gebeurd.
A: Afgelopen vrijdag was er vriendinnetje van [slachtoffer 1] bij ons te logeren, [naam 3] . Op een gourmetstel hebben we pannenkoeken gemaakt. Op een gegeven moment gingen ze zelf vormpjes maken met de knijpfles. Op een gegeven moment kwamen de woorden piemel en vagina ter sprake. Op een speelse manier ben ik gaan vragen wat ze daarover wisten. Ik vertelde wat de man kon doen en dat hij dan trek bewegingen doet. [slachtoffer 2] vertelde hierop dat [verdachte] dit elke dag doet. Wanneer zij beneden komt zag zij [verdachte] dit doen en dat er wit spul uitkwam. [slachtoffer 1] vertelde dat [verdachte] zijn handen in haar onderbroek doet, bij haar vagina. [slachtoffer 1] wil dat dan niet en zegt dit dan tegen [verdachte] . [verdachte] doet dit ook bij [slachtoffer 2] . Ik heb de moeder van [naam 3] gebeld. Ik haar gevraagd naar mij toe te komen. We hebben gevraagd, of de meiden nogmaals konden vertellen, wat ze aan mij verteld hadden. Ik heb dit gesprek toen opgenomen op mijn telefoon. [slachtoffer 1] heeft verteld dat [getuige] iets heeft gezien dat [verdachte] iets bij [slachtoffer 2] deed. [slachtoffer 1] heeft met [getuige] gesproken via Snap Chat.
O: De opname wordt ter beschikking gesteld van het onderzoek.
Uit het gesprek kwam ook naar voren dat [verdachte] vaak onder een kleedje op de bank zit. Dan zit hij in zijn onderbroek, of hij zit naakt onder het kleedje.
V: Wat zag je aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toen zij dit aan jou vertelden?
A: [slachtoffer 2] werd in een (1) keer stil. Ik denk dat ze schrok, dat ze wist dat ze iets had verteld wat ze niet mocht zeggen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van
2 februari 2026, opgenomen op pagina 52 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op donderdag, 22 januari 2026, is [slachtoffer 2] in de studio gehoord. V: Over wie kom je vertellen?
A: Over mijn stiefvader, die heet [verdachte] . V: Vertel me alles over [verdachte] .
A: Als ik beneden kom heeft hij, [verdachte] , zijn onderbroek niet aan. Als ik naar beneden kom, gaat hij aan zijn piemel trekken. En dan...dan...als hij dat heel lang doet, als mama weg is, dan gaat hij dat doen. Of als mama in de [salon] zit. Als hij het heel lang doet, dan komt er wit spul uit. Dan zit hij ook bij ons... Hij zit aan onze plasser daar aan... Ook wel bij [slachtoffer 1] . () Dan zeg ik dat ik naar de wc moet en dan ga ik naar boven. Dat doet [slachtoffer 1] ook, als hij, [verdachte] , dit bij ons doet. Als ik eerst naar beneden kom gaat hij zeggen: "Goedemorgen [slachtoffer 2] ." Dan gaat hij direct, tja. wat ik net zei. Dan zeg ik; dat is niet fijn, maar dan gaat hij gewoon door.
V: Je hebt mij verschillende dingen vertelt over [verdachte] . Je hebt vertelt dat hij aan je plasser zit. Hoe vaak is dat gebeurd?
A: Elke ochtend.
V: Waar is dat gebeurd?
A: Bededen op de bank, wanneer we tv kijken. V: Is het ook wel ergens anders gebeurd?
A: Nee, altijd op de bank.
V: [verdachte] ging ook altijd aan zijn piemel trekken. A: Als hij dat te lang doet komt er wit spul uit.
V: Waar gebeurd dat dan?
A: Op de bank. Alles wat ik heb verteld doet hij op de bank
V: Wat was er eerder, dat hij aan je plasser ging zitten, of aan zijn piemel trekken? A: Aan zijn piemel trekken.
[slachtoffer 2] tekent de woonkamer. [slachtoffer 2] legt uit hoe de woonkamer eruit ziet. [slachtoffer 2] zegt dat de woonkamer die zij tekent van [verdachte] is. Zij tekent een bank met daarop [verdachte] en [slachtoffer 2] .
V: Jij bent daar en [verdachte] is daar, en dan gaat hij aan je plasser zitten. Vertel eens hoe gaat dat? A: Hij gaat dan lopend over de bank naar mij en gaat dan bij mijn plasser zitten.
V: Hoe kan die dan bij je plasser komen?
A: Dan heb ik alleen mijn onderbroek en hij trekt mijn onderbroek uit. Maar niet helemaal. En dan gaat hij aan mijn plasser zitten. Dat doet hij ook bij [slachtoffer 1] .
V: Je zegt je onderbroek gaat niet helemaal uit. Tot waar gaat je onderbroek uit? A: Tot aan mijn knieën.
V: Wat doet die hand bij je plasser precies?
A: Hij gaat dan met zijn hand bij mijn plasser wrijven. V: Wat kan jij eigenlijk met je plasser?
A: Eigenlijks niks, alleen maar plassen.
V: Als [verdachte] aan je plasser zit en dan gaat wrijven. Wrijft hij aan de zijkant, in het midden, er over, of ergens anders.
A: Overal eigenlijk allemaal. V: Wat voel je dan?
A: Zijn vingers.
V: Wat voel je dan van zijn vingers? A: Rimpels, wat papa dus ook heeft.
V: Hoe wrijft hij dan, naast erop er in zijkant, midden, over er in op of aan de andere kant. V: Volgens mij in of op. Dat doet hij soms het allebei.
V: Van welke kant kwam zijn hand. A: Via de onderkant.
V: [verdachte] had jou broek naar beneden gedaan. Hoe zit het met [verdachte] zijn kleding? A: Hij had zijn deken om, maar verder weet ik het niet. () Een zwarte met witte deken.
V: Als hij aan je plasser gaat zitten, hoe is het dan met de deken? A: Die heeft hij nog steeds over.
V: Als [verdachte] aan de plasser van [slachtoffer 1] zit, hoe gaat het dan?
A: Wij zitten in het midden van de bank en dan gaat hij het bij [slachtoffer 1] doen, wanneer ik boven ben. Maar als ik beneden kom is hij soms nog steeds bezig. Dan zit zij in het hoekje en dan gaat [verdachte] daar ook heen.
V: Hoe is het met zijn kleding?
A: Als mama beneden komt geeft zij [verdachte] een onderbroek, omdat hij dan geen onderbroek aan heeft.
V: Als [verdachte] aan piemel gaat trekken, hoe is het dat zijn kleding, hoe kan hij bij zijn piemel? A: Dan gaat hij zijn onderbroek naar beneden trekken.
V: Wat bedoel je met trekken?
A: Hij trekt er aan tot er wit spul uit komt. V: Wat doet hij dan met zijn hand?
A: Gewoon trekken.
[slachtoffer 2] doet het voor op een potlood. Haar hand gaat op en neer over de potlood. V: Hoe is de piemel van [verdachte] dan, welk kant wijst de piemel dan op?
A: Gewoon het midden,
V: Waar komt dat witte spul er dan uit?
A: Gewoon, uit het midden van zijn piemel. V: Zegt [verdachte] dan ook wat?
A: Dan moet ik ook bij hem bij zijn piemel zitten. Dan moet ik ook trekken, maar dan komt er ook wit spul uit.
V: Hoe weet je dan wat je moet doen? A: Eerst doet hij het en dan doe ik het.
V: Hoe weet je dat dan wat je moet doen?
A: Weet ik niet. Hij doet het vaker en dan moet ik het ook vaker doen. V: Wat gebeurd er met dat witte spul?
A: Dan gaat hij dat op een handdoek doen of met een doekje uit de keuken. V: Waar is [slachtoffer 1] dan als jij gaat trekken aan zijn piemel?
A: Als er iemand komt dan gaat hij de deken over zich heen trekken.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van
2 februari 2026, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op donderdag, 22 januari 2026, is [slachtoffer 1] in de studio gehoord. V: Over wie kom je vertellen?
A: [verdachte] mijn stiefvader.
V: Vertel mij daar eens alles over.
A: Nou ehm? Het begon zeg maar, we waren aan het gourmetten, pannenkoeken aan
het maken. We waren een grappig gesprek aan het doen over piemels en zo. En toen begon [slachtoffer 2] in een keer zo van over. Ja uhm... als ik beneden kom dat hij, [verdachte] , aan zijn piemel
trekt en dan komt er wit spul uit. () Hij ( [verdachte] ) gaat dan ook wanneer mama aan het werk is, wanneer zij nagels aan het doen is en zo, dan gaat hij bij mij en [slachtoffer 2] ook wel, met zijn handen bij onze vagina's zitten. En dan zeg ik dat vind ik niet fijn. Ik zeg dat ik naar de wc moet en dan ga ik eigenlijk naar boven, dan ga ik boven liggen. En eh? Soms zegt [slachtoffer 2] tegen mij dat zij [verdachte] 's piemel moet vasthouden en dat ze dat ook niet fijn vindt. Maar als mama erbij is, doet [verdachte] dat zeg maar niet. () Ook als mijn vriendinnen bij mij thuis zijn, zit hij, [verdachte] , ook zonder kleren op de bank of zo, maar wel met een dekentje over zich heen.
V: Hoe ging dat met [getuige] ?
A: [getuige] had op Snapchat aan mij gevraagd of [verdachte] aan onze vagina's zit en over dat van piemels trekken.
[slachtoffer 1] vertelde dat er 2 jaar geleden ook iets is gebeurd. Ze waren toen een stuk jonger. En vonden het moeilijk om er over te praten. Toen deed [verdachte] het ook al. Maar ze durfden het niet te zeggen tegen papa. Ze vond het moeilijk om tegen haar papa te zeggen.
V: Je vertelt over aan je vagina zitten. Is dat één keer of vaker gebeurd? A: Vaker.
V: Waar waren jullie dan?
A: In de woonkamer, niet ergens anders. V: Waar in de woonkamer?
A: Op de bank, of op de stoel.
V: Je zegt dat hij het al langer doet, hoe oud was je toen [verdachte] dit voor het eerst deed?
A: Dat weet ik niet eigenlijk. Ik denk dat ik ongeveer 9 jaar was. 2 jaar geleden was ik 9. Toen mama en [verdachte] een relatie kregen gingen ze na 2 jaar trouwen.
V: Wat was er eerder, vagina of mama en [verdachte] trouwen? A: Ik denk eerst aan onze vagina zitten, daarna trouwen.
V: Wanneer is de laatste keer geweest dat hij aan je vagina zat? A: Sowieso de week toen ik voor het laatst bij mama was.
V: Heb je weleens gezien dat hij dit bij [slachtoffer 2] deed?
A: Ja, [getuige] heeft gezegd dat ik het eens moest proberen te filmen, dit lukte niet.
V: Hoe vaak heeft [verdachte] aan de vagina [slachtoffer 2] gezeten? Eén keer of vaker? A: Vaker, dat heeft [slachtoffer 2] aan mij verteld.
V: Heb je dat één keer of vaker gezien dat [verdachte] aan [slachtoffer 2] haar vagina zat? A: Ik heb het wel één keer gezien.
V: Als [verdachte] aan de vagina van [slachtoffer 2] zat, waar was dat dan? A: Op de bank, wanneer mama er niet bij was.
V: Hoe oud was [slachtoffer 2] toen jij het zag? A: Ik denk zeven ook wel acht.
[slachtoffer 1] verteld dat [verdachte] aan zijn piemel zit. Elke avond bijna zit hij aan zijn piemel. [slachtoffer 1] verteld dat alles in de woonkamer gebeurd.
V: Laten we naar die laatste keer gaan toen je bij mama was. Wie is dan waar?
A: Volgens mij zat mama in haar kamer, maar ik weet het niet zeker. Dan zit [verdachte] hier en ik hier. Dan gaat hij een beetje naar mij toe en dan gaat hij heel sneaky met zijn hand in mijn broek, in mijn onderbroek en dan gaat hij er aan zitten.
V: Waar gaat hij langs met zijn hand?
A: Hij gaat dan eerst naar de broek toe. Niet van achter maar van voor. V: Wat raakt hij dan aan bij de voorkant?
A: Gewoon hier, hij begint mijn onderbuik en dan gaat hij naar mijn vagina. Hij zit dan op mijn blote vagina.
V: Wat deed hij dan bij je vagina.
A: Dan doe hij, dan beweegt hij zo, hij wrijft en beweegt. Ik zeg dan dat ik naar boven ga. V: Als [verdachte] aan je vagina gaat wrijven, zit hij er naast op, of in, of anders?
A: Op denk ik.
V: Als hij dan op je vagina zit, wat raakt hij dan aan?
A: Ja alles gewoon, hij raakt alles aan. Dan beweegt hij heen en weer. V: Wat voel je dan als hij je aanraakt bij je vagina?
A: Gewoon zijn hand, vooral zijn vingers. Hij gebruikt dan 1 of 2 vingers. Tenminste, zo voelt het. V: Hoe zat het met zijn kleding de laatste keer?
A: Ik weet niet of hij had een onderbroek aan of niet. Soms is hij helemaal uitgekleed. Soms loopt hij naar de wc en dan loopt hij in zijn blootje naar de wc.
V: Als [verdachte] met zijn hand aan jou vagina zit, heb je dan ook weleens dat je hem naakt kan zien, dat jij zijn piemel kan zien?
A: Nee, dan zit hij op de bank en dan heeft hij vaak die deken over zich heen. Als hij gaat koffie halen of naar de wc gaat dan loopt hij in zijn blootje daarheen. Ik kijk er niet naar. Ik hoef het niet te zien.
V: Wanneer is de laatste keer geweest dat hij aan zijn piemel heeft getrokken?
A: Dat doet hij elke dag. Dan gaat hij gewoon. ik weet hij eigenlijk niet. Ik zie dan onder de deken
op en neer gaan.
0: Ik verbalisant zie dat [slachtoffer 1] twee kleine en twee grote halve cirkels tegenover elkaar heeft getekend.
0: tekening van de vagina wordt bijgevoegd onder bijlage III
[slachtoffer 1] tekent een vagina en geeft aan dat zij niet precies weet wat, wat is. [naam 4] vraagt waar [verdachte] dan aan zit en of [slachtoffer 1] dit kan aanwijzen op de tekening. Ik verbalisant zie dat [slachtoffer 1] met haar hand de alles aanwijst. Ze wijst de ruimte aan tussen de twee halve cirkels. Ze wijst ook de hele vagina aan.
V: Dus hij zit aan de zij kanten, maar zit hij dan ook op je vagina, in het midden, of ook in je vagina of aan de buitenkant of nog anders?
A: Op wel, maar gaat er niet in of zo. Maar hij drukt dan een beetje. Maar gaat er niet persé in of zo.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 27 januari 2026, opgenomen op pagina 76 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :
V: Wanneer was je moeder van huis?
A:. Ze heeft een [salon] aan huis. Ze hebben de schuur omgebouwd. Ze zit hier vaak in de avond, ik denk drie of vier keer in de week. De afspraken heeft ze meestal rond 18.30 uur en dan is ze ongeveer 2 uur bezig. Ik ben op dit tijdstip meestal weg, voetbal met vrienden. De meiden waren dan wel thuis samen met [verdachte] .
V: In hoeverre wordt er porno gekeken?
A: [verdachte] zit op die vage sites. Dan kijkt hij s avonds livestreams. Als hij site bekijkt en die ligt op tafel kan iedereen het zien.
V: Je hebt aangegeven datje iets gezien zou hebben met betrekking tot [verdachte] . Wat kun je ons vertellen?
A: Ik kwam thuis, ik had mijn auto geparkeerd, via de aanbouw ging ik naar binnen. Ik zag dat [slachtoffer 2] gebogen op haar knieën zat, [verdachte] stond erachter met zijn hand in haar vagina. Ik gooide deur dicht, zodat hij hoorde dat ik thuis kwam. Hij trok [slachtoffer 2] recht zodat ze normaal lag. Ik ben gelijk naar boven gegaan. Ik keek bij [slachtoffer 1] om te kijken of zij oké was.
[slachtoffer 2] kwam naar boven. Ik ben weggegaan van huis. Ik heb de kindertelefoon gebeld. Ik heb [slachtoffer 1] ook geappt en gevraagd of het vaker gebeurde. Ook zodat ik zekerheid had, van wat ik had gezien. De kindertelefoon gaf aan dat ik met mijn moeder moest spreken. Ik heb mijn moeder nog gesproken, diezelfde avond. Ik ben de [salon] binnen gelopen en toen heb ik het tegen haar gezegd.
V: Wanneer was dit?
A: 27 mei 2025. Dit weet ik, omdat ik toen berichten heb verstuurd naar mijn moeder. V: Waar kom je dan binnen?
A: Via de achterkant.
V: Dan kan je al naar binnen kijkt, wat zie je dan?
A: Ik keek naar links. Ik zag [slachtoffer 2] op de bank zitten op haar knieën en [verdachte] stond achter haar.
O: Een tekening wordt bijgevoegd onder bijlage I V: Waar zat [slachtoffer 2] op de bank?
A: Op de hoek zat zij van de bank. Ze zat op haar knieën, voorover gebukt. V: Waar stond [verdachte] ?
A: Die stond achter de bank. Met zijn hand bij [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] haar hoofd wees naar de gangkant. Ik zag dat hij met zijn handen tussen haar vagina zat.
V: Hoe zat het met de kleding van [slachtoffer 2] ?
A: Volgens mij had zij een shirt aan. Haar onderkant was naakt. Ik zag haar blote benen en haar kont. V: En toen heb je [slachtoffer 1] geappt.
A. Ja dat klopt, hier heb ik screenshots van gemaakt. Deze screenshots heb ik verstuurd naar mijn moeder.
Als bijlagen is bij dit proces-verbaal gevoegd: bijlage 1.
De rechtbank begrijpt dat de door de getuige aan de verbalisanten verstrekte Snapchatberichten als bijlage 1 vanaf pagina 86 e.v. aan het dossier zijn toegevoegd. De rechtbank begrijpt dat in deze berichten met "ik" de getuige [getuige] wordt bedoeld en met " [slachtoffer 1] " de aangeefster [slachtoffer 1] . De rechtbank leest in deze berichten het volgende:
Ik: Wat doet hij allemaal (20.08)
[slachtoffer 1] : Ik weet niet hoe ik het uit moet leggen (20.09) Ik: Probeer het (20.10)
[slachtoffer 1] : Hij gaat met zijn hand bij onze vagina (20.11) Ik: Hoe vaak doet hij dat? (20.12)
[slachtoffer 1] : Per week ongeveer als je bij hem zit dan drie keer per week of (20.13) vier keer of zo.
Ik: Oké waar is mama dan? (20.14) [slachtoffer 1] : Nu (20.14)
Ik: Nee als hij dat doet (20.14)
[slachtoffer 1] : Bij de winkel of bij de [salon] (20.14) Ik: Hoe lang gebeurt dit al (20.14)
[slachtoffer 1] : Best lang ik weet niet precies hoe lang (20.15)
De rechtbank begrijpt dat de door de getuige aan de verbalisanten verstrekte WhatsAppberichten als bijlage 1 vanaf pagina 91 e.v. aan het dossier zijn toegevoegd. De rechtbank begrijpt dat deze berichten een WhatsAppgesprek betreffen tussen de getuige [getuige] en zijn moeder. De rechtbank leest daarin het volgende:
27 mei 2025
Mama: Wat heb jij precies gezien? (23:13)
Ik: [slachtoffer 2] die voorover zat gebukt en [verdachte] die erachter stond (23.15) en hadden aan het vingeren was
Mama: En wat deed [slachtoffer 2] dan (23.16) Ik: Ik hoorde haar stop zeggen (23.17)
Ik: *stuurt het Snapchatbericht met [slachtoffer 1] door* (23.17) Mama: Maar hoe laat was dat (23.18)
Ik: Kwart voor 8 (23:19)
Mama: Oke. Jij kwam binnen en toen (23.21)
Ik: Ik zag het gebeuren en toen keek ik snel weg en toen trok hij (23:22) [slachtoffer 2] liggend alsof er niks gebeurd was.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van
26 januari 2026, opgenomen op pagina 132 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op zondag 18 januari 2026, ben ik verbalisant [verbalisant] , samen met mijn collega [verbalisant] naar de woning van verdachte [verdachte] gegaan om hem een onderzoek aan te zeggen. In de woonkamer zat verdachte [verdachte] op de bank. Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat verdachte
[verdachte] op de bank zat onder een zwart /wit kleedje. Ik zag dat hij een T-shirt droeg. Ik hoorde verdachte [verdachte] zeggen dat hij voor de rest niet veel aan had en daarom onder het kleedje bleef zitten.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van
20 februari 2026, opgenomen op pagina 174 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 20 februari 2026 deed ik onderzoek naar de data op de telefoon van verdachte [medeverdachte] . Ik deed onderzoek naar de whatsapp chatgeschiedenis tussen [medeverdachte] en haar man, tevens verdachte in deze zaak, [verdachte] Ik zag het volgende:
21 juli 2025:
[medeverdachte] : Waar ben jij. (16:23)
[medeverdachte] : Zegt [slachtoffer 1] . Mama, [verdachte] kijkt naar andere naakte vrouwen. (16:24)
En naar porno.
[verdachte] : Huh. Hoe de fuck waar heeft ze het over. (16.24) [medeverdachte] : En als ik dan uit de tent kom dat je het weg doet. (16.25)
1. ECLI:NL:HR:2017:1216, r.o. 2.4.
2 ECLI:NL:HR:2010:BK6910